Q-Koorts: het roer moet om.


5 februari 2010

De vereiste afstand tussen melkgeiten – en melkschapenbedrijven ten opzichte van woonkernen zou 2 tot 5 km moeten zijn, zo stelt het Rijks Instituut voor Volksgezondheid en Milieu. Deze afstand aanhouden zal een positieve en preventieve werking hebben in de voorkoming van dierziekten. Bovendien beperkt deze maatregel het voorkomen van andere infectieziekten die van dier op mens overgaan.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant constateert in een schrijven aan Provinciale Staten dat bijna de helft van de bedrijven op minder dan 500 meter van de bebouwde kom liggen en dat dit vanwege de infectiedruk ongewenst is. Deze conclusie is zonder meer correct. Een afstand van 500 meter is inderdaad gevaarlijk, want heel wat minder dan de minimale ondergrens van 2 km die het RIVM adviseert. Houden we echter deze ondergrens als richtlijn aan, dan liggen álle melkgeiten – en melkschapenbedrijven in Brabant - op 5 bedrijven na - op te dichte afstand van woonkernen!

Blijven we binnen de bestaande landbouwvisie denken, dan moeten al die bedrijven verplaatst worden. Maar verplaatsen valt in dichtbevolkt Brabant bepaald niet mee. Verplaatsing is ook zeer kostbaar. Bovendien wonen er op 2 km afstand van woonkernen óók mensen die besmet en ziek worden, dood kunnen gaan aan q-koorts en andere veegerelateerde ziekten. Brabant is geen provincie met een dorp hier en daarna kilometers niets. Overal wonen mensen verspreid door het buitengebied. Gaan we al die mensen uitkopen? Maken we van de veeindustriegebieden lege woestijnen waar mensen maar beter niet, of alleen op eigen risico, kunnen komen? Of offeren we deze mensen op? Wat weegt zwaarder? Volksgezondheid of veefabriek?

We worden nu voor de zoveelste keer met onze neus op de feiten gedrukt. Tijdens de varkenspest eind jaren negentig viel het de huisartsen in de Brabantse Peel al op, dat op basisscholen in dit varkensrijke gebied, na de ruiming van veel stallen, problemen van kinderen met astmatische aandoeningen verminderden. Het fijnstof uit de stallen is zo weten we ook potentieel gevaarlijker dan het fijnstof van het wegverkeer. Het verschil zit hem aan de bacteriën die eraan kunnen kleven.De q-koorts bacterie bijvoorbeeld hecht zich aan stofdeeltjes en kan zich door verwaaiing samen met die stofdeeltjes via de lucht verspreiden. De vraag staat: wat gaan we nu doen?

Nodig is een toekomstbestendige visie op de landbouw, niet een trein die doordendert en een halve maatregel die straks opnieuw mensenlevens kost.
Alleen al inzetten op een kleinschalige, diervriendelijke dierhouderij levert aanzienlijke financiële winst op. Denk aan de schade van bestaande veefabrieken op natuur en milieu, aan de extra kosten op het terrein van de gezondheidszorg, denk aan alle onderzoeken, aan de ruimingen van dieren, te verlenen subsidies, aan kostbare reconstructies van het platteland.
Eerste aanzet voor een nieuwe denkrichting: laten we inzetten op biologische en kleinschalige landbouw, op meer plantaardige voedselproductie, op herstel van het kleinschalige coulissen landschap en op een transitie naar Bos Ontwikkelings Gebieden. Daarmee ondersteunen we natuur en milieu, de gezondheid van mensen en het dierenwelzijn. Het hout gebruiken we als biomassa voor schone energie.