Tech­nische vragen over de Bossen­stra­tegie Noord-Brabant


Indiendatum: feb. 2020

De statenmededeling Brabantse bossenstrategie heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. De bossenstrategie zal alleen slagen wanneer er voldoende partners kunnen worden gevonden. Hoe gaat u met name de gemeenten verleiden om actief deel te nemen aan de bossenstrategie?

De beoogde bosopgaven lopen niet synchroon in de tijd. De einddatum voor de bosuitbreiding van 13.000 ha ligt op 31 december 2030 waarvan 2.500 ha te realiseren binnen deze bestuursperiode tot 2023. De revitaliseringsopgave loopt tot 2050.

2. Welke risico’s kleven hieraan en hoe kan dit worden ondervangen?

De inzet van hout als biomassa zal, zo staat in de bossenstrategie, tijdelijk een verdienmodel zijn.

3. Aangezien het een aantal decennia duurt voordat hout kan worden ingezet: Hoe tijdelijk zal dit verdienmodel zijn?

4. Worden er direct bomen gekapt voor dit verdienmodel? Zo ja, welke bomen worden nu gekapt?

5. In de bossenstrategie wordt genoemd dat het areaal bos met productiefunctie de komende jaren zal dalen, waar komen dan de genoemde verdiensten uit voort?

In de bossenstrategie staat dat de komende jaren het areaal natuurbos nog met 16% toeneemt en dat productiebos met 28% afneemt ten gunste van met name biodiversiteit. Dat klinkt als een enorm verlies voor de TBO’s die deels van houtopbrengst afhankelijk zijn.

6. Hoe gaan de TBO’s met dit verlies om?

De extra bosambitie van 8.000 ha in het NNB is te verdelen tussen 3.000 ha in gepland bos dat nog niet gerealiseerd is maar wel gepland is. De overige 5.000 ha zullen aangelegd worden op het beheertype kruidenrijk grasland dat omgekat wordt naar een van de mogelijke beheertypen met bos.

7. Hoeveel tijd en geld heeft het gekost om het beheertype kruidenrijk grasland tot stand te brengen?

8. Worden op deze manier de doelstellingen wat betreft dit beheertype nog wel behaald?

9. Welke biotopen voor welke soorten gaan verloren wanneer dit beheertype wordt omgekat?

In het niet gerealiseerde deel van het NNB liggen, zo staat in de bossenstrategie, kansen om bossen te planten in combinatie met een tijdelijke plaatsing (20-30 jaar) van windmolens.

10. Hoe wordt er voor gezorgd dat de bomen niet worden beschadigd wanneer de windmolens worden afgebroken na 20-30 jaar?

Wonen wordt gezien als een van de meest kansrijke economische dragers voor bosaanleg. Hierbij is van belang dat gemeenten bij gronduitgifte of vergunningverlening eisen stellen aan bosaanleg.

11. Hoe worden gemeenten gestimuleerd om deze eisen te stellen?

12. Wordt dit een verplichting voor gemeenten en de bouwsector, of is dit een vrijblijvende maatregel?

Indiendatum: feb. 2020
Antwoorddatum: 5 mrt. 2020

De statenmededeling Brabantse bossenstrategie heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.


1. De bossenstrategie zal alleen slagen wanneer er voldoende partners kunnen worden gevonden. Hoe gaat u met name de gemeenten verleiden om actief deel te nemen aan de bossenstrategie?

Antwoord:
Dit kunnen wij niet als een technische vraag beschouwen.


De beoogde bosopgaven lopen niet synchroon in de tijd. De einddatum voor de bosuitbreiding van 13.000 ha ligt op 31 december 2030 waarvan 2.500 ha te realiseren binnen deze bestuursperiode tot 2023. De revitaliseringsopgave loopt tot 2050.

2. Welke risico’s kleven hieraan en hoe kan dit worden ondervangen?

Antwoord:
Dit kunnen wij niet als een technische vraag beschouwen.


De inzet van hout als biomassa zal, zo staat in de bossenstrategie, tijdelijk een verdienmodel zijn.

3. Aangezien het een aantal decennia duurt voordat hout kan worden ingezet: Hoe tijdelijk zal dit verdienmodel zijn?

Antwoord:
De basis voor deze aanpak ligt in de Brabantse Energieagenda 2019 – 2030 die in december 2018 door PS is vastgesteld. Daar staat, op bladzijde 14: “Als provincie kiezen we er bewust voor om biomassa als energiebron af te bouwen. In lijn met het Rijk beschouwen we biomassa als een overbruggingsoptie. Daarbij stellen we vast dat het op beperkte schaal kan worden ingezet voor prioritaire toepassingen, zoals transportmodaliteiten, waarvoor nauwelijks CO2-arme alternatieven beschikbaar zijn. In Brabant betekent dit dat we biomassa zo hoogwaardig mogelijk toepassen en de inzet als energiedrager beperken tot reststromen”.


4. Worden er direct bomen gekapt voor dit verdienmodel? Zo ja, welke bomen worden nu gekapt?

Antwoord:
Het staat de eigenaren van bossen vrij om kaprestanten van bomen aan te bieden aan verwerkers van biomassa. Wij hebben daar ook geen kennis van.


5. In de bossenstrategie wordt genoemd dat het areaal bos met productiefunctie de komende jaren zal dalen, waar komen dan de genoemde verdiensten uit voort?

Antwoord:
In alle Brabantse bossen mag hout geoogst worden, met uitzondering van de strikte bosreservaten. De aanpak van Eco2eco heeft laten zien dat een duurzaam bosbeheer waarbij men natuurdoelen realiseert en tegelijkertijd kwaliteitshout kan oogsten, hout oplevert dat tegen een hogere prijs in de markt gezet kan worden.
In de bossenstrategie staat dat de komende jaren het areaal natuurbos nog met 16% toeneemt en dat productiebos met 28% afneemt ten gunste van met name biodiversiteit. Dat klinkt als een enorm verlies voor de TBO’s die deels van houtopbrengst afhankelijk zijn.


6. Hoe gaan de TBO’s met dit verlies om?

Antwoord:
De TBO’s juichen deze aanpak toe. Ook zij realiseren zich dat een omslag van laagwaardig productiehout naar hoogwaardig kwaliteitshout op termijn zal leiden tot hogere of gelijkwaardige financiële opbrengsten. En daarnaast verhogen zij de biodiversiteit in hun bossen.


De extra bosambitie van 8.000 ha in het NNB is te verdelen tussen 3.000 ha in gepland bos dat nog niet gerealiseerd is maar wel gepland is. De overige 5.000 ha zullen aangelegd worden op het beheertype kruidenrijk grasland dat omgekat wordt naar een van de mogelijke beheertypen met bos.

7. Hoeveel tijd en geld heeft het gekost om het beheertype kruidenrijk grasland tot stand te brengen?

Antwoord:
De 5000 ha kruiden- en faunarijk grasland die beschikbaar zijn voor omvorming naar bos, hebben geen inrichtingsgeld gekost. Er heeft nog geen inrichting plaatