Vragen over het uitsluiten van subsidie voor brood­nodige plant­aardige land­bouw­in­no­vaties in de Europese land­bouw­sub­si­die­re­geling POP3


Indiendatum: feb. 2020

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende het uitsluiten van subsidie voor broodnodige plantaardige landbouwinnovaties in de Europese landbouwsubsidieregeling POP3.


Geacht college,

In het kader van het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GBL) zijn er Europese subsidies beschikbaar voor de landbouwsector in Nederland. De huidige Nederlandse uitwerking hiervan is het plattelandsontwikkelingsprogramma; POP3, een Europees subsidieprogramma gericht op innovatie en verduurzaming van de landbouw en de daarmee verbonden thema’s als waterkwaliteit, natuurherstel, en plattelandsontwikkeling.

De Subsidieregeling plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020 (verder: “POP3-regeling”) regelt POP3-subsidieverstrekking in onze provincie. In de periode 2014-2020 is er in Brabant een totaalbedrag van 98 miljoen euro aan gedeeld Europees en provinciaal subsidiegeld ter beschikking gesteld aan de Brabantse agrarische sector.

Programma’s als POP3 zijn regionaal belegd, dus provincies kunnen invloed hebben op zowel de inhoud van de programma’s als bepalend zijn in de uitvoering. Provincies kunnen sturen via de hoogte van het subsidieplafond en de accenten in de selectiecriteria voor de projecten.

Hoewel de POP3-subsidies o.a. duurzaamheid en innovatie zouden moeten bevorderen, zijn er problematische aspecten die niet stroken met provinciale en nationale ambities op het gebied van o.a. duurzaamheid, eiwittransitie en kringlooplandbouw. Zo sluit de POP3-regeling de productie van duurzame, plantaardige alternatieven voor zuivel(producten) uit van subsidie.

Wij hebben hierover een aantal vragen, waarbij wij het volgende nog willen benadrukken. Ook al is de provincie soms niet direct verantwoordelijk of betrokken, problemen rond Europese landbouwsubsidies hebben wel invloed op de provinciale ambities en doelen. Daarom het verzoek om alle vragen zo goed en gedetailleerd mogelijk te beantwoorden.

1. Kunt u voor alle provincies aangeven welke verschillen in accenten en selectiecriteria er zijn?

2. Welke rol spelen Provinciale Staten hierbij en hoe verschilt de invulling van die rol per provincie?

3. Klopt het dat de provincie een subsidieregeling ook meer kan richten op bepaalde gebieden of sectoren? Zo ja, hoe doet Noord-Brabant dat precies en hoe doen andere provincies dat; zijn er provincies die bijvoorbeeld meer accenten leggen op subsidies voor projecten met betrekking tot biologische landbouw, of met betrekking tot plantaardige landbouw voor menselijke consumptie?

4. Welke concrete prioriteiten, accenten en selectiecriteria hanteert Noord-Brabant bij openstelling van POP3-subsidies? Waarom juist deze, en door wie en hoe zijn ze precies bepaald?

Het is steeds meer algemeen bekend dat plantaardige eiwitten veel efficiënter en duurzamer zijn dan dierlijke eiwitten. In het specifieke geval van zuivel(producten), scoren de plantaardige alternatieven veel beter op het vlak van uitstoot, land-, en watergebruik dan de dierlijke equivalenten. Op het vlak van dierenwelzijn staat het buiten kijf dat plantaardige melkvarianten beter scoren dan dierlijke melk.

5. Hoe beoordeelt u in dat kader de uitsluiting die als volgt geformuleerd is in de POP3-regeling, onder artikel 1.6 ‘Niet subsidiabele kosten’, lid 1g: “kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen”?

6. Bent u het met ons eens dat deze uitsluiting ingaat tegen de provinciale ambities op het vlak van verduurzaming van de voedselvoorziening, en op het vlak van de gewenste verschuiving van de verhouding van dierlijke en plantaardige eiwitten in ons dieet; de eiwittransitie? Zo nee, waarom niet?

De POP3-regeling, komt voort uit Europese regelgeving. Artikel 1.6 is dan ook een voortvloeisel van besluitvorming op Europees niveau.

7. Heeft de provincie Noord-Brabant een rol gehad in het opnemen van lid 1g in artikel 1.6? Zo ja, welke bijdrage (zorgen en/of wensen) heeft de provincie daarbij geregeld? Zo nee, hoe is deze uitsluiting in de POP3-regeling terecht gekomen, en welke instanties hebben hiervoor gepleit met welke onderbouwing?

8. Bent u bereid om via het IPO en/of het Rijk in overleg te treden en te onderzoeken hoe achterhaalde en discriminerende voorwaarden zoals in artikel 1.6 lid 1g kunnen worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?

9. Bent u bereid om aanvragers, die ondertussen te maken krijgen met een afwijzing op basis van artikel 1.6, lid 1g, (op andere wijze) alsnog financieel tegemoet te komen, wanneer hun aanvraag aan alle verdere criteria voldoet? Zo nee, waarom niet?

Terwijl de provincie en het Rijk willen inzetten op meer regionale, duurzame kringlooplandbouw en eiwittransitie, creëren EU-subsidies prikkels die daar tegenin gaan. Zo laten onderzoeken zien dat Europese landbouwsubsidies vooral natuurverlies in stand houden en dat voornamelijk gangbare en intensieve (melk)veehouderijen van die subsidies profiteren. Volgens het ministerie van LNV gaat rond 70% van de EU-subsidies naar de teelt van gewassen voor dierlijke consumptie, terwijl het efficiënter en duurzamer is om in te zetten op teelt van plantaardige eiwitten voor menselijke consumptie (zoals Nedersoja). Daarnaast worden miljoenen euro’s beschikbaar gesteld om de consumptie van dierlijke producten te promoten.

Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) wordt herzien. In Nederland wordt er nu gewerkt aan een Nationaal Strategisch Plan (NSP), waarin wordt uitgewerkt hoe de nieuwe GLB-verordeningen van de EU zullen worden ingevuld in Nederland. Het NSP omvat alle bestaande GLB-regelingen, waaronder ook subsidies voor plattelandsontwikkeling (nu dus nog apart belegd onder het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP)). Het NSP biedt kansen om bovengeschetste perverse prikkels uit het subsidiesysteem te halen of te corrigeren.

10. Wat gaat uw college doen om te voorkomen dat discriminerende uitsluiting van landbouwers, zoals nu door artikel 1.6, lid 1g gebeurt, niet terugkomen in de NSP?

11. Wat vindt u van het feit dat er miljoenen euro’s aan belastinggeld via Europese subsidies naar promotie van consumptie van dierlijke producten gaat, terwijl de Nederlandse overheid en wetenschappers zeggen dat we juist minder dierlijke eiwitten zouden moeten produceren?

12. Erkent u dat zulke subsidies de plantaardige ontwikkelingen op de vrije markt en de nodige transitie richting meer plantaardig voedselvoorziening kan verstoren, belemmeren en vertragen? Zo nee, waarom niet?

13. Bent u bereid om deze herzieningen van het GLB en de uitwerking binnen het NSP aan te grijpen om zich sterk te maken voor echt duurzame invulling van Europese subsidiemogelijkheden, met bijvoorbeeld zoveel mogelijk nadruk op de eiwittransitie en biologische landbouw binnen het NSP? Zo nee, waarom niet?

14. Bent u bereid om u met uw toekomstige lobbyactiviteiten sterk te maken voor een echt duurzame invulling van de Europese subsidiemogelijkheden, met bijvoorbeeld zoveel mogelijk nadruk op de eiwittransitie en biologische landbouw? Zo nee, waarom niet?

15. Bent u bereid Provinciale Staten vaker en actiever te betrekken bij de lobbyactiviteiten richting de EU, en vaker en actiever op de hoogte stellen hoe provinciale ambities worden door vertaald naar strategieën en lobbyagenda’s bij de verschillende regionetwerken in Europa? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld,
Partij voor de Dieren

Indiendatum: feb. 2020
Antwoorddatum: 17 mrt. 2020

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Kunt u voor alle provincies aangeven welke verschillen in accenten en selectiecriteria er zijn?

Antwoord:
Het POP3 is een landelijk programma, waarvoor de minister van LNV eindverantwoordelijke is. Het POP3 wordt grotendeels uitgevoerd door provincies. Omdat het POP3 een landelijk programma is, hanteren provincies een landelijk opgestelde uniforme modelregeling. Elke provincie heeft de modelregeling vertaald naar een eigen provinciale regeling. Binnen de kaders van de regeling kunnen provincies eigen accenten aanbrengen. Dat gebeurt per openstellingsbesluit.
De selectiecriteria zijn onderdeel van de modelregeling. De wijze waarop aan de selectiecriteria wordt vormgegeven staat beschreven in het landelijke ‘handboek voor selectiecriteria’. Dit handboek is raadpleegbaar op de website van het Regiebureau POP https://regiebureau-pop.eu/nieuwe-versie-handboek-selectiecriteria.
Een overzicht van alle provincies en de verschillen in de selectiecriteria is niet beschikbaar.


