Tech­nische vragen over het gewijzigd vast­stellen van inpas­singsplan Logistiek Park Moerdijk


Indiendatum: apr. 2020

Naar aanleiding van de recente Statenvoorstellen en memo’s over Logistiek Park Moerdijk hebben wij een aantal technische vragen.

1. Wordt met het voorliggende inpassingsplan voor 100% gegarandeerd dat de stikstofdepositie niet stijgt in de Natura 2000-gebieden die door (de bouw van) het LPM worden beïnvloed?

2. Komt met de opkoop van verschillende veehouderijen de uitstoot op de omliggende Natura 2000-gebieden, o.a. de Biesbosch, onder de KDW voor die gebieden?

Eén van de aanpassingen om de stikstofemissie te verlagen betreft het gasloos maken van het LPM.

3. Welk alternatief gaat ingezet worden ter vervanging van het gasgebruik? Hoe gaan de bedrijven verwarmt worden?

4. Indien de op het LPM opgewekte zonne-energie ingezet gaat worden ter vervanging van gas; is het LPM in dat geval dan nog steeds netto energieleverend? M.a.w., kan met de opwek van zonne-energie worden voorzien in de totale energievraag van het LPM?

In het Statenvoorstel wordt gesteld dat, indien het inpassingsplan Logistiek Park Moerdijk niet gewijzigd wordt vastgesteld, “grootschalige logistieke bedrijven zich zullen vestigen op de enkele nog beschikbare, maar daarvoor minder geschikte plekken in West-Brabant.”

5. Welke locaties zijn dit en waarom zijn ze minder geschikt?

In Drenthe is een veehouderij opgekocht, maar bij de Natura 2000-gebieden in de tussenliggende provincies (Gelderland, Flevoland en Overijssel) niet. Het lijkt ons aannemelijk dat indien de NOX vanuit LPM tot in Drenthe neerslaat (althans, tot in een natuurgebied dat wordt beïnvloed door de NH3-uitstoot van de veehouderij in Drenthe), er ook NOX-depositie vanuit LPM is te verwachten in de tussenliggende provincies, maar ook in natuurgebieden in België.

GS lijken er vanuit te gaan dat de neerslag van NOX een stuk verder rijkt dan de neerslag van NH3. Volgens ons zijn beide verbindingen oplosbaar in water, en zit er weinig verschil in het bereik van beide verbindingen.

6. Op welke wetenschappelijke kennis is de veronderstelling gebaseerd dat de neerslag van NOX aanzienlijk verder komt dan NH3?

7. Graag ontvangen we een kwantitatief en uitputtend overzicht van;
a) de stikstofdepositie op elk door het LPM beïnvloed (inclusief verkeersbewegingen) Natura 2000-gebied, en;
b) de mate waarin het opkopen van de veehouderijen de depositie van a) compenseert, daarbij de op te leveren stikstofruimte graag per veehouderij afzonderlijk aangeven.

8. In het geval het uit de beantwoording van voorgaande vraag niet duidelijk wordt: op welke wijze en in welke mate wordt de stikstofdepositie, door scheepvaart en andere vervoersbewegingen die aan het LPM zijn gerelateerd, gecompenseerd door het opkopen van de zes veehouderijen?

9. Worden er door LPM Natura 2000-gebieden in België beïnvloed?

10. Hoe is de stikstofuitstoot door vrachtverkeer, treinverkeer en scheepvaart verdeeld over deze modaliteiten?

11. Is het zo dat 100% van de vrijkomende stikstof van opgekochte veehouderijen naar overbelaste natuur moet gaan, conform de habitat richtlijn? Zo nee, waarom niet?

Indiendatum: apr. 2020
Antwoorddatum: 23 apr. 2020

1. Wordt met het voorliggende inpassingsplan voor 100% gegarandeerd dat de stikstofdepositie niet stijgt in de Natura 2000-gebieden die door (de bouw van) het LPM worden beïnvloed?

Antwoord:
Nee, niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De externe saldering heeft zich gericht op de Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar een overbelasting of naderende overbelasting van de kritische depositiewaarde aan de orde is. Afgezien van een klein gedeelte binnen de Biesbosch, kan op al deze gebieden een toename van de stikstofdepositie ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk worden uitgesloten. Voor het genoemde kleine gedeelte binnen de Biesbosch waar de kritische depositiewaarde wordt overschreden en een toename is van de stikstofdepositie ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk (0,9 hectare), kunnen significant negatieve worden uitgesloten. Daarmee voldoet het inpassingsplan Logistiek Park Moerdijk aan de geldende wet- en regelgeving ten aanzien van stikstofdepositie op stikstofgevoelig habitat in Natura 2000-gebieden.


2. Komt met de opkoop van verschillende veehouderijen de uitstoot op de omliggende Natura 2000-gebieden, o.a. de Biesbosch, onder de KDW voor die gebieden?

Antwoord:
Nee, het is niet de doelstelling van de externe saldering bij Logistiek Park Moerdijk om de overschrijding van de kritische depositiewaarde in geheel Nederland teniet te doen. Op basis van de passende beoordeling voor Logistiek Park Moerdijk en de inzet daarbij van externe saldering kunnen significant negatieve effecten ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk uitgesloten worden. Zie ook ons antwoord op vraag 1.


Eén van de aanpassingen om de stikstofemissie te verlagen betreft het gasloos maken van het LPM.

3. Welk alternatief gaat ingezet worden ter vervanging van het gasgebruik? Hoe gaan de bedrijven verwarmt worden?

Antwoord:
Er is nog geen keuze gemaakt in de wijze waarop de bedrijven op Logistiek Park Moerdijk in hun energiebehoefte gaan voorzien. Dit komt in de volgende fase van realisatie aan de orde. Bij de beantwoording van vraag 4 komen verschillende alternatieven aan bod, die ingezet kunnen worden.


4. Indien de op het LPM opgewekte zonne-energie ingezet gaat worden ter vervanging van gas; is het LPM in dat geval dan nog steeds netto energieleverend? M.a.w., kan met de opwek van zonne-energie worden voorzien in de totale energievraag van het LPM?

Antwoord:
Om op deze en eerdere vergelijkbare technische vraag hierover meer duiding te kunnen geven, is dit globaal verder uitgewerkt.
De mate waarin de opwek van zonne-energie op Logistiek Park Moerdijk kan voorzien in de totale energievraag van de bedrijven is afhankelijk van meerdere factoren, zoals de bedrijven die zich uiteindelijk vestigen, de energiebehoefte en het energieverbruik van deze bedrijven, de omvang van vloeroppervlakten, het beschikbare dakoppervlakte voor PV-installaties en het gehanteerde energieconcept. Bij de verschillende mogelijke energieconcepten kan gedacht worden aan individuele elektrische warmtepompen, een warmtenet op basis van restwarmte óf een hybride variant in de vorm van een bronnet met individuele elektrische warmtepompen. Het werkelijke energieverbruik verschilt per energieconcept. Zo verbruikt een warmtepomp meer elektriciteit om bodemwarmte op te waarderen naar een gewenste temperatuur dan bij een warmtenet, waarbij een hogere temperatuur uit restwarmte afkomstig van het bestaande Zeehaven- en industrieterrein Moerdijk wordt benut.
Afhankelijk van het uiteindelijk gekozen energieconcept bedraagt de energiebehoefte van de bedrijven op Logistiek Park Moerdijk naar schatting 87 tot 95 kWh per jaar. Er is globaal 70 tot 80% van het beschikbare dakoppervlakte benodigd om te kunnen voorzien in deze energiebehoefte. In potentie kan er op de daken een productie worden gerealiseerd van jaarlijks ongeveer 112 miljoen kWh ervan uitgaande dat 100% van de beschikbare daken worden benut met PV-installaties. In de praktijk zal het niet mogelijk zijn om de daken volledig te voorzien van PV-installaties.


In het Statenvoorstel wordt gesteld dat, indien het inpassingsplan Logistiek Park Moerdijk niet gewijzigd wordt vastgesteld, “grootschalige logistieke bedrijven zich zullen vestigen op de enkele nog beschikbare, maar daarvoor minder geschikte plekken in West-Brabant.”

5. Welke locaties zijn dit en waarom zijn ze minder geschikt?

Antwoord:
Locaties die in de basis niet bedoeld zijn om grootschalige logistieke bedrijven te vestigen, maar waar toch voor wordt gekozen bij gebrek aan hiervoor geschiktere locaties. Zoals nader onderbouwd in het onderzoek naar ‘nut en noodzaak’ van Logistiek Park Moerdijk zijn er nog maar in beperkte mate locaties beschikbaar voor de vestiging van grootschalige logistieke bedrijven waarvoor Logistiek Park Moerdijk bedoeld is.

In Drenthe is een veehouderij opgekocht, maar bij de Natura 2000-gebieden in de tussenliggende provincies (Gelderland, Flevoland en Overijssel) niet. Het lijkt ons aannemelijk dat indien de NOX vanuit LPM tot in Drenthe neerslaat (althans, tot in een natuurgebied dat wordt beïnvloed door de NH3-uitstoot van de veehouderij in Drenthe), er ook NOX-depositie vanuit LPM is te verwachten in de tussenliggende provincies, maar ook in natuurgebieden in België.


GS lijken er vanuit te gaan dat de neerslag van NOX een stuk verder rijkt dan de neerslag van NH3. Volgens ons zijn beide verbindingen oplosbaar in water, en zit er weinig verschil in het bereik van beide verbindingen.

6. Op welke wetenschappelijke kennis is de veronderstelling gebaseerd dat de neerslag van NOX aanzienlijk verder komt dan NH3?

Antwoord:
De depositie ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk en de veehouderijen die ingezet worden ten behoeve van de externe saldering zijn berekend met Aerius. Dit model is gebaseerd op de meest recente wetenschappelijke inzichten en valt onder de verantwoordelijkheid van het Rijk. Met behulp van Aerius kan worden vastgesteld of de depositie op geen enkel hexagoon boven de 0,00 mol uitkomt. Daar is dan ook vanuit gegaan bij de beslissing tot aankoop.


7. Graag ontvangen we een kwantitatief en uitputtend overzicht van;
a) de stikstofdepositie op elk door het LPM beïnvloed (inclusief verkeersbewegingen) Natura 2000-gebied, en;
b) de mate waarin het opkopen van de veehouderijen de depositie van a) compenseert, daarbij de op te leveren stikstofruimte graag per veehouderij afzonderlijk aangeven.

Antwoord:
In bijlage 31 van de toelichting op het inpassingsplan is een tabel opgenomen, waarin een overzicht is gegeven van: de bestaande totale depositie; de depositie ten gevolge van de veehouderijen; de depositie ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk in de realisatiefase; de depositie ten gevolge van Logistiek Park Moerdijk in de gebruiksfase; de depositie realisatiefase na extern salderen; de depositie gebruiksfase na salderen. Deze deposities zijn gegeven voor alle hexagonen binnen de Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstofdepositie en waar een overbelasting of naderende overbelasting van de kritische depositiewaarde aan de orde is.
In de bijlagen 32, 33, 34, 39, 40 en 41 is de depositie van de verschillende veehouderijen afzonderlijk weergegeven.


8. In het geval het uit de beantwoording van voorgaande vraag niet duidelijk wordt: op welke wijze en in welke mate wordt de stikstofdepositie, door scheepvaart en andere vervoersbewegingen die aan het LPM zijn gerelateerd, gecompenseerd door het opkopen van de zes veehouderijen?

Antwoord:
Zie ons antwoord op vraag 7.


9. Worden er door LPM Natura 2000-gebieden in België beïnvloed?

Antwoord:
Ja, we hebben de effecten onderzocht. Via het netwerkeffect is er sprake van een lage stikstofdepositiebijdrage in enkele Natura 2000-gebieden in Vlaanderen. Dit is niet in de Passende beoordeling in beeld gebracht omdat dit niet via de Nederlandse wet- en regelgeving wordt getoetst. Wanneer een project uit Nederland effecten over de grens veroorzaakt dienen deze effecten conform de wet- en regelgeving van dat land beoordeeld te worden. In Vlaanderen wordt getoetst aan een drempelwaarde van 3% van de Kritische depositiewaarde. Blijf je daaronder, dan is er geen negatief effect. De bijdrage van LPM blijft zeer ruim onder die 3% norm.


10. Hoe is de stikstofuitstoot door vrachtverkeer, treinverkeer en scheepvaart verdeeld over deze modaliteiten?

Antwoord:
In bijlage 29 van de toelichting op het inpassingsplan is het rapport ‘Logistiek Park Moerdijk, Stikstofdepositieberekeningen realisatie- en gebruiksfase’ opgenomen. In paragraaf 3.3 van dit rapport is een samenvatting gegeven van de emissies in de onderzochte situaties. Daarbij is per modaliteit (wegverkeer, scheepvaart en treinverkeer) de stikstofuitstoot weergegeven.


11. Is het zo dat 100% van de vrijkomende stikstof van opgekochte veehouderijen naar overbelaste natuur moet gaan, conform de habitat richtlijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
De externe saldering die toegepast is bij Logistiek Park Moerdijk voldoet aan de daarbij gestelde wettelijke regels, waarbij overeenkomstig de Provinciale Beleidsregels intern en extern salderen een reductie van 30% is toegepast ten behoeve van een algemene daling van de achtergronddepositie, wat ten goede komt aan de natuur. Anders dan de vraag lijkt te suggereren vloeit uit de Habitatrichtlijn geen verplichting voort om in zijn algemeenheid 100% van de stikstof van de opgekochte veehouderijen ten gunste te laten komen van de natuur.