Vragen over de onder­toe­zicht­stelling van Omge­vings­dienst Midden- en West-Brabant


Indiendatum: dec. 2015

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de ondertoezichtstelling van Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant.


Geacht college,

Ons bereiken berichten over de financiële ondertoezichtstelling van de Omgevingsdienst door minister Plasterk als gevolg van ernstige financiële tekorten. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Voor welk bedrag dragen gemeenten, door het geven van opdrachten, bij aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant?

2. Hoeveel geld van dat bedrag is bestemd voor controle op en handhaving van veehouderijen?

3. Hoeveel controles van veehouderijen vinden er voor dat bedrag plaats?

4. Is voor u inzichtelijk hoeveel controles op veehouderijen er in 2015 door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant hebben plaatsgevonden en hoeveel hiervan in opdracht was van gemeenten? Zo nee, waarom niet?

De provincie is het bevoegd gezag voor controle op luchtwassers wat betreft de Natuurbeschermingswet 1998 en gemeenten zijn het bevoegd gezag voor het controleren van het Activiteitenbesluit. Op 13 november 2015 is door Provinciale Staten de motie Vooronderzoek Elektronisch Monitoren Luchtwassers aangenomen met de intentie om sneller tot een Brabantbrede toezichtsaanpak voor luchtwassers te komen.

5. Wat zijn de mogelijkheden van de provincie om, in het kader van de uitvoering van de motie, gemeenten vrijwillig mee te laten werken aan gezamenlijke controles met de provincie, (dus op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en het Activiteitenbesluit)?

6. Bent u bereid de gemeenten hier toe op te roepen? Zo nee, waarom niet?

7. Zo ja, wilt u ons op de hoogte houden over het aantal gemeenten dat bereid is om mee te werken?

8. Is het technisch gezien mogelijk om participerende gemeenten (deels) financieel te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zou dat moeten worden vormgegeven?

Ingeval een gemeente nalaat een besluit te nemen, of een wettelijke taak niet naar behoren uitvoert, dan is sprake van taakverwaarlozing. In dat geval kan de toezichthouder op grond van het algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing het besluit nemen of de uitvoering van de taak ter hand nemen op kosten van en in naam van de gemeente.

9. Hoe lang of hoe vaak dient een gemeente na te laten een besluit te nemen of een wettelijke taak niet naar behoren uit te voeren voordat u dat beschouwt als taakverwaarlozing?

10. Hebt u in het verleden de bestuurlijke interventieladder wel eens doorlopen (voorafgaand aan een eventuele indeplaatsstelling)? Zo ja, had dit het gewenste effect?

11. Bent u in het verleden wel eens overgegaan tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing? Zo ja, had dit het gewenste effect?

12. Wat zou voor u een reden kunnen zijn om over te gaan tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing?

13. Door wie kan een dergelijke procedure in gang worden gezet?

Wij vernemen graag uw reactie.


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Indiendatum: dec. 2015
Antwoorddatum: 25 jan. 2016

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.

1. Voor welk bedrag dragen gemeenten, door het geven van opdrachten, bij aan de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant?

Antwoord:
De provincie heeft geen inzicht in de financiële opdrachtgever-opdrachtnemer relatie tussen gemeenten en de OMWB. Wel bestaat er zicht op de begrote deelnemersbijdragen van de gemeenten. In de begroting 2015 werd uitgegaan van € 14,6 miljoen voor alle gemeenten samen (inclusief VVGB-verschuiving).


2. Hoeveel geld van dat bedrag is bestemd voor controle op en handhaving van veehouderijen?

Antwoord:
De provincie heeft geen inzicht in dergelijke gedetailleerde informatie (relatie individuele gemeente met OMWB).


3. Hoeveel controles van veehouderijen vinden er voor dat bedrag plaats?

Antwoord:
De provincie heeft geen inzicht in dergelijke gedetailleerde informatie (relatie individuele gemeente met OMWB).


4. Is voor u inzichtelijk hoeveel controles op veehouderijen er in 2015 door de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant hebben plaatsgevonden en hoeveel hiervan in opdracht was van gemeenten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, de provincie heeft geen inzicht hoeveel controles er op veehouderijen in opdracht van gemeenten plaatsgevonden hebben. Dat betreft namelijk de relatie individuele gemeente met OMWB.


5. De provincie is het bevoegd gezag voor controle op luchtwassers wat betreft de Natuurbeschermingswet 1998 en gemeenten zijn het bevoegd gezag voor het controleren van het Activiteitenbesluit. Op 13 november 2015 is door Provinciale Staten de motie Vooronderzoek Elektronisch Monitoren Luchtwassers aangenomen met de intentie om sneller tot een Brabantbrede toezichtsaanpak voor luchtwassers te komen. Wat zijn de mogelijkheden van de provincie om, in het kader van de uitvoering van de motie, gemeenten vrijwillig mee te laten werken aan gezamenlijke controles met de provincie, (dus op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en het Activiteitenbesluit)?

Antwoord:
Ter nadere invulling van de moties M12a “Versterk de handhaving op de stilzitters” (3-3-2013), M5 “Slim en effectief handhaven” (13-11-2015) en M31 “Vooronderzoek elektronisch monitoren luchtwassers” (13-11-2015), onderzoeken wij thans de mogelijkheden om samen met de gemeenten, te komen tot een omgevingsrecht brede integratie van het toezicht. In februari zullen wij u hierover met een Statenmededeling informeren.


6. Bent u bereid de gemeenten hier toe op te roepen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja


7. Zo ja, wilt u ons op de hoogte houden over het aantal gemeenten dat bereid is om mee te werken?

Antwoord: Ja


8. Is het technisch gezien mogelijk om participerende gemeenten (deels) financieel te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zou dat moeten worden vormgegeven?

Antwoord:
Dit is onderwerp van het onderzoek zoals vermeld in het antwoord vraag 5.


9. Ingeval een gemeente nalaat een besluit te nemen, of een wettelijke taak niet naar behoren uitvoert, dan is sprake van taakverwaarlozing. In dat geval kan de toezichthouder op grond van het algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing het besluit nemen of de uitvoering van de taak ter hand nemen op kosten van en in naam van de gemeente. Hoe lang of hoe vaak dient een gemeente na te laten een besluit te nemen of een wettelijke taak niet naar behoren uit te voeren voordat u dat beschouwt als taakverwaarlozing?

Antwoord:
Om te komen tot een oordeel over taakverwaarlozing dient uit zorgvuldig onderzoek in voldoende mate vast te staan dat een gemeente nalaat een wettelijk voorgeschreven besluit te nemen of een wettelijke taak niet naar behoren uitvoert. Wij letten daarbij met name op risico’s voor veiligheid of volksgezondheid of de kans op onherstelbare schade. Meer informatie over onze werkwijze bij klachten en signalen over mogelijke taakverwaarlozing door lokale overheden, staat in ons uitvoeringsprogramma IBT 2016 (blz. 15). Dat document is voor iedereen beschikbaar op de provinciale website: www.brabant.nl/ibt.


10. Hebt u in het verleden de bestuurlijke interventieladder wel eens doorlopen (voorafgaand aan een eventuele indeplaatsstelling)? Zo ja, had dit het gewenste effect?

Antwoord:
Ja. In 2013 hebben wij de bestuurlijke interventieladder toegepast bij twee gemeenten die niet of onvoldoende de bestuursrechtelijke handhavingstaak uitvoerden bij door ons overgedragen overtredingen van Wabo vergunningvoorschriften van veehouderijen. Met die gemeenten hebben wij toen bestuurlijke afspraken gemaakt over het opheffen van de betreffende tekortkomingen (fase 3 interventieladder). Dat heeft het gewenste effect gehad. De gemeenten hebben alsnog zelf actie ondernomen conform de Brabantse handhavingsstrategie ‘Zó handhaven we in Brabant.’


11. Bent u in het verleden wel eens overgegaan tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing? Zo ja, had dit het gewenste effect?

Antwoord: Nee


12. Wat zou voor u een reden kunnen zijn om over te gaan tot indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing?

Antwoord:
Indien sprake is van een vastgestelde situatie van taakverwaarlozing waarbij de bestuurlijke interventieladder is doorlopen zonder dat dat heeft geleid tot het opheffen van de tekortkoming door de gemeente zelf, kan dat voor ons een reden zijn om over te gaan tot indeplaatsstelling.


13. Door wie kan een dergelijke procedure in gang worden gezet?

Antwoord:
Een procedure tot indeplaatsstelling kan in gang worden gezet door het college van Gedeputeerde Staten. Dit is geregeld in de Gemeentewet (artikel 124).


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger