Vragen aan Gede­pu­teerde Staten over vrees scha­de­claims


25 september 2007

Statenvragen van de PvdD Statenfractie Noord-Brabant aan het college van GS
op grond van ex artikel 3.2 van het Reglement van Orde.

Geachte Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Bij brief van 28 augustus 2007, ingekomen op 5 september 2007, (kenmerk 1324096) heeft u de vragen die ik namens de statenfractie van de Partij voor de Dieren stelde bij brief van 8 augustus 2007, beantwoord.
Deze antwoorden roepen echter nieuwe vragen op.

Onder ad 3 schrijft u dat de Habitattoets kán worden uitgevoerd, deze zou niet verplicht zijn.

Op grond van artikel 6, derde lid, Habitatrichtlijn zijn lidstaten verplicht om een toestemmingsmoment te creëren voor plannen en projecten met mogelijk significante negatieve gevolgen. Artikel 6, tweede lid, spreekt over het nemen van passende maatregelen om te voorkomen dat de kwaliteit van habitats verslechtert of er significant verstorende effecten op soorten optreden.

  1. Wij begrijpen uit uw antwoord dat u een Natuurbeschermingswetvergunning heeft verleend voor een veehouderij waarbij, ondanks de reële mogelijkheid dat daarmee een significant negatief effect zal ontstaan voor de Deurnese Peel vanwege de stikstofdeposities, geen habitattoets is uitgevoerd.
    Begrijpen wij dit goed?
  2. Klopt het dat er tot op heden in geen enkel verband een Habitattoets is uitgevoerd n.a.v. de bedrijfsplannen van Aldenzee?
  3. Waarop baseert u de veronderstelling dat de Natuurbeschermingswet-vergunningverlening aan Aldenzee verenigbaar is met de uitspraak van de Raad van State van 22 december 2004 (ABRS 200000690/1-A en 200101670/1-A)?
    Zegt deze uitspraak immers niet onomstotelijk dat bestaand gebruik geen legitimatie voor vergunningverlening?
  4. Bent u het in het algemeen met ons eens dat als een ondernemer een bouwvergunning voor een fabriek wordt verleend, dan niet van rechtswege daarmee recht op een milieuvergunning ontstaat?
  5. In uw antwoord onder ad. 4 en 5 stelt u dat volgens vaste jurisprudentie aanvragen worden getoetst aan onderliggende milieuvergunningen.
    Kunt u ons één uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van Raad van State noemen welke zich uitspreekt over de Natuurbeschermingswet 1998 (en dus niet over een wetmilieubeheervergunning) waarbij een verwijzing naar een eerder verleende Wet milieubeheervergunning volstond om voor de milieuvergunde activiteiten zonder habitattoets vervolgens ook een Natuurbeschermingswetvergunning te verlenen?
  6. Bent u het met ons eens dat u tenminste een groot risico neemt door de suggestie te wekken dat natuurbeschermingswetvergunningen verleend kunnen worden zonder daarbij een habitattoets te verrichten?
    Is het niet zo dat u het ernstige risico neemt ondernemers een rad voor de ogen te draaien door mogelijk de valse suggestie te wekken dat de milieuvergunde activiteiten rechten krachtens de Natuurbeschermingswet doen ontstaan? Dat u hiermee het risico neemt de reputatie van de provinciale overheid ernstige schade toe te brengen?
    Wat gaat u de ondernemers vertellen als blijkt dat uw huidige handelswijze onrechtmatig blijkt?
  7. Graag ontvangen wij een overzicht van de verleende vergunningen die sinds 2005 zijn verleend krachtens de Natuurbeschermingswet zonder dat daarbij een habitattoets is uitgevoerd (bedrijf, bedrijfsactiviteit en betrokken Natura2000 gebied).


Wij zien de antwoorden op de vragen met belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groeten,



Birgit Verstappen



Dr. B.E.J.M. Verstappen
Fractievoorzitter Partij voor de Dieren

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief