Vragen over de punc­tu­a­liteit van treinen op Brabantse stations die in vergelijk met de rest van Nederland opvallend laag is


Indiendatum: jan. 2020

Geacht college,

In het kader van de klimaatcrisis is het van groot belang dat we autoverkeer vervangen door openbaar vervoer, waar de trein onderdeel van uitmaakt. Voor het slagen van de transitie van autogebruik naar OV-gebruik, is naar ons idee de betrouwbaarheid van het treinvervoer een belangrijke voorwaarde. Hoe meer je er op kan rekenen je bestemming met het OV op tijd te bereiken, hoe meer het OV een waardig alternatief voor de auto is.

Een in eerste instantie kleine treinvertraging van enkele minuten kan zorgen voor een gemiste overstap op trein of bus, met een grotere vertraging tot gevolg. Punctualiteit op de treinstations is daarom van serieus belang voor de aantrekkelijkheid van het volledige OV-netwerk.

In de punctualiteitsrangorde van 393 Nederlandse treinstations staat het hoogst geplaatste Brabantse station pas op plaats 206. In de bovenste helft van de Nederlandse stations staat dus geen enkel Brabants station. Stations in Tilburg en Breda staan in de onderste tien noteringen op de ranglijst, met Breda op de een-na-laatste plek.

De betrouwbaarheid van het treinvervoer in Brabant is ondermaats, en als oorzaak hiervan wordt o.m. de krapte op het Brabantse spoor opgegeven. Deze krapte wordt ook aangehaald in de Brabantse OV-visie ‘Gedeelde mobiliteit is maatwerk’: “Daarom willen we een schaalsprong maken. We willen de infrastructuur uitbreiden, zodat treinen vaker kunnen rijden, reizigers korter hoeven te reizen, en er meer rechtstreekse verbindingen zonder overstap zijn.”[3]

Wij hebben hierover de volgende vragen. Daarbij geven we te kennen te weten dat, in tegenstelling tot veel andere provincies, de provincie Brabant geen directe bevoegdheden heeft op het gebied van treinverkeer. Daarentegen kan er wel invloed worden uitgeoefend op het Rijk / het ministerie.

  1. Wat is uw reactie op de opvallend lage punctualiteit op de Brabantse treinstations, in vergelijk met de rest van Nederland?
  2. Op welke wijze wilt u de in de OV-visie genoemde schaalsprong maken?
  3. Welke maatregelen zijn al in werking gezet om de punctualiteit op de Brabantse treinstations te verbeteren?
  4. Welke maatregelen ter bevordering van de punctualiteit op de Brabantse treinstations zijn er verder nog mogelijk? In hoeverre zijn we daarvoor afhankelijk van het Rijk?
  5. Heeft u met het ministerie contact over de achterstand van het Brabantse spoor? Zo ja, wat is er in dit kader besproken?
  6. Tegen welke belemmeringen loopt u aan in het verbeteren van de punctualiteit op de Brabantse treinstations?
  7. Bent u met ons van mening dat capaciteitsvergroting van het Brabantse OV, met name het spoor, meer prioriteit dient te hebben dan capaciteitsvergroting van de Brabantse wegen?


Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld en Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Indiendatum: jan. 2020
Antwoorddatum: 28 jan. 2020

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Wat is uw reactie op de opvallend lage punctualiteit op de Brabantse treinstations, in vergelijk met de rest van Nederland?

Antwoord:
We mogen in Nederland best trots zijn op de algeheel hoge betrouwbaarheid van het spoor. De punctualiteit scoort ruim boven de bodemwaarden in de concessie voor het hoofdrailnet (92,6 % gerealiseerd in 2019, bodemwaarde 88,9 %) en is afgelopen jaren steeds verder verbeterd. Helaas blijven de Brabantse stations wel wat achter. Dit strookt niet met onze ambitie naar een sterk en robuust OV. De lage punctualiteit is voor ons vooral een indicatie hoe maximaal de capaciteit op het Brabantse spoor wordt benut. Mogelijke redenen van de lagere punctualiteit op Brabantse stations zijn gelegen in de drukke goederenroute (Brabantroute), veel overwegen op maaiveld, de ligging aan relatief lange en drukke spoortrajecten en de gevolgen van problemen op de HSL. Dit maakt dat incidenten direct grote gevolgen kunnen hebben voor de punctualiteit. In het kader van het programma hoogfrequent spoor (PHS) intensiveren we het personenvervoer, ontvlechten we het goederenvervoer (via de Betuweroute) en staan we voor de uitdaging ook de punctualiteit te verbeteren. ProRail staat de komende jaren aan de lat om PHS uit te voeren. Dit is een noodzakelijke eerste stap, maar wat ons betreft nog niet voldoende. Hierover hebben wij u via een statenmededeling en bijbehorende bijlage d.d. 5 februari 2019 geïnformeerd.


2. Op welke wijze wilt u de in de OV-visie genoemde schaalsprong maken?

Antwoord:
In de eerder genoemde statenmededeling reageren we op de contouren van het landelijke Toekomstbeeld OV 2040. Dit vormt de in de OVvisie genoemde strategie; een aanzet voor een investeringspakket om op termijn een schaalsprong van het OV in Zuid-Nederland en specifiek Brabant te kunnen realiseren. Onze inzet richt zich op twee opgaven: 1) het op orde brengen van de basis van een robuust OV-systeem en 2) de noodzakelijke doorgroei in bediening van het openbaar vervoer in 2040 (schaalsprong).

Wij werken deze twee stappen momenteel verder uit als onderdeel van een transitiestrategie voor gedeelde mobiliteit waarmee we stapsgewijs de ruggengraat van het openbaar vervoer via spoor en Bravo-direct versterken en laten aanvullen door het fijnmazig vervoer. De verantwoordelijkheid voor de noodzakelijke verbeteringen aan het spoor ligt bij het Rijk. We vragen het Rijk dan ook om te investeren in een robuust spoorsysteem dat ruimte biedt voor verdere reizigersgroei. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om capaciteitvergroting op de stations ’s-Hertogenbosch en Eindhoven, het ongelijkvloers maken van spoorkruisingen bij Tilburg Oost, Liempde en Tongelre en het opheffen van gelijkvloerse overwegen op de drukste spoorcorridors. Tegelijkertijd willen we met onze regionale partners het regionaal OV verder versterken.


3. Welke maatregelen zijn al in werking gezet om de punctualiteit op de Brabantse treinstations te verbeteren?

Antwoord:
De verantwoordelijkheid voor een punctuele uitvoering van de dienstregelingen ligt primair bij de vervoerders. Zo werkt NS stevig aan de punctualiteit waardoor steeds meer treinen op tijd rijden. Bijvoorbeeld door conducteurs uit te rusten met smartwatches die de vertrekprocedure begeleiden. Op de HSL zijn de software-problemen in januari en februari 2019 inmiddels volledig opgelost. Tenslotte dragen reeds voorziene aanpassingen aan de infrastructuur zoals elektrificatie van de Maaslijn en ongelijkvloerse overwegen straks bij aan een betere punctualiteit.


4. Welke maatregelen ter bevordering van de punctualiteit op de Brabantse treinstations zijn er verder nog mogelijk? In hoeverre zijn we daarvoor afhankelijk van het Rijk?

Antwoord:
Naast de eerder genoemde punten is het Rijk door NS en ProRail gevraagd om de infrastructuur van de HSL verder te verbeteren. Andere infrastructurele maatregelen zijn het opheffen van gelijkvloerse kruisingen, spoorwegovergangen en het op drukke trajecten uitbreiden van sporen. Voor het wegnemen van dergelijke knelpunten zijn we grotendeels afhankelijk van het Rijk en specifiek van ProRail als spoorwegbeheerder.


5. Heeft u met het ministerie contact over de achterstand van het Brabantse spoor? Zo ja, wat is er in dit kader besproken?

Antwoord:
Ja, we zijn voortdurend in gesprek met het ministerie, onder meer in het kader van Landelijk Verbeterprogramma Overwegen, Programma Hoogfrequent Spoor en Toekomstbeeld OV 2040. Op basis van de regionale uitwerking van het Toekomstbeeld OV verwachten we voor de zomer een propositie met concrete voorstellen gereed te hebben. Deze propositie vormt de basis voor bestuurlijke afspraken aan de OV en Spoortafel en het BO MIRT dit najaar.


6. Tegen welke belemmeringen loopt u aan in het verbeteren van de punctualiteit op de Brabantse treinstations?

Antwoord:
Geen. Het is aan vervoerders en spoorbeheerder om belemmeringen te signaleren en aan te pakken.


7. Bent u met ons van mening dat capaciteitsvergroting van het Brabantse OV, met name het spoor, meer prioriteit dient te hebben dan capaciteitsvergroting van de Brabantse wegen?

Antwoord:
Nee, in ons mobiliteitsbeleid zetten we in op veilige, duurzame en slimme mobiliteit waarbij we de reiziger centraal stellen. De prioritering baseren we op een integrale (multimodale) afweging en kan per gebied en per situatie verschillen. Op de ene plek loont investeren in gedeelde mobiliteit, ergens anders is de verbetering van de autobereikbaarheid juist noodzakelijk.

Wij delen uw mening dat het aanbod van het OV aantrekkelijker moet worden, zeker waar de bereikbaarheid en/of leefbaarheid van onze steden onder druk staan. Dit is voor ons dan ook reden om komend jaar stevig in te zetten op eerdergenoemd Toekomstbeeld OV 2040.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA