Tech­nische vragen over de Staten­me­de­deling Visie Landbouw en Voedsel 2030


Indiendatum: apr. 2020

Naar aanleiding van de Statenmededeling Visie Landbouw en Voedsel 2030 hebben wij onderstaande technische vragen.

“Deze visie beschouwt landbouw en ons voedselsysteem in de volle breedte: plantaardige en dierlijke productie, primaire sector, de keten en consumptie.”

1. Welke mogelijkheden/middelen heeft de provincie ter beschikking, en kunnen in overweging genomen worden, om invloed uit te oefenen op de consumptiekant van het voedselsysteem (afgezien van de uiteindelijk gekozen middelen)?

De inhoudelijke basis voor de op te stellen visie bestaat uit drie onderdelen. Eén van die onderdelen betreft een schets (gevormd door een breed team van experts) van “een duurzaam landbouw- en voedselsysteem in Noord-Brabant in de context van een landbouw die zijn kringlopen sluit op de schaal van Noordwest Europa en die de opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit etc. realiseert.

2. Betekent dit dat het de bedoeling is dat in 2030 of in 2040 de kringlopen op Noordwest-Europese schaal zijn gesloten?

3. Wat zijn de ‘opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit’ concreet, in het kader van de op te stellen visie?

“Wij nodigen u uit om een klankbordgroep te vormen die gedurende de gehele periode reflecteert op het proces: zijn de relevante actoren in beeld, verloopt de uitvoering correct etc. De producten als bedoeld in de eerste kernboodschap bieden wij u aan zodra ze beschikbaar zijn zodat uw Staten desgewenst daarop kunnen reageren en deze reactie mede input is in de debatten (kernboodschap 2). Ten slotte nodigen wij uw Staten uit aanwezig te zijn bij de debatten en op de Dutch Designweek.”

4. Krijgen Statenleden een uitnodiging om deel te nemen aan de klankbordgroep?

5. Kunnen we ervanuit gaan dat Statenleden via de gebruikelijke kanalen worden uitgenodigd voor de genoemde deelnamemomenten?

6. Welke (relevante) actoren zijn vooralsnog in beeld?

In de Statenmededeling wordt geïmpliceerd dat de stip op de horizon van de visie de situatie in 2030 is. In het Plan van aanpak wordt gesproken over een schets van de situatie in 2040. “We leggen de horizon voor deze vraag op 2040 om zo al voldoende vooruit te kunnen kijken bij het bepalen van waar we in 2030 willen staan.” Het op te stellen uitvoeringsprogramma reikt echter ‘maar’ tot (en met) 2024.

7. Hoe kunnen de ambities richting 2030 en zelfs 2040 worden vertaald naar concrete en afrekenbare prestatieindicatoren voor 2024? M.a.w., hoe wordt het uitvoeringsprogramma ingevuld opdat we van 2024 tot 2030 niet met een onevenredig grote opgave zitten t.a.v. de ambities voor 2030 en 2040?

Over het samenvoegen van enerzijds de ‘waarden en opvattingen’, en anderzijds de toekomstschets van deskundigen, staat in het Plan van Aanpak:
“Als de bouwstenen ‘Waarden en opvattingen’ en Schets Duurzame landbouw sterk congruent zijn en het verschil met de huidige situatie overbrugbaar lijkt, is dit een relatief eenvoudige exercitie. Meer waarschijnlijk is het dat er forse discussiepunten spannend of die in dit proces voldoende ‘beslecht’ naar voren komen. Het wordt kunnen worden of dat ze leiden tot een aantal dilemma’s waar nog keuzes in gemaakt moeten worden.”

8. In hoeverre is het de bedoeling dat ambities over het sluiten van de kringlopen op Noordwest-Europese schaal, en die aangaande de opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit etc., deel uitmaken van de op te stellen visie? Indien deze ambities duidelijk niet verenigbaar zijn met de ‘waarden en opvattingen’, is het dan mogelijk dat deze ambities geen deel uitmaken van de op te stellen visie?

Indiendatum: apr. 2020
Antwoorddatum: 10 apr. 2020

“Deze visie beschouwt landbouw en ons voedselsysteem in de volle breedte: plantaardige en dierlijke productie, primaire sector, de keten en consumptie.”

1. Welke mogelijkheden/middelen heeft de provincie ter beschikking, en kunnen in overweging genomen worden, om invloed uit te oefenen op de consumptiekant van het voedselsysteem (afgezien van de uiteindelijk gekozen middelen)?

Antwoord:
Onze mogelijkheden en middelen liggen vooral in stimuleren en communiceren. Denk dan aan ondersteunen goede initiatieven, campagnes en dergelijke. Goede samenwerking met relevante stakeholders is daarbij steeds cruciaal. Wij hebben geen bevoegdheden om regels te stellen of heffingen in te voeren.


De inhoudelijke basis voor de op te stellen visie bestaat uit drie onderdelen. Eén van die onderdelen betreft een schets (gevormd door een breed team van experts) van “een duurzaam landbouw- en voedselsysteem in Noord-Brabant in de context van een landbouw die zijn kringlopen sluit op de schaal van Noordwest Europa en die de opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit etc. realiseert.

2. Betekent dit dat het de bedoeling is dat in 2030 of in 2040 de kringlopen op Noordwest-Europese schaal zijn gesloten?

Antwoord:
De bedoeling (doelen) worden uiteindelijk door uw Staten bepaald bij de besluitvorming over de visie. De visie zal betrekking hebben op 2030. Wij vragen de opstellers van de schets om het jaar 2040 uit te werken.


3. Wat zijn de ‘opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit’ concreet, in het kader van de op te stellen visie?

Antwoord:
Dit zijn de opgaven zoals die verwoord zijn in (inter)nationale en provinciale beleidsdocumenten.


“Wij nodigen u uit om een klankbordgroep te vormen die gedurende de gehele periode reflecteert op het proces: zijn de relevante actoren in beeld, verloopt de uitvoering correct etc. De producten als bedoeld in de eerste kernboodschap bieden wij u aan zodra ze beschikbaar zijn zodat uw Staten desgewenst daarop kunnen reageren en deze reactie mede input is in de debatten (kernboodschap 2). Ten slotte nodigen wij uw Staten uit aanwezig te zijn bij de debatten en op de Dutch Designweek.”

4. Krijgen Statenleden een uitnodiging om deel te nemen aan de klankbordgroep?

Antwoord:
De geciteerde zin is een uitnodiging aan Provinciale Staten om een dergelijke klankbordgroep te vormen. Of en in welke vorm PS ingaan op deze uitnodiging is aan PS. Uiteraard zijn wij beschikbaar om hierover van gedachten te wisselen.


5. Kunnen we ervanuit gaan dat Statenleden via de gebruikelijke kanalen worden uitgenodigd voor de genoemde deelnamemomenten?

Antwoord:
Ja.


6. Welke (relevante) actoren zijn vooralsnog in beeld?

Antwoord:
We werken de synthese en debatfase nog uit en daarmee ook de relevante actoren. Streven is een zo breed mogelijk spectrum te betrekken.


In de Statenmededeling wordt geïmpliceerd dat de stip op de horizon van de visie de situatie in 2030 is. In het Plan van aanpak wordt gesproken over een schets van de situatie in 2040. “We leggen de horizon voor deze vraag op 2040 om zo al voldoende vooruit te kunnen kijken bij het bepalen van waar we in 2030 willen staan.” Het op te stellen uitvoeringsprogramma reikt echter ‘maar’ tot (en met) 2024.

7. Hoe kunnen de ambities richting 2030 en zelfs 2040 worden vertaald naar concrete en afrekenbare prestatieindicatoren voor 2024? M.a.w., hoe wordt het uitvoeringsprogramma ingevuld opdat we van 2024 tot 2030 niet met een onevenredig grote opgave zitten t.a.v. de ambities voor 2030 en 2040?

Antwoord:
De invulling van het uitvoeringsprogramma is aan GS. Dat moeten GS doen binnen de kaders die uw Staten hiervoor stellen. Via het beschikbaar stellen van middelen voor het uitvoeringsprogramma kunnen uw Staten sturen op de maatregelen die in de periode tot 2024 worden genomen. .


Over het samenvoegen van enerzijds de ‘waarden en opvattingen’, en anderzijds de toekomstschets van deskundigen, staat in het Plan van Aanpak:
“Als de bouwstenen ‘Waarden en opvattingen’ en Schets Duurzame landbouw sterk congruent zijn en het verschil met de huidige situatie overbrugbaar lijkt, is dit een relatief eenvoudige exercitie. Meer waarschijnlijk is het dat er forse discussiepunten spannend of die in dit proces voldoende ‘beslecht’ naar voren komen. Het wordt kunnen worden of dat ze leiden tot een aantal dilemma’s waar nog keuzes in gemaakt moeten worden.”

8. In hoeverre is het de bedoeling dat ambities over het sluiten van de kringlopen op Noordwest-Europese schaal, en die aangaande de opgaven ten aanzien van klimaat, emissies, biodiversiteit etc., deel uitmaken van de op te stellen visie? Indien deze ambities duidelijk niet verenigbaar zijn met de ‘waarden en opvattingen’, is het dan mogelijk dat deze ambities geen deel uitmaken van de op te stellen visie?

Antwoord:
Het is de bedoeling dat synthese en debat leiden tot een toekomstagenda, die ‘van de deelnemers aan het debat’ is. Vervolgens stelt de provincie de provinciale visie (via Provinciale Staten) en bijbehorend uitvoeringsprogramma (via Gedeputeerde Staten) vast. Het Plan van Aanpak zegt hierover het volgende: “Idealiter is de visie een spreekwoordelijke ‘strik’ om het eindproduct van de synthese. Als de synthese dilemma’s oplevert zal de provincie hier een positie op in moeten nemen. Dat is ook aan de orde als de richting die uit de synthese komt de provincie niet (geheel) aanspreekt.” Overigens vormt de visie landbouw en voedsel een uitwerking van de omgevingsvisie en zal deze zich dus binnen die kaders moeten bevinden.