2. Welke rol spelen Provinciale Staten hierbij en hoe verschilt de invulling van die rol per provincie?

Antwoord:
In elk POP3 openstellingsbesluit worden de prioriteiten, accenten en selectiecriteria benoemd. De openstellingsbesluiten worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Provinciale Staten worden over de openstellingsbesluiten door middel van Statenmededelingen geïnformeerd. De invulling van die rol per provincie is ongeveer dezelfde.


3. Klopt het dat de provincie een subsidieregeling ook meer kan richten op bepaalde gebieden of sectoren? Zo ja, hoe doet Noord-Brabant dat precies en hoe doen andere provincies dat; zijn er provincies die bijvoorbeeld meer accenten leggen op subsidies voor projecten met betrekking tot biologische landbouw, of met betrekking tot plantaardige landbouw voor menselijke consumptie?

Antwoord:
Ja dat klopt. De basis voor de prioriteiten, accenten en selectiecriteria worden gevormd door de verschillende provinciale beleidsprogramma’s voor Landbouw, Natuur, Water, Bodem. Andere provincies doen hetzelfde. Indien een provincie in het beleidsprogramma de stimulering van biologische landbouw of plantaardige landbouw voor menselijke consumptie heeft opgenomen, dan kan in de openstelling daar prioriteit aan worden gegeven bij de subsidieregeling.


4. Welke concrete prioriteiten, accenten en selectiecriteria hanteert Noord-Brabant bij openstelling van POP3-subsidies? Waarom juist deze, en door wie en hoe zijn ze precies bepaald?

Antwoord:
In elk POP3 openstellingsbesluit worden de prioriteiten, accenten en selectiecriteria benoemd. De openstellingsbesluiten worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Een uitgebreide toelichting is te vinden in de jaarlijkse voortgangsrapportages POP3. De vijfde voortgangsrapportage 2019 POP3 is recent naar uw Staten gestuurd.


5. Hoe beoordeelt u in dat kader de uitsluiting die als volgt geformuleerd is in de POP3-regeling, onder artikel 1.6 ‘Niet subsidiabele kosten’, lid 1g: “kosten voor de vervaardiging van producten die melk en zuivelproducten imiteren of vervangen”?

Antwoord:
Het artikel komt voort uit punt 43 van de ‘Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013 ( PB EU 2006//C 319/01) Deze richtsnoeren zijn reeds vervallen. In de nieuwe richtsnoeren (nr 2014/C 204/01) komt de bepaling niet meer voor.
De achtergrond van de regels omtrent ‘melk’ en ‘zuivelproducten’ gaat terug tot de jaren 80 van de vorige eeuw. In 1984 zijn er productiequota voor koemelk ingesteld. Doel van de regels was tweeledig: de afzet van zuivelproducten bevorderen en de consument beschermen.
De overwegingen bij verordening (EEG) 1898/87 waren:
• De marktsituatie voor melk en zuivelproducten wordt gekenmerkt door structurele overschotten; dat bijgevolg de afzet van deze producten dient te worden verbeterd door het verbruik ervan te bevorderen;
• De regels scheppen niet-vervalste concurrentievoorwaarden tussen zuivelproducten en concurrerende producten op het gebied van benaming, etikettering en reclame;
• Dat concurrerende producten een concurrentievoordeel genieten op het stuk van de kostprijs, aangezien zij dikwijls grotendeels worden bereid uit grondstoffen die met een vrijstelling van rechten zijn ingevoerd terwijl zuivelproducten een hogere kostprijs hebben ten gevolge van de noodzaak het inkomen van de landbouwproducent te beschermen.


6. Bent u het met ons eens dat deze uitsluiting ingaat tegen de provinciale ambities op het vlak van verduurzaming van de voedselvoorziening, en op het vlak van de gewenste verschuiving van de verhouding van dierlijke en plantaardige eiwitten in ons dieet; de eiwittransitie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Hoewel deze uitsluiting een inperking bevat, zien wij voldoende mogelijkheden om ook de eiwittransitie via POP3 te stimuleren. Er zijn enkele POP3-aanvragen gehonoreerd die indirect aan deze transitie bijdragen zoals die zijn gericht op de champignonteelt en –verwerking er van (als eiwitbron) en daarnaast zijn er diverse andere projecten gericht op plantaardige sectoren. (zie Stimulus website voor projecten)


7. De POP3-regeling, komt voort uit Europese regelgeving. Artikel 1.6 is dan ook een voortvloeisel van besluitvorming op Europees niveau. Heeft de provincie Noord-Brabant een rol gehad in het opnemen van lid 1g in artikel 1.6? Zo ja, welke bijdrage (zorgen en/of wensen) heeft de provincie daarbij geregeld? Zo nee, hoe is deze uitsluiting in de POP3-regeling terecht gekomen, en welke instanties hebben hiervoor gepleit met welke onderbouwing?

Antwoord:
Nee, geen enkele provincie heeft een rol hierin gehad. Zie het antwoord op vraag 5.


8. Bent u bereid om via het IPO en/of het Rijk in overleg te treden en te onderzoeken hoe achterhaalde en discriminerende voorwaarden zoals in artikel 1.6 lid 1g kunnen worden geschrapt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?

Antwoord:
Artikel 1.13, eerste lid, onder i, van de POP3 Model Regeling zal worden geschrapt. De destijds geldende EU regelgeving waarop de bepaling gebaseerd is, is niet meer van toepassing. POP3 loopt af. We willen de aandacht richten op de nieuwe periode en zijn daarover met IPO en Rijk in gesprek. Zie verder het antwoord op vraag 10.


9. Bent u bereid om aanvragers, die ondertussen te maken krijgen met een afwijzing op basis van artikel 1.6, lid 1g, (op andere wijze) alsnog financieel tegemoet te komen, wanneer hun aanvraag aan alle verdere criteria voldoet? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De provincie heeft zich te houden aan Europese regelgeving. Bovendien zijn er in Noord-Brabant geen aanvragers afgewezen op basis van artikel 1.13, eerste lid onder g, van de Uitvoeringsregeling POP-3.


10. Wat gaat uw college doen om te voorkomen dat discriminerende uitsluiting van landbouwers, zoals nu door artikel 1.6, lid 1g gebeurt, niet terugkomen in de NSP?

Antwoord:
U suggereert dat er landbouwers op oneerlijke gronden worden uitgesloten van subsidie. Dat is niet het geval. Er worden alleen specifieke activiteiten uitgesloten die op grond van Europese regelgeving niet zijn toegestaan.


11. Wat vindt u van het feit dat er miljoenen euro’s aan belastinggeld via Europese subsidies naar promotie van consumptie van dierlijke producten gaat, terwijl de Nederlandse overheid en wetenschappers zeggen dat we juist minder dierlijke eiwitten zouden moeten produceren?

Antwoord:
Met de Europese subsidies die met de Uitvoeringsregeling POP-3 worden verstrekt wordt uitvoering gegeven aan het Uitvoeringsprogramma Brabant Agrofood. Er worden met de Uitvoeringsregeling POP-3 geen subsidies verstrekt voor de promotie van consumptie van dierlijke producten. Wij vinden dat de met overheidsmiddelen gesteunde promotie van consumptie van landbouwproducten primair gericht moet zijn op de gezondheid van mensen.


12. Erkent u dat zulke subsidies de plantaardige ontwikkelingen op de vrije markt en de nodige transitie richting meer plantaardig voedselvoorziening kan verstoren, belemmeren en vertragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, zie het antwoord op vraag 11.


13. Bent u bereid om deze herzieningen van het GLB en de uitwerking binnen het NSP aan te grijpen om zich sterk te maken voor echt duurzame invulling van Europese subsidiemogelijkheden, met bijvoorbeeld zoveel mogelijk nadruk op de eiwittransitie en biologische landbouw binnen het NSP? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
We verwijzen naar het bestuursakkoord en Uitvoeringsprogramma’s plantaardig en eiwittransitie. Dat bepaalt onze inzet.


14. Bent u bereid om u met uw toekomstige lobbyactiviteiten sterk te maken voor een echt duurzame invulling van de Europese subsidiemogelijkheden, met bijvoorbeeld zoveel mogelijk nadruk op de eiwittransitie en biologische landbouw? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zie antwoord op vraag 13.


15. Bent u bereid Provinciale Staten vaker en actiever te betrekken bij de lobbyactiviteiten richting de EU, en vaker en actiever op de hoogte stellen hoe provinciale ambities worden door vertaald naar strategieën en lobbyagenda’s bij de verschillende regionetwerken in Europa? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk, drs. M.J.A. van Bijnen MBA