Vraag

01 mei 2026

Vragen over droogte en brandgevaar in natuurgebieden door oefeningen van defensie

Natuurbranden zijn, door de regelmatig aanhoudende droogte, meer regel dan uitzondering geworden. Op de Oirschotse Heide brak deze week een zeer grote brand uit op een militair oefenterrein, terwijl elders in Nederland nog meer grote natuurbranden woeden, waarbij buitenlandse hulp nodig is voor de bestrijding. Het Rijksvastgoedbedrijf beheert de militaire oefenterreinen, maar het beschermen van natuurgebieden en de dieren die er leven, is een taak van de provincie. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u met ons van mening dat de bescherming van de natuurgebieden en de dieren die er leven, bij extreme droogte altijd de eerste prioriteit moet zijn bij defensie-oefeningen? Zo nee, waarom niet?

2. Bent u met ons van mening dat natuurbranden een direct risico voor de veiligheid van omwonenden vormen, en dat het argument dat de oefeningen in het belang zijn van de nationale veiligheid, niet opgaat tijdens te droge perioden? Zo nee, waarom niet?

3. Bent u met ons van mening dat Defensie haar oefeningen moet staken, wanneer het risico op een natuurbrand door droogte niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waarom niet?

Over het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) zegt de Commissie MER o.a.: “de kans op en effecten van calamiteiten zoals natuurbranden zijn niet in beeld, terwijl deze wel relevante gevolgen kunnen hebben op onder andere natuur en veiligheid”. Kempen Airport geeft aan al maanden defensie te hebben gewaarschuwd voor het gevaar van natuurbranden door de schiet- en explosieoefeningen in droge gebieden.
Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim gaf echter aan het niet nodig te vinden de oefeningen te pauzeren tijdens droogte.

4. Heeft u met Kempen Airport contact gehad over de waarschuwingen van haar kant, en het negeren daarvan door defensie? Zo ja, welke rol heeft u hierin gespeeld?

5. Bent u ervan overtuigd dat defensie de ernst van natuurbranden door militaire oefeningen inziet? Zo ja, waaruit blijkt dit volgens u, gezien defensie er niet genoeg aandacht aan besteedt in het planMER, waarschuwingen van Kempen Airport negeert, en zelfs tijdens het woeden van enorme natuurbranden nog aangeeft dat het niet nodig is de oefeningen tijdens droogte te pauzeren?

6. Bent u van mening dat er voldoende aan preventieve maatregelen wordt gedaan tegen natuurbranden op militaire oefenterreinen? Zo ja, kunt u dit toelichten?

7. Bent u van mening dat de protocollen van Defensie voldoende zijn om branden zoals deze in de toekomst te voorkomen? Zo ja, kunt u dit toelichten?

8. Bent u bereid om over preventieve maatregelen (waaronder het aanscherpen van veiligheidsprotocollen en het staken van brandgevaarlijke oefeningen bij droogte) met de minister van Defensie in gesprek te treden? Zo nee, waarom niet?

Bij de verscheidene branden van de afgelopen paar dagen, spelen factoren mee die door veranderingen in het klimaat worden bepaald. De grondwaterstand is laag, en de neerslag is de afgelopen weken minimaal geweest. In de zomer komen er hoogstwaarschijnlijk meer perioden van droogte en hittegolven, en dus vaker condities waarin brand kan ontstaan.

9. Wat is uw prognose voor de rest van het jaar, wat betreft het uitbreken van natuurbranden in Noord-Brabant? Graag een toelichting.

Tijdens de behandeling van de Bestuursrapportage I-2025, heeft de fractie van de Partij voor de Dieren aandacht gevraagd voor het nemen van preventieve maatregelen tegen natuurbranden. Daarop is ons de toezegging gedaan dat borden, die wijzen op het risico van brandgevaar, bij meer natuurgebieden geplaatst gaan worden, in overleg met de terreinbeherende organisaties.

10. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het plaatsen van de borden die wijzen op het risico van brandgevaar bij natuurgebieden?

11. Bent u met ons van mening dat de provincie meer moet doen om natuurbranden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Ellen Putman
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Natuurbranden zijn, door de regelmatig aanhoudende droogte, meer regel dan uitzondering geworden. Op de Oirschotse Heide brak deze week een zeer grote brand uit op een militair oefenterrein, terwijl elders in Nederland nog meer grote natuurbranden woeden, waarbij buitenlandse hulp nodig is voor de bestrijding. Het Rijksvastgoedbedrijf beheert de militaire oefenterreinen, maar het beschermen van natuurgebieden en de dieren die er leven, is een taak van de provincie. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u met ons van mening dat de bescherming van de natuurgebieden en de dieren die er leven, bij extreme droogte altijd de eerste prioriteit moet zijn bij defensie-oefeningen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het college is van mening dat de bescherming van natuur, biodiversiteit en veiligheid zeker bij extreme droogte een prioriteit vormt. Daarbij is het van belang dat bij activiteiten van derden, waaronder Defensie, binnen of nabij natuurgebieden steeds een zorgvuldige afweging plaatsvindt tussen alle betrokken belangen. In situaties van verhoogd natuurbrandgevaar, zoals bij aanhoudende droogte, moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met het risico op snel escalerende en potentieel onbeheersbare natuurbranden.


2. Bent u met ons van mening dat natuurbranden een direct risico voor de veiligheid van omwonenden vormen, en dat het argument dat de oefeningen in het belang zijn van de nationale veiligheid, niet opgaat tijdens te droge perioden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Natuurbranden kunnen directe risico’s opleveren voor omwonenden, hulpdiensten en vitale infrastructuur. Het college acht het vanbelang dat bij verhoogde brandrisico’s een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt, waarbij de fysieke veiligheid van omwonenden en natuur expliciet wordt afgewogen tegen andere publieke belangen, waaronder nationale veiligheid. 


3. Bent u met ons van mening dat Defensie haar oefeningen moet staken, wanneer het risico op een natuurbrand door droogte niet kan worden uitgesloten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Het college is van mening dat niet iedere oefening per definitie moet worden gestaakt. Wel acht het college het noodzakelijk dat Defensie haar activiteiten aanpast aan de actuele omstandigheden en het geldende brandrisico. Dit kan betekenen dat risicovolle onderdelen van oefeningen tijdelijk worden opgeschort, zoals activiteiten met een verhoogd ontstekingsrisico, of dat extra preventieve maatregelen worden genomen.


Over het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) zegt de Commissie MER o.a.: “de kans op en effecten van calamiteiten zoals natuurbranden zijn niet in beeld, terwijl deze wel relevante gevolgen kunnen hebben op onder andere natuur en veiligheid”. Kempen Airport geeft aan al maanden defensie te hebben gewaarschuwd voor het gevaar van natuurbranden door de schiet- en explosieoefeningen in droge gebieden.
Commandant der Strijdkrachten Onno Eichelsheim gaf echter aan het niet nodig te vinden de oefeningen te pauzeren tijdens droogte.

4. Heeft u met Kempen Airport contact gehad over de waarschuwingen van haar kant, en het negeren daarvan door defensie? Zo ja, welke rol heeft u hierin gespeeld?

Antwoord:
Nee. Het college heeft hierover geen rechtstreeks contact gehad met Kempen Airport. Wel is het college bekend met de signalen die in de media zijn geuit en betrekt het deze in het overleg met partners en het Rijk. 


5. Bent u ervan overtuigd dat defensie de ernst van natuurbranden door militaire oefeningen inziet? Zo ja, waaruit blijkt dit volgens u, gezien defensie er niet genoeg aandacht aan besteedt in het planMER, waarschuwingen van Kempen Airport negeert, en zelfs tijdens het woeden van enorme natuurbranden nog aangeeft dat het niet nodig is de oefeningen tijdens droogte te pauzeren?

Antwoord:
Ja. Het college heeft de indruk dat Defensie zich bewust is van de risico’s van natuurbranden bij militaire oefeningen en hiervoor maatregelen en protocollen hanteert. Dit blijkt onder meer uit de Kamerbrief over de recente natuurbranden op militaire terreinen, waarin wordt aangegeven dat oefeningen plaatsvinden volgens strikte protocollen en dat naar aanleiding van de recente incidenten aanvullende maatregelen zijn genomen, zoals het tijdelijk opschorten van het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek tijdens droge omstandigheden en het heroverwegen van uitzonderingsprocedures. Tegelijkertijd constateert het college dat de vele recente branden laten zien dat voortdurende aanscherping en toetsing van deze maatregelen noodzakelijk blijft, mede in het licht van toenemende droogte en de intensiteit van het gebruik van oefenterreinen.


6. Bent u van mening dat er voldoende aan preventieve maatregelen wordt gedaan tegen natuurbranden op militaire oefenterreinen? Zo ja, kunt u dit toelichten?

Antwoord:
Nee. Het college ziet aanleiding om, samen met het Rijk en Defensie, te bezien of aanvullende preventieve maatregelen noodzakelijk zijn. Daarbij wordt onder meer gedacht aan versterking van monitoring en vroege signalering, aanpassingen in de inrichting en het beheer van oefenterreinen en scherpere besluitvorming bij langdurige droogte. Hierbij is specifieke aandacht nodig voor activiteiten met een verhoogd brandrisico. 


7. Bent u van mening dat de protocollen van Defensie voldoende zijn om branden zoals deze in de toekomst te voorkomen? Zo ja, kunt u dit toelichten?

Antwoord:
Nee. Protocollen verkleinen risico’s, maar kunnen natuurbranden niet volledig uitsluiten. Het college acht het daarom van belang dat bestaande protocollen periodiek worden geëvalueerd en, waar nodig, worden aangescherpt op basis van actuele risicoanalyses, onderzoeksresultaten en praktijkervaringen. Daarbij is het van belang dat rekening wordt gehouden met de toenemende kans op snel escalerende natuurbranden.


8. Bent u bereid om over preventieve maatregelen (waaronder het aanscherpen van veiligheidsprotocollen en het staken van brandgevaarlijke oefeningen bij droogte) met de minister van Defensie in gesprek te treden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. Het college is bereid dit onderwerp onder de aandacht te brengen van het ministerie van Defensie en daarbij het belang van verdere aanscherping van preventieve maatregelen te benadrukken, zoals het herijken van veiligheidsprotocollen en het beperken van brandgevaarlijke activiteiten bij verhoogd risico. In de Kamerbrief over de recente natuurbranden op militaire terreinen geeft Defensie aan reeds maatregelen te hebben genomen, waaronder het tijdelijk opschorten van het gebruik van open vuur, munitie en pyrotechniek tijdens droge omstandigheden, en het heroverwegen van bestaande procedures.


Bij de verscheidene branden van de afgelopen paar dagen, spelen factoren mee die door veranderingen in het klimaat worden bepaald. De grondwaterstand is laag, en de neerslag is de afgelopen weken minimaal geweest. In de zomer komen er hoogstwaarschijnlijk meer perioden van droogte en hittegolven, en dus vaker condities waarin brand kan ontstaan.

9. Wat is uw prognose voor de rest van het jaar, wat betreft het uitbreken van natuurbranden in Noord-Brabant? Graag een toelichting.

Antwoord:
Het college kan geen concrete prognose geven voor de rest van het jaar. Wel is duidelijk dat door aanhoudende droogte, lage grondwaterstanden en perioden van hitte het risico op natuurbranden toeneemt en dat dergelijke incidenten zich ook in Nederland steeds vaker voordoen. Het opstellen van specifieke prognoses behoort tot de verantwoordelijkheid van onder meer het KNMI en de veiligheidsregio’s. Het college blijft zich, samen met partners, actief inzetten om via een integrale benadering de risico’s te beheersen en de weerbaarheid te vergroten.


Tijdens de behandeling van de Bestuursrapportage I-2025, heeft de fractie van de Partij voor de Dieren aandacht gevraagd voor het nemen van preventieve maatregelen tegen natuurbranden. Daarop is ons de toezegging gedaan dat borden, die wijzen op het risico van brandgevaar, bij meer natuurgebieden geplaatst gaan worden, in overleg met de terreinbeherende organisaties.

10. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het plaatsen van de borden die wijzen op het risico van brandgevaar bij natuurgebieden?

Antwoord:
De communicatie over natuurbrandrisico’s, waaronder het gebruik van waarschuwingsborden, maakt onderdeel uit van de bredere gebiedsgerichte aanpak van natuurbrandbeheersing in Noord‑Brabant. De verantwoordelijkheid voor risicocommunicatie ligt primair bij gemeenten, veiligheidsregio’s en terreinbeheerders. 
In de provincie werken gebiedscommissies, waarin deze partijen samenwerken, aan maatregelen op maat per natuurgebied. In meerdere gebieden zijn gebiedscommissies al overgegaan tot het plaatsen van waarschuwingsborden. Verschillende gemeenten en veiligheidsregio’s hebben de krachten gebundeld om te komen tot eenduidig en herkenbaar bordmateriaal, waarbij wordt aangesloten bij de landelijke campagne “Voorkomen van vuur is jouw natuur”
De provincie stimuleert, verbindt en ondersteunt deze samenwerking, onder meer door kennisdeling, coördinatie en waar nodig facilitering. Op deze manier wordt gewerkt aan een consistente en effectieve risicocommunicatie, afgestemd op de specifieke kenmerken en risico’s per gebied


11. Bent u met ons van mening dat de provincie meer moet doen om natuurbranden te voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het college zet onverminderd en gericht in op het voorkomen en beheersen van natuurbranden. Dit gebeurt via een samenhangende aanpak met terreinbeheerders, gemeenten, veiligheidsregio’s, waterschappen en het Rijk. De provincie neemt hierin regie, met samenwerking als fundament van de aanpak, en stuurt op risicogericht werken, versterking van kennis en een robuuste organisatie van natuurbrandbeheersing. 
Tegelijkertijd is een effectieve aanpak nadrukkelijk afhankelijk van de landelijke kaders en middelen. Het college dringt daarom richting het ministerie van LVVN actief aan op verdere versterking van het nationale beleid, waaronder heldere en uitvoerbare regelgeving, structurele financiering en een stevige impuls voor kennisontwikkeling en innovatie. Zonder deze randvoorwaarden blijft de slagkracht op regionaal niveau beperkt.