Negende wijzi­gings­ver­or­dening Provin­ciale mili­eu­ver­or­dening Noord-Brabant 2010


1 juni 2018

Voorzitter,

Brabant is vol, hartstikke vol en eigenlijk té vol. Dat betekent dat we regelmatig en in toenemende mate geconfronteerd worden met conflicterende belangen. Het belang van de ene gaat direct ten koste van de mogelijkheden van de ander.

Wanneer uit gedegen onderzoek, op basis van objectieve en controleerbare toetsingscriteria, blijkt dat een bepaald gebied binnen de 25-jaarszone van het waterwingebied valt, dan zijn er dus twee mogelijkheden: je verplaatst je waterwinputten, of je past de 25-jaarszone aan.

Voor dat laatste is hier gekozen, en dat is dan sneu voor al degenen die nu geconfronteerd worden met de verscherpte regels die dat met zich meebrengt. Maar het is ook het directe gevolg van het groeiscenario, dat uitgaat van het idee dat economische groei, welvaart en welzijn één-op-één gekoppeld zijn en dat groei dus goed en gewenst is. Ja, dan gaat het dus zo af en toe knellen en schuren.

Wat ik merkwaardig vind, en waar ik een toelichting op zou willen hebben, is de toepassing van het overgangsrecht. Er zijn dus kennelijk activiteiten of inrichtingen die onder de nieuwe regelgeving niet zijn toegestaan, maar die wel mogen worden voortgezet, omdat er sprake is van bestaand gebruik, zoals aardwarmtesystemen die nog gedurende tien jaar worden geaccepteerd, of parkeerplaatsen zonder gesloten oppervlak.

Bestuursrechtelijk is het logisch, ik snap het heus, rechtszekerheid is belangrijk voor de betreffende eigenaren en bedrijven, een betrouwbare overheid et cetera, maar hydrologisch vind ik het niet logisch. Als die activiteiten werkelijk een serieuze bedreiging vormen voor het grondwater, waarom wordt er dan niet voor gekozen om met onmiddellijke ingang te starten met het afbouwen, desnoods op kosten van andere belanghebbenden, zoals waterwinbedrijven? En als het met het risico wel meevalt: waarom dan een verbod?

Ik dank u.