22 mei 2026
Technische vragen over een ‘beloning’ van miljoenen euro’s gemeenschapsgeld voor een vele jaren lang illegaal opererende intensieve varkenshouderij
In februari 2024 stelden wij schriftelijke vragen over een intensieve varkenshouderijbedrijf met meerdere locaties in Rijkevoort, en ook elders in Nederland. In de beantwoording gaf het college van GS aan dat subsidie uit de Subsidieregeling Urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN) niet wordt uitgekeerd "indien de [potentiële] subsidieontvanger zich niet beweegt binnen de afgesproken wettelijke kaders". Aan de subsidie is de opschortende voorwaarde gesteld dat de gewijzigde omgevingsvergunning onherroepelijk is, wat toen nog niet het geval was.
Rechtbank Oost-Brabant heeft de omgevingsvergunning vernietigd, en aangegeven dat er al sinds 2004 een illegale bedrijfsvoering plaatsvindt. Het veehouderijbedrijf voldeed al jaren niet aan tal van milieuregels, o.m. door te veel varkens te houden. De provincie stelde daarover op een gegeven moment ook: "We hebben al een keer de deadline opgeschoven voor het nakomen van de milieuafspraken. Er zit een eindigheid aan onze coulance. Alleen als Cornelissen alle regels volgt, komt het in aanmerking voor de [SUN-]subsidie. Maar daar is geen enkel zicht op."
Sindsdien is aan de illegale situatie van het bedrijf – die al vele jaren langer duurt – niets veranderd, maar nu zou het bedrijf voor miljoenen euro’s gemeenschapsgeld worden uitgekocht, via de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv).
Wij hebben hierover de volgende technische vragen.
1. Is het artikel ‘Buurt vocht jaren tegen stank en te veel varkens, nu ligt er mogelijk 5 miljoen klaar voor uitkoop: ‘Onacceptabel’’ feitelijk juist? Zo nee, wat klopt er niet, en hoe zit het wel?
Bij de volgende vragen gaan we uit van de informatie in het in vraag 1 aangehaalde artikel.
2. Welke rol heeft de provincie in de kwestie van de uitkoop van de intensieve varkenshouderij, en specifiek ook in het besluit de Lvb-subsidie al dan niet te verlenen?
3. Kan het betreffende bedrijf wel in aanmerking komen voor uitkoop via de Lbv, gezien één van de voorwaarden is “U houdt zich aan de wettelijke eisen voor een veehouderij”?
4. Hoe wordt de uitkoopwaarde van het bedrijf?
5. Heeft het gebrek aan vereiste vergunningen invloed op de totale waarde van het bedrijf?
6. Klopt het dat bij verlening van Lbv-subsidie minimaal 80% van de varkensrechten vervallen, en de veehouder dus maximaal 20% mag behouden? Zo ja, kan het familiebedrijf deze 20% inzetten op de andere bedrijfslocaties die het heeft? Zo nee, waaruit blijkt dit?
7. Heeft de provincie ooit overwogen de illegale situatie van deze varkenshouderij via handhaving te stoppen? Zo ja, hoe is dat verlopen, en hoe kan het dat het niet zo ver is gekomen?
8. Klopt het dat uitkoop via de Lvb de provincie niets kost (omdat dit Rijksmiddelen zijn), terwijl de provincie aan handhaving wel kosten zou hebben gehad?
9. Zijn er vergelijkbare gevallen in Brabant bekend, van uitkoop van veehouderijbedrijven die niet aan de wettelijke eisen voldoen/voldeden?
In februari 2024 stelden wij schriftelijke vragen over een intensieve varkenshouderijbedrijf met meerdere locaties in Rijkevoort, en ook elders in Nederland. In de beantwoording gaf het college van GS aan dat subsidie uit de Subsidieregeling Urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN) niet wordt uitgekeerd "indien de [potentiële] subsidieontvanger zich niet beweegt binnen de afgesproken wettelijke kaders". Aan de subsidie is de opschortende voorwaarde gesteld dat de gewijzigde omgevingsvergunning onherroepelijk is, wat toen nog niet het geval was.
Rechtbank Oost-Brabant heeft de omgevingsvergunning vernietigd, en aangegeven dat er al sinds 2004 een illegale bedrijfsvoering plaatsvindt. Het veehouderijbedrijf voldeed al jaren niet aan tal van milieuregels, o.m. door te veel varkens te houden. De provincie stelde daarover op een gegeven moment ook: "We hebben al een keer de deadline opgeschoven voor het nakomen van de milieuafspraken. Er zit een eindigheid aan onze coulance. Alleen als Cornelissen alle regels volgt, komt het in aanmerking voor de [SUN-]subsidie. Maar daar is geen enkel zicht op."
Sindsdien is aan de illegale situatie van het bedrijf – die al vele jaren langer duurt – niets veranderd, maar nu zou het bedrijf voor miljoenen euro’s gemeenschapsgeld worden uitgekocht, via de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv).
Wij hebben hierover de volgende technische vragen.
1. Is het artikel ‘Buurt vocht jaren tegen stank en te veel varkens, nu ligt er mogelijk 5 miljoen klaar voor uitkoop: ‘Onacceptabel’’ feitelijk juist? Zo nee, wat klopt er niet, en hoe zit het wel?
Antwoord:
Het is aan de schrijver van het artikel om verantwoording af te leggen over hetgeen geschreven is. Voor de beantwoording van de vragen die mogelijk n.a.v. het artikel kunnen worden gesteld verwijzen wij naar de eerdere beantwoorden van door u gestelde schriftelijke vragen over deze casus op 16 februari 2024 en de overige vragen technische vragen hierna.
Bij de volgende vragen gaan we uit van de informatie in het in vraag 1 aangehaalde artikel.
2. Welke rol heeft de provincie in de kwestie van de uitkoop van de intensieve varkenshouderij, en specifiek ook in het besluit de Lvb-subsidie al dan niet te verlenen?
Antwoord:
LBV is een rijks-subsidie-regeling waarbij de uitvoering is belegd bij RVO. RVO vraagt van elke aanvrager vergunning gegevens op bij gemeente en provincie. Die worden uiteraard verstrekt. Provincie heeft geen rol in het besluitvormingsproces van RVO. Deelname aan de regeling is een keuze van de ondernemer zelf, de provincie heeft daarbij op geen enkele manier een rol gespeeld.
3. Kan het betreffende bedrijf wel in aanmerking komen voor uitkoop via de Lbv, gezien één van de voorwaarden is “U houdt zich aan de wettelijke eisen voor een veehouderij”?
Antwoord:
Deze beoordeling ligt bij RVO.
4. Hoe wordt de uitkoopwaarde van het bedrijf?
Antwoord:
De vergoedingsystemtiek van LBV is gebaseerd op forfaitaire normen die onderdeel van de regeling zijn. Naarmate de stallen ouder zijn wordt de vergoeding lager. De vergoeding is gebaseerd op het aantal vierkante meters dierverblijf en niet op aantallen dieren.
5. Heeft het gebrek aan vereiste vergunningen invloed op de totale waarde van het bedrijf?
Antwoord:
De vastgestelde vergoeding wordt gebaseerd op de feitelijk gerealiseerde situatie. Het aantal vierkante meters dierenverblijf maal de forfaitaire vergoeding.
6. Klopt het dat bij verlening van Lbv-subsidie minimaal 80% van de varkensrechten vervallen, en de veehouder dus maximaal 20% mag behouden? Zo ja, kan het familiebedrijf deze 20% inzetten op de andere bedrijfslocaties die het heeft? Zo nee, waaruit blijkt dit?
Antwoord:
Het klopt dat een LBV-deelnemer minimaal 80% en maximaal 100% van het aantal dierrechten nodig voor het aantal dieren gehouden in het referentiejaar moet doorhalen. Het evt. restant van 20% mag de veehouder overdragen aan derden. Hij zou deze ook kunnen overschrijven naar een andere bedrijfslocatie van hem.
7. Heeft de provincie ooit overwogen de illegale situatie van deze varkenshouderij via handhaving te stoppen? Zo ja, hoe is dat verlopen, en hoe kan het dat het niet zo ver is gekomen?
Antwoord:
Vraag 7 hebben we opgevat als een 'niet-technische' vraag.
8. Klopt het dat uitkoop via de Lvb de provincie niets kost (omdat dit Rijksmiddelen zijn), terwijl de provincie aan handhaving wel kosten zou hebben gehad?
Antwoord:
Provincie draagt financieel niet bij aan de LBV-regeling. Deze wordt volledig bekostigd door het rijk. Eventuele handhaving van overtredingen is belegd bij omgevingsdienst.
9. Zijn er vergelijkbare gevallen in Brabant bekend, van uitkoop van veehouderijbedrijven die niet aan de wettelijke eisen voldoen/voldeden?
Antwoord:
Nee. Provincie heeft geen zicht op alle LBV-deelnemers in Brabant aangezien uitvoering van deze regeling belegd is bij RVO.