Tech­nische vragen over de inbreng en positie van provincie Noord-Brabant ten aanzien van het Nationaal Stra­te­gisch Plan (NSP)


Indiendatum: 19 nov. 2021

Wij hebben een aantal technische vragen n.a.v. de Statenmededeling ‘Stand van zaken Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, oktober 2021’.

Zowel in deze recente Statenmededeling als in de eerdere Statenmededeling (van 25 mei 2021) komt naar voren dat provincie Noord-Brabant voorstander is van een ambitieuzere koers voor verduurzaming van de landbouw.

1. Kunnen we inzicht krijgen in de positie en de inbreng van provincie Noord-Brabant in het proces waaruit uiteindelijk het gezamenlijke IPO-standpunt is voortgekomen?

In de recente Statenmededeling lezen we:
“Het streven is dat in het eerstvolgende Bestuurlijk Overleg GLB-NSP tussen de Minister van LNV en de bestuurlijke vertegenwoordiging van de provincies (voorzien in november aanstaande) besluiten genomen kunnen worden over de bovengenoemde onderdelen van het NSP.”

2. Wanneer precies worden de besluiten genomen?

3. Gezien het een bevoegdheid van de minister of de Tweede Kamer is om over het NSP te besluiten: waarover worden tussen de Minister van LNV en de bestuurlijke vertegenwoordiging van de provincies precies besluiten genomen?

Indiendatum: 19 nov. 2021
Antwoorddatum: 23 nov. 2021

Wij hebben een aantal technische vragen n.a.v. de Statenmededeling ‘Stand van zaken Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, oktober 2021’.

Zowel in deze recente Statenmededeling als in de eerdere Statenmededeling (van 25 mei 2021) komt naar voren dat provincie Noord-Brabant voorstander is van een ambitieuzere koers voor verduurzaming van de landbouw.

1. Kunnen we inzicht krijgen in de positie en de inbreng van provincie Noord-Brabant in het proces waaruit uiteindelijk het gezamenlijke IPO-standpunt is voortgekomen?

Antwoord:
Ja, dat kan. In IPO-verband is zeer regelmatig bestuurlijk overleg om tot een gezamenlijk gedragen standpunt te komen t.b.v. het overleg met de minister. Het Brabantse standpunt van GS is relatief ambitieus vergeleken met die van veel andere provincies.
Ook zijn er dilemma’s bij de keuze van de middeleninzet voor de verschillende GLB-instrumenten. Bijvoorbeeld: Wanneer veel middelen worden overgeheveld van pijler 1 naar 2 blijft er minder over voor de hectarepremies met als risico dat veel landbouwers niet meedoen aan de basis- en ecoregeling, en de daarvoor vereiste duurzaamheidspraktijken nalaten. Bovendien komt daarmee het inkomen van de boeren meer onder druk. Het voordeel van overheveling is dat de middelen doeltreffender kunnen worden ingezet voor klimaat, biodiversiteit, kringlooplandbouw en innovatie.
Brabant heeft zich geijverd voor een substantiële overheveling die voor 2023 op 15% is vastgesteld (is in huidige periode tegen de 10%), en naar verwachting geleidelijk zal toenemen tot mogelijk 30% (dit mede naar aanleiding van recente aangenomen Tweede Kamermoties). Brabant heeft zich verder geijverd voor meer aandacht voor kennis en innovatie om de landbouw ook voor de langere termijn te stimuleren om het verdienvermogen te versterken. Dit indachtig dat daardoor haar afhankelijkheid van directe betalingen voor duurzaamheidsinvesteringen uit publieke middelen geleidelijk kan afnemen. Dit heeft een plek gekregen in het IPO-standpunt.
Ook heeft Brabant, samen met provincies met een vergelijkbaar belang, ingezet op een evenwichtige verdeling van de gebiedsgerichte middelen zoals voor veenweidegebieden, overgangsgebieden Natura2000 en ANLb. Tot slot wordt er in IPO-verband geijverd om onderdelen die LNV wenst met GLB-middelen te realiseren, met nationale middelen te financieren (zoals met betrekking tot de veenweidegebieden die ook uit de klimaatgelden kunnen komen).
In welke mate dit leidt tot resultaat is nog ongewis en sterk afhankelijk van de landelijke coalitieonderhandelingen.


In de recente Statenmededeling lezen we:
“Het streven is dat in het eerstvolgende Bestuurlijk Overleg GLB-NSP tussen de Minister van LNV en de bestuurlijke vertegenwoordiging van de provincies (voorzien in november aanstaande) besluiten genomen kunnen worden over de bovengenoemde onderdelen van het NSP.”

2. Wanneer precies worden de besluiten genomen?

Antwoord:
Datum is nog niet bekend omdat de demissionair Minister het in de kabinetsformatie heeft ingebracht. De verwachting is dat dit pas in december plaatsvindt en op onderdelen misschien eerder.


3. Gezien het een bevoegdheid van de minister of de Tweede Kamer is om over het NSP te besluiten: waarover worden tussen de Minister van LNV en de bestuurlijke vertegenwoordiging van de provincies precies besluiten genomen?

Antwoord:
Afgesproken is dat de minister samen met de provincies en de Unie van Waterschappen het GLB-NSP opstellen en uitvoeren. De gezamenlijke besluitvorming gaat over de verdeling van het GLB-budget over de doelen en de daarvoor geëigende uitvoeringsmaatregelen. Voorts over wie de benodigde cofinanciering opbrengt en de uitvoeringsstructuur.