Vragen over de handel in stik­stof­rechten door provincie Noord-Brabant


Indiendatum: 28 jun. 2021

Geacht college,

Minister Schouten heeft aan uw college te kennen gegeven het niet goed te vinden dat provincies zelf als handelaren stikstofruimte gaan aanbieden en inkopen. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Graag ontvangen we de brief waarin Minister Schouten aan u laat weten het niet goed te vinden dat u stikstofruimte aanbiedt en inkoopt.

2. Graag ontvangen we een overzicht van gedane uitgaven en gederfde inkomsten i.h.k.v. de stikstofhandel, van provinciale middelen die zijn bestemd voor natuurontwikkeling.

Via extern salderen wordt weliswaar eerst stikstofruimte van een bestaande vergunning ingetrokken alvorens er voor een ander project stikstofruimte wordt afgegeven, maar de 30% afroming voor reductie van de depositie blijkt in praktijk redelijk overeen te komen met het gemiddelde percentage aan latente ruimte, waardoor de feitelijke ‘stikstofwinst’ voor de natuur nihil is. De echte ‘stikstofwinst’ moet volgens u komen van toekomstig te nemen, nog niet bewezen maatregelen, en van de uitkoop van piekbelasters.

3. Bent u het met ons eens dat u, door te rekenen op toekomstige, nog in ontwikkeling zijnde en dus niet bewezen maatregelen, handelt in de geest van de PAS? Zo nee, op welke wijze verschilt dit anticiperen op het effect van toekomstige maatregelen t.o.v. het PAS-beleid?

4. Bent u het met ons eens dat het systeem van extern salderen een stuk duidelijker en eerlijker zou zijn geweest indien er uit zou zijn gegaan van de feitelijk benutte capaciteit, i.p.v. de gerealiseerde capaciteit, gezien de 30% afroming in praktijk nu gemiddeld weliswaar samenvalt met de latente ruimte, maar op individueel niveau niet? Zo nee, hoe legt u aan veehouders uit dat het beter is dat er voor sommige van hen meer, en voor sommige van hen minder wordt afgeroomd dan de daadwerkelijke latente ruimte, terwijl die afroming specifiek is ingebouwd om feitelijke toenames van stikstofdepositie door opvulling van latente ruimte te voorkomen?

5. Kunt u garanderen dat de stikstofhandel niet tot een toename van stikstofdepositie op Brabantse natuur leidt, ja of nee? Graag een onderbouwing van uw antwoord.

In het artikel ‘Hoe stikstofhandel de BV Brabant opnieuw in gevaar brengt’ van het Brabants Dagblad uiten verschillende deskundigen kritiek op het Brabantse stikstofbeleid. In het artikel impliceert gedeputeerde Ronnes dat er geen alternatief voor de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof is, omdat we “niet alles dan maar stil [kunnen] laten staan”.

6. Deelt u de zorgen van professor Jonathan Verschuuren, hoogleraar Klimaatrecht aan de Universiteit van Tilburg, dat de stikstofhandel “onhoudbaar” is, omdat het “een veel te complex systeem is” en “onnavolgbaar voor de betrokkenen”, waardoor het ook fraudegevoelig is? Zo nee, concreet wat maakt volgens u de stikstofhandel wel navolgbaar en niet fraudegevoelig?

7. Bent u het met ons eens dat oneindige groei in een provincie die niet meegroeit onrealistisch wensdenken is, en dat in werkelijkheid de grens van de draagkracht van Brabant een keer is bereikt, wat als resultaat heeft dat de groei wel degelijk een keer ‘stil’ moet komen te staan (in lijn met de titel van het Remkes-rapport; “niet alles kan”)? Zo nee, hoe heeft u oneindige overbelasting van de Brabantse natuur op de lange termijn, ook na uw bestuursperiode, voor ogen?

8. Bent u voornemens om in de toekomst niet meer als handelaar in stikstofruimte te opereren, of niet meer ‘vraag en aanbod te registreren’ en ‘partijen aan elkaar te koppelen’, zoals gedeputeerde Ronnes het noemt? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Indiendatum: 28 jun. 2021
Antwoorddatum: 22 jul. 2021

Minister Schouten heeft aan uw college te kennen gegeven het niet goed te vinden dat provincies zelf als handelaren stikstofruimte gaan aanbieden en inkopen. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Graag ontvangen we de brief waarin Minister Schouten aan u laat weten het niet goed te vinden dat u stikstofruimte aanbiedt en inkoopt.

Antwoord:
Wij hebben geen brief van de Minister ontvangen. De minister heeft in de kamerbrief bij haar antwoord op vraag 5 een dergelijke uitspraak gedaan naar aanleiding van de openbare verkoop van stikstofruimte bij een locatie in Lage Mierde, waarover wij uw Staten in de statenmededeling van 26 april jl hebben geïnformeerd.


2. Graag ontvangen we een overzicht van gedane uitgaven en gederfde inkomsten i.h.k.v. de stikstofhandel, van provinciale middelen die zijn bestemd voor natuurontwikkeling.

Antwoord:
Op de eerste plaats bestrijden wij dat er in algemene zin sprake is van stikstofhandel rond natuuraankopen, in de zin van stikstofruimte kopen, aanbieden en handelen in stikstofruimte. Zoals in de statenmededeling van 26 april jl. aan u toegelicht is de betreffende casus uniek, omdat we hier stikstofruimte die reeds enige tijd in bezit is van de provincie – vanuit het oogpunt van transparantie via openbare verkoop - aan een private partij hebben verkocht. Dit betrof de Academy Bartels uit Hooge Mierde, die €15.317,50 heeft betaald voor 557,0 kg ammoniak, ten behoeve van legalisering en een beperkte uitbreiding van zijn bestaande paardenhouderij.
De opbrengst vloeit weer terug naar het natuurbudget, waaruit de aankoop is gefinancierd.


Via extern salderen wordt weliswaar eerst stikstofruimte van een bestaande vergunning ingetrokken alvorens er voor een ander project stikstofruimte wordt afgegeven, maar de 30% afroming voor reductie van de depositie blijkt in praktijk redelijk overeen te komen met het gemiddelde percentage aan latente ruimte, waardoor de feitelijke ‘stikstofwinst’ voor de natuur nihil is. De echte ‘stikstofwinst’ moet volgens u komen van toekomstig te nemen, nog niet bewezen maatregelen, en van de uitkoop van piekbelasters.

3. Bent u het met ons eens dat u, door te rekenen op toekomstige, nog in ontwikkeling zijnde en dus niet bewezen maatregelen, handelt in de geest van de PAS? Zo nee, op welke wijze verschilt dit anticiperen op het effect van toekomstige maatregelen t.o.v. het PAS-beleid?

Antwoord:
Nee, want de stikstofruimte voor ontwikkelingen wordt niet gezocht in bronmaatregelen. Elke initiatiefnemer moet zelf de benodigde stikstofruimte verwerven door elders stikstofruimte weg te nemen, inclusief 30% afroming (salderen). Een vergunning kan pas worden afgegeven als met berekeningen is aangetoond dat de ontwikkeling waar de saldering betrekking op heeft op geen enkel hexagoon leidt tot toename van stikstof. Dit staat los van het pakket aan bronmaatregelen dat provincie en Rijk nemen ten behoeve van stikstofreductie.


4. Bent u het met ons eens dat het systeem van extern salderen een stuk duidelijker en eerlijker zou zijn geweest indien er uit zou zijn gegaan van de feitelijk benutte capaciteit, i.p.v. de gerealiseerde capaciteit, gezien de 30% afroming in praktijk nu gemiddeld weliswaar samenvalt met de latente ruimte, maar op individueel niveau niet? Zo nee, hoe legt u aan veehouders uit dat het beter is dat er voor sommige van hen meer, en voor sommige van hen minder wordt afgeroomd dan de daadwerkelijke latente ruimte, terwijl die afroming specifiek is ingebouwd om feitelijke toenames van stikstofdepositie door opvulling van latente ruimte te voorkomen?

Antwoord:
Nee, wij gaan uit van de gerealiseerde capaciteit aangezien de feitelijk benutte capaciteit een momentopname kan zijn. We houden ons hierbij aan de afspraken die de Minister hierover met alle provincies heeft gemaakt eind 2019. Om juridische en praktische redenen is gekozen voor een gemiddelde voor heel Nederland en voor een feitelijk gerealiseerde vergunde capaciteit.


5. Kunt u garanderen dat de stikstofhandel niet tot een toename van stikstofdepositie op Brabantse natuur leidt, ja of nee? Graag een onderbouwing van uw antwoord.

Antwoord:
Wij volgen de landelijke afspraken over extern salderen. In de beantwoording van vraag 1 genoemde kamerbrief is het volgende opgenomen.
“Extern salderen met ruimte uit bestaande vergunningen is een juridisch geaccepteerde wijze van mitigatie van effecten bij het toestaan van projecten op basis van een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Bij de vergunningverlening wordt door het bevoegd gezag getoetst of aan alle voorwaarden voor extern salderen wordt voldaan."
"Bij extern salderen kan alleen extern gesaldeerd worden met de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogever; de niet-gerealiseerde capaciteit in de vergunning van de saldogever komt bij het intrekken van de vergunning te vervallen en daarnaast wordt 30% van de depositie van de saldogever afgeroomd. Deze 30% afroming bij extern salderen is landelijk ingevoerd. Hiermee is een marge ingebouwd om feitelijke toenames van stikstofdepositie door opvulling van latente ruimte te voorkomen."
Hier sluiten wij ons bij aan, aangezien dit ook voor de Brabantse situatie geldt. Voorts merken wij op dat eind 2021 de landelijke afspraken over extern salderen worden geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.


In het artikel ‘Hoe stikstofhandel de BV Brabant opnieuw in gevaar brengt’ van het Brabants Dagblad uiten verschillende deskundigen kritiek op het Brabantse stikstofbeleid. In het artikel impliceert gedeputeerde Ronnes dat er geen alternatief voor de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof is, omdat we “niet alles dan maar stil [kunnen] laten staan”.

6. Deelt u de zorgen van professor Jonathan Verschuuren, hoogleraar Klimaatrecht aan de Universiteit van Tilburg, dat de stikstofhandel “onhoudbaar” is, omdat het “een veel te complex systeem is” en “onnavolgbaar voor de betrokkenen”, waardoor het ook fraudegevoelig is? Zo nee, concreet wat maakt volgens u de stikstofhandel wel navolgbaar en niet fraudegevoelig?

Antwoord:
Nee, zie de beantwoording van vraag 5, waarbij we opmerken dat extern salderen complex is maar wel navolgbaar. Wij zijn van mening dat bij de vergunningverlening de saldering zorgvuldig wordt getoetst aan de regels uit de beleidsregel Natuurbescherming. Bij vergunningverlening is volkomen navolgbaar waar de stikstofruimte vandaan komt en waar die wordt ingezet voor een ontwikkeling en is exact in beeld om hoeveel stikstofruimte het gaat.


7. Bent u het met ons eens dat oneindige groei in een provincie die niet meegroeit onrealistisch wensdenken is, en dat in werkelijkheid de grens van de draagkracht van Brabant een keer is bereikt, wat als resultaat heeft dat de groei wel degelijk een keer ‘stil’ moet komen te staan (in lijn met de titel van het Remkes-rapport; “niet alles kan”)? Zo nee, hoe heeft u oneindige overbelasting van de Brabantse natuur op de lange termijn, ook na uw bestuursperiode, voor ogen?

Antwoord:
Zoals in de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) is opgenomen is onze aanpak erop gericht om - verbeeld via drie tandwielen - zowel de natuur te versterken door de natuurherstelmaatregelen, de stikstofdepositie op de Brabantse N2000-gebieden te verlagen door het nemen van bronmaatregelen en daarnaast economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te blijven maken zonder dat deze leiden tot extra stikstofdepositie. Het is dus én, én, én. De drie tandwielen kunnen niet zonder samenhang worden uitgevoerd. Wij zetten hiermee in op de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering.


8. Bent u voornemens om in de toekomst niet meer als handelaar in stikstofruimte te opereren, of niet meer ‘vraag en aanbod te registreren’ en ‘partijen aan elkaar te koppelen’, zoals gedeputeerde Ronnes het noemt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zoals in de beantwoording van vraag 2 al aangegeven, bestrijden wij dat wij stikstofruimte verhandelen. Daarnaast zien wij echt een duidelijke scheiding tussen het ondersteuningsloket en de - vanuit oogpunt van transparantie - openbare verkoop van stikstofruimte bij een locatie in Lage Mierde.
Wij zijn van mening dat het ondersteuningsloket stikstof een zeer nuttige en belangrijke faciliterende rol in de aanpak stikstof vervult. Er komen veel vragen van diverse partijen binnen. Het loket biedt informatie over de (beleids)regels rondom stikstof, geeft advies en biedt hulp bij verkenning van de mogelijkheden in een specifieke situatie, al dan niet in samenhang met een vraag naar of een aanbod van stikstofruimte. Het ondersteuningsloket faciliteert in het bemiddelen tussen vragers en aanbieders van stikstofruimte die mogelijk een passende match kunnen maken. Indien partijen vervolgens komen tot een transactie is dat echter een zaak tussen partijen waarbij het loket geen rol heeft.
Wij vinden deze faciliterende en ondersteunende rol belangrijk en goed passen bij de rolopvatting van de provincie, om ontwikkelingen mogelijk te maken.
Dit wordt ook bevestigd door de minister in haar antwoord op vraag 5 van voornoemde brief: “De provincie heeft een loket ingericht waar saldo-gevers en saldo-ontvangers bij elkaar gebracht kunnen worden. Dat kan in het kader van extern salderen.