Raad van State schorst vergunning voor Brabantse veehouder


5 april 2008

5 % - beleid Minister van LNV ondeugdelijk / Statenvragen van Partij voor de Dieren

Het Brabantse provinciebestuur heeft een veehouderijbedrijf vlakbij het kwetsbare natuurgebied De Kampina ten onrechte een Natuurbeschermingswetvergunning verleend. Het provinciebestuur stond een forse toename toe van ammoniakemissies voor de rundvee- en nertsenhouderij.
De vele emissies uit de veehouderijsector zijn vaak zeer schadelijk voor nabijgelegen natuurgebieden. Dit wordt volmondig erkend door de overheid, en is bevestigd in vele wetenschappelijke studies. De overheid zegt al jaren dat de emissies omlaag moeten, maar handelt daar nauwelijks naar.

De Provincie Brabant gaf uitvoering aan recent door LNV ontwikkeld beleid. Met de schorsing van de vergunning op verzoek van Stichting Openbare Ruimte komt het betrokken LNV-natuurbeleid op losse schroeven te staan. De Minister zal waarschijnlijk nieuw beleid moeten ontwikkelen.

De door de veehouderij gevraagde vergunning is nodig omdat de ammoniakemissies vanwege de veehouderij ernstige schade toebrengen aan natuurgebieden. Teveel ammoniakemissies veroorzaakt eutrofiëring en verzuring van de bodem. Hierdoor verdwijnen veel plantensoorten. De overheid erkent onomwonden dat dit dringende aanpak vergt. Zie hierover onder meer:

www.mnp.nl/nl/dossiers/Grootschalige_luchtverontreiniging/index.html
www.mnp.nl/nl/dossiers/landbouw/index.html
http://www.minlnv.nl/

Het vergunningenbeleid van de overheid, ontwikkeld door LNV en uitgevoerd door de provincies, laat evenwel ruimte voor een toename van de ammoniakdeposities van elke afzonderlijke veehouderij tot 5% van de kritische grenswaarde die voor elk afzonderlijk kwetsbaar natuurgebied is vastgesteld. Dit betekent dat 20 bedrijven reeds volstaan om de maximaal toelaatbare ammoniakdeposities op te vullen. Aangezien vele natuurgebieden zijn omgeven door veel meer dan 20 veehouderijbedrijven, en de bestaande deposities reeds veel te hoog zijn, is dit criterium zwaar omstreden. Sommigen zien dit beleid als een bescherming van de intensieve veehouderij in plaats van een bescherming van de natuur.


Statenvragen van de Partij voor de Dieren Statenfractie Noord-Brabant aan het college van GS op grond van artikel 3.2 van het Reglement van Orde

De Voorzitter van de Raad van State schorst Natuurbeschermingswetvergunning voor veehouderij om 5% criterium significant effect ammoniakdeposities.

Door velen is betwijfeld of het 5% - criterium als criterium voor een verwaarloosbaar effect van ammoniakdeposities juridisch houdbaar is.

De voorzitter van de Raad van State onderschrijft deze twijfel, en heeft op woensdag 26 maart de door de provincie Brabant verleende Natuurbeschermingswetvergunning voor een nertsen- en rundveehouderij in Oirschot geschorst waarbij een depositie optreedt van 8,47 mol NH3 op De Kampina in een reeds overbelaste situatie. De verleende vergunning betrof een toename van de ammoniakdepositie.

Dit betekent dat alle besluiten tot Nb-wetvergunningverlening voor een veehouderij waarbij een noemenswaardige toename optreedt in een overbelaste situatie hoogstwaarschijnlijk voor schorsing in aanmerking komen.

Ten aanzien van het bovenstaande twee eenvoudige vragen, wellicht in uw eigen bewoordingen te beantwoorden:

1. Heeft bovenstaande uitspraak effect op het omgaan met de (nu lopende en toekomstige) vergunningaanvraagprocedures of zet u het huidige beleid ten aanzien van de natuurbeschermingswet voort? Blijft u met andere woorden het 5% beleid toepassen of verbindt u consequenties aan bovenstaande uitspraak?

2. Het vergunningenbeleid van de overheid, ontwikkeld door LNV en uitgevoerd door de provincies, laat ruimte voor een toename van de ammoniakdeposities van elke afzonderlijke veehouderij tot 5% van de kritische grenswaarde die voor elk afzonderlijk kwetsbaar natuurgebied is vastgesteld. Dit betekent dat 20 bedrijven reeds volstaan om de maximaal toelaatbare ammoniakdeposities op te vullen. Aangezien vele natuurgebieden zijn omgeven door veel meer dan 20 veehouderijbedrijven, en de bestaande deposities reeds veel te hoog zijn, is dit criterium zwaar omstreden. Dit beleid is duidelijk een bescherming van de intensieve veehouderij in plaats van een bescherming van de natuur.
Kunt u aangeven, graag in uw eigen woorden, waarom u het met deze waarneming wel/niet eens bent?