Vragen over de rol van de provincie in de eiwit­tran­sitie


Geacht college,

Middels een Statenmededeling heeft u kenbaar gemaakt het convenant Landbouw Innovatie Noord-Brabant (LIB) de aankomende vier jaar voort te zetten.

In het bijhorende activiteitenprogramma wordt gesteld dat de eiwittransitie ‘nog maar aan het begin staat’, en dat Brabant een leidende rol kan spelen door innovaties te stimuleren. “LIB zal hieraan een bijdrage blijven leveren door voort te bouwen op de ervaringen hiermee uit het verleden met LIB-projecten zoals die voor lupine en insecten als nieuwe eiwitbron.”

De transitie-analyse ‘Voorlopen in de eiwittransitie’ laat echter zien dat de eiwittransitie al in volle gang is. Er zijn al veel aanjagers en coalities actief binnen de transitie, op initiatief van maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en overheden, waaronder meerdere provincies. In het overzicht is echter geen initiatief uit Noord-Brabant opgenomen. Uit de analyse komt tevens naar voren dat de productiekant van de eiwittransitie achterloopt op de consumptiekant. Ons inziens ligt hier een grote kans voor onze provincie, met name als deze kansen op productie van plantaardige eiwitten integraal wordt betrokken in de verduurzamingsmaatregelen van de landbouw, bijvoorbeeld als toekomstbeeld voor (jonge) boeren.

De Brabantse initiatieven op insectenkweek zijn hoofdzakelijk gericht op de productie van veevoeder.

Wij hebben hierover de volgende vragen. Wij hopen van harte dat deze vragen binnen twee weken beantwoord kunnen worden, i.v.m. de behandeling van de begroting voor 2020.

  1. Bent u het met ons eens dat ‘de eiwittransitie’ een verandering in ons eetpatroon, naar minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten, definieert? Zo nee, wat verstaat u onder ‘de eiwittransitie’?
  2. Erkent u, net als het vorige college;
    - dat met meer toepassing van plantaardige eiwitten (vleesvervangers) een grote(re) bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van het wereldvoedsel- en milieuvraagstuk;
    - dat plantaardige eiwitten het milieu minder zwaar belasten dan de traditionele dierlijke eiwitbronnen en daarmee een veel lagere ecologische voetafdruk (hoeveelheid input zoals water, energie en mineralen) hebben, en;
    - dat het gebruik van plantaardige eiwitten als vervanging van dierlijke eiwitten het grootste potentiële effect op verduurzaming van de landbouw heeft? Zo nee, waarom niet?
  3. Waarop is de uitspraak (in het LIB activiteitenprogramma) gebaseerd dat de eiwittransitie nog maar aan het begin staat?
  4. Wat verstaat u concreet onder ‘een leidende rol spelen’; gaat het er daarbij om, om als provincie voor te lopen op andere provincies? Zo nee, wat verstaat u er dan onder?
  5. Een aantal provincies hebben concreet beleid gemaakt om de leidende positie in te nemen op het gebied van de eiwittransitie. Bent u het met ons eens dat de leidende rol in het stimuleren van innovaties al is ingenomen door andere provincies? Zo nee, waarom niet?
  6. Indien u voorgaande vraag met ‘ja’ beantwoord; bent u zinnens om de leidende rol te veroveren? Zo ja, op welke wijze?
  7. Bent u bereid om met provinciale middelen actief bij te dragen aan onderzoek naar, en ondersteuning van, verdienmodellen voor akkerbouwers die de overstap willen maken naar eiwitrijke gewassen? En bent u bereid daarnaast te faciliteren in het koppelen van de akkerbouwsector aan productontwikkelaars en plantaardig voedsel-producenten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
  8. Bent u het met ons eens dat investeringen in insectenkweek voor veevoeder niet bijdraagt aan de eiwittransitie, omdat het de productie van dierlijke voeding bestendigd, i.p.v. dat het de beoogde mindering van dierlijke eiwitconsumptie bevordert? Zo nee, waarom niet?

Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld,
Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 12 nov. 2019

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Bent u het met ons eens dat ‘de eiwittransitie’ een verandering in ons eetpatroon, naar minder dierlijke en meer plantaardige eiwitten, definieert? Zo nee, wat verstaat u onder ‘de eiwittransitie’?

Antwoord:
Nee, in ons beleid gaat het niet alleen om verandering van ons eetpatroon van minder dierlijke naar meer plantaardige eiwitten. Het gaat ook om het verduurzamen van de productieketens, zowel plantaardige als dierlijke, inclusief insecten en schimmels. Dit omdat ook deze ontwikkelingen bijdragen aan een zuiniger grondstoffengebruik, kringloopsluiting en lagere emissies inclusief minder negatieve klimaateffecten.


2. Erkent u, net als het vorige college; dat met meer toepassing van plantaardige eiwitten (vleesvervangers) een grote(re) bijdrage kan worden geleverd aan de oplossing van het wereldvoedsel- en milieuvraagstuk; dat plantaardige eiwitten het milieu minder zwaar belasten dan de traditionele dierlijke eiwitbronnen en daarmee een veel lagere ecologische voetafdruk (hoeveelheid input zoals water, energie en mineralen) hebben, en; dat het gebruik van plantaardige eiwitten als vervanging van dierlijke eiwitten het grootste potentiële effect op verduurzaming van de landbouw heeft? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, zowel in Nederland als in Europa is het wenselijk dat het aandeel plantaardige eiwitten in ons menu gaat toenemen. In de toekomst zal het menu bestaan uit een gevarieerde mix van verschillende in duurzame ketens geproduceerde eiwitten afkomstig van planten, dieren (ook insecten) en microorganismen. Dit wordt breed onderkend.
Tijdens de Mansholt lezing op 19 september j.l. in Brussel werden de volgende vier urgenties opgevoerd als belangrijkste drijvers achter deze gewenste transitie: 1. Verlagen milieudruk, 2. Voedselzekerheid voor groeiende wereldbevolking, 3. Weerbaar maken van ons voedselproductiesysteem en 4. De volksgezondheid.


3. Waarop is de uitspraak (in het LIB activiteitenprogramma) gebaseerd dat de eiwittransitie nog maar aan het begin staat?

Antwoord:
Dit is gebaseerd op het gegeven dat de eiwitconsumptie in Nederland nog voor het overgrote deel dierlijk is. Daarbij gaan we er ook vanuit dat de komende jaren de productie en consumptie van andere dan de traditionele eiwitten fors zal toenemen, qua volume en assortiment.


4. Wat verstaat u concreet onder ‘een leidende rol spelen’; gaat het er daarbij om, om als provincie voor te lopen op andere provincies? Zo nee, wat verstaat u er dan onder?

Antwoord:
Nee, in het LIB-activiteitenprogramma staat in dezelfde alinea dat we dit willen realiseren door het stimuleren van innovaties. Hoe we deze rol als provincie willen invullen naast het LIB vormt onderdeel van het beoogde beleidskader Landbouw & Voedsel dat in 2020 aan het college van PS zal worden voorgelegd. Hierop vooruitlopend denken wij de gewenste transitie alleen te kunnen faciliteren in nauwe samenwerking met innovatieve bedrijven, consumenten en vernieuwende organisaties. In het huidige UBA2020-programma vervullen wij deze rol onder meer met het innovatieprogramma Agrofood en FoodUp! Brabant / Landbouwinovatiecampus.


5. Een aantal provincies hebben concreet beleid gemaakt om de leidende positie in te nemen op het gebied van de eiwittransitie. Bent u het met ons eens dat de leidende rol in het stimuleren van innovaties al is ingenomen door andere provincies? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, gegeven het aantal innovaties dat nu al in Brabant plaatsvindt, hebben wij een stevige positie in de eiwittransitie. We noemen er een paar: teelt van nedersoja en veldbonen, Ookworst, productontwikkeling op basis van reststromen van oesterzwammen, Vegetarische slager in Breda, Beste Brabantse Borrelplank, Bioscienz, CHIEF.


6. Indien u voorgaande vraag met ‘ja’ beantwoord; bent u zinnens om de leidende rol te veroveren? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord:
n.v.t.


7. Bent u bereid om met provinciale middelen actief bij te dragen aan onderzoek naar, en ondersteuning van, verdienmodellen voor akkerbouwers die de overstap willen maken naar eiwitrijke gewassen? En bent u bereid daarnaast te faciliteren in het koppelen van de akkerbouwsector aan productontwikkelaars en plantaardig voedsel-producenten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, dit doen wij al, meerdere jaren, via het LIB, FoodUP! Brabant, Agri meets Design en het Uitvoeringsprogramma Plantaardig (UP). Dit zal ook zeker aandacht krijgen in het nieuw op te stellen beleidskader.


8. Bent u het met ons eens dat investeringen in insectenkweek voor veevoeder niet bijdraagt aan de eiwittransitie, omdat het de productie van dierlijke voeding bestendigd, i.p.v. dat het de beoogde mindering van dierlijke eiwitconsumptie bevordert? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, daar zijn wij het niet mee eens. Wij gaan ervan uit dat de veehouderij ook voor de middellange termijn een relevantie sector blijft in onze provincie waarbij insectenkweek op basis van restproducten kan bijdragen aan het sluiten van kringlopen. Insecten kunnen reststromen omzetten in hoogwaardige eiwitten en vetten. Deze kunnen de import van soja en de vangst van vis voor diervoeding stevig terugdringen. Ze worden al ingezet in petfood. De kennis die op deze wijze wordt ontwikkeld is bovendien zeer waardevol in het kader van insectenkweek voor humane consumptie.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA