Vragen over de toestand van de Brabantse natuur


Indiendatum: apr. 2016

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de toestand van de Brabantse natuur.


Geacht college,

Ondanks inspanningen van de provincie gaat de afgelopen jaren de afname van sommige dieren- en plantensoorten onverminderd door, terwijl andere soorten niet verder toenemen. Dat werkt door in het hele ecosysteem. Zelfs zeer algemene bloemen als het madeliefje dreigen te verdwijnen waardoor veel insecten, zoals bijen en vlinders, ook zullen verdwijnen.

Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

De achteruitgang van de Brabantse natuur is onder andere te wijten aan het massale gebruik van bestrijdingsmiddelen, de uitstoot van verkeer, industrie en veehouderij, maar ook de monoculturen in de grootschalige landbouw spelen hierin een grote rol.

1. Op welke onderwerpen in bovenstaande paragraaf bent u van plan aanpassingen te doen zodat de natuur zich op den duur wel duurzaam kan herstellen en ontwikkelen?

2. In de Statenmededeling ‘Toestand van de Brabantse natuur 2016’ zegt uw college dat er naar aanleiding van deze rapportage over de biodiversiteit er geen redenen zijn het huidige natuurbeleid aan te passen. Kunt u deze uitspraak toelichten?

3. Uw college heeft aangegeven dat u, bij de evaluatie van de beleidsnota Brabant Uitnodigend Groen (BrUG) in 2017 zal bekijken of er aanleiding is voor wijziging van het provinciale natuurbeleid. Mogen wij hier uit concluderen dat u verwacht dat het in 2017 beter zal gaan met de Brabantse natuur? Zo ja, waar baseert u deze prognose op? Zo nee, waarom wacht u dan nog tot 2017 met het evalueren van beleid dat duidelijk niet het gewenste effect sorteert?

4. Zal er in de evaluatie BrUG ook aandacht worden besteed aan de hoeveelheid biodiversiteit die de maatregelen hebben opgeleverd (ecologisch rendement) en de efficiëntie van de maatregelen (financieel rendement )? Zo nee, waarom niet?

5. In uw statenmededeling zegt u dat soorten die in het agrarisch landschap sterk achteruit zijn gegaan, vaak in de natuurgebieden ook geen duurzame populatie in stand kunnen houden. Waarom is dit voor u geen startschot voor een andere aanpak van het agrarisch (natuur)beleid?

Wij vernemen graag uw reactie.

Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Indiendatum: apr. 2016
Antwoorddatum: 17 mei 2016

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.

1. De achteruitgang van de Brabantse natuur is onder andere te wijten aan het massale gebruik van bestrijdingsmiddelen, de uitstoot van verkeer, industrie en veehouderij, maar ook de monoculturen in de grootschalige landbouw spelen hierin een grote rol. Op welke onderwerpen bent u van plan aanpassingen te doen zodat de natuur zich op den duur wel duurzaam kan herstellen en ontwikkelen?

Antwoord: Op de diverse provinciale beleidsterreinen zetten wij zo veel mogelijk in op duurzame ontwikkeling, gericht op het minimaliseren van ongewenste gevolgen voor onze leefomgeving. Voorbeelden zijn de Programmatische Aanpak Stikstof, het Uitvoeringsprogramma Energie 2016-2019 en de Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood 2016-2020. We werken samen met de waterschappen in POP3 om de verdroging te verminderen en in zuidoost Brabant met het Automotive cluster om het elektrisch vervoer te stimuleren. Met het project Schoon Water in Brabant willen we de Brabantse landbouwers stimuleren om nog minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken.


2. In de Statenmededeling ‘Toestand van de Brabantse natuur 2016’ zegt uw college dat er naar aanleiding van deze rapportage over de biodiversiteit geen redenen zijn het huidige natuurbeleid aan te passen. Kunt u deze uitspraak toelichten?

Antwoord: Duurzaam herstel van de Brabantse natuur is niet op korte termijn te bereiken. Het in onze beleidsnota Brabant Uitnodigend Groen (BrUG) vastgelegde natuurbeleid zal langere tijd moeten worden volgehouden om het tot een succes te maken. 2017 is halverwege de looptijd van BrUG en daarmee een goed moment voor een uitgebreidere integrale evaluatie, waarin ook de ontwikkelingen rond de kwaliteit van bodem en water worden beschouwd. Zie ook het antwoord op vraag 1.


3. Uw college heeft aangegeven dat u bij de evaluatie van de beleidsnota Brabant Uitnodigend Groen (BrUG) in 2017 zal bekijken of er aanleiding is voor wijziging van het provinciale natuurbeleid. Mogen wij hier uit concluderen dat u verwacht dat het in 2017 beter zal gaan met de Brabantse natuur? Zo ja, waar baseert u deze prognose op? Zo nee, waarom wacht u dan nog tot 2017 met het evalueren van beleid dat duidelijk niet het gewenste effect sorteert?

Antwoord: Nee, ook in 2017 zal het waarschijnlijk niet meteen beter gaan met de natuur. De eerste resultaten van natuurherstel in het kader van PAS/Natura 2000 en het biodiversiteitsbeleid zijn echter nu al zichtbaar, zie bijvoorbeeld de nieuwsbrieven van het project Blues in the marshes (http://www.bluesinthemarshes.nl/). In de integrale evaluatie van BrUG in 2017 zal aandacht worden besteed aan de achterliggende oorzaken van veranderingen in de natuur en de effecten van het gevoerde beleid daarop. Hierbij zullen de cijfers uit de Toestand van de natuur als imput worden gebruikt.


4. Zal er in de evaluatie BrUG ook aandacht worden besteed aan de hoeveelheid biodiversiteit die de maatregelen hebben opgeleverd (ecologisch rendement) en de efficiëntie van de maatregelen (financieel rendement )? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja, bij de evaluatie zal voor zover mogelijk ook gekeken worden naar de effectiviteit en het rendement van het gevoerde natuurbeleid. Het bepalen van de invloed van één beleidsonderdeel op de totale biodiversiteit in Noord-Brabant is echter nauwelijks mogelijk. Lokaal kan vaak wel gevolgd worden of de beoogde effecten behaald worden, bijvoorbeeld bij het soortbeschermingsplan gladde slang (http://www.ravon.nl/OnderzoekAdvies/Soortbescherming/Gladdeslang/tabid/281/Default.aspx).


5. In uw statenmededeling zegt u dat soorten die in het agrarisch landschap sterk achteruit zijn gegaan, vaak in de natuurgebieden ook geen duurzame populatie in stand kunnen houden. Waarom is dit voor u geen startschot voor een andere aanpak van het agrarisch (natuur)beleid?

Antwoord: Omdat al eerder is geconstateerd dat het agrarisch natuurbeleid te weinig effectief was (http://www.wageningenur.nl/nl/show/Agrarischnatuurbeheer-is-in-zijn-huidige-vorm-weinig-effectief.htm), is landelijk besloten om vanaf 2016 de subsidies voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer anders te organiseren. Door een collectieve benadering en het daar toe te passen waar dit het meest kansrijk is, wordt vanaf dit jaar een hoger ecologisch rendement behaald op de beschikbare middelen. Daarnaast kent onze provincie een Subsidieregeling Groenblauw Stimuleringskader (StiKa), gericht op verbetering van natuur en landschap op het platteland. Wij zien daarom geen aanleiding om nu het agrarisch natuurbeleid aan te passen.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,

prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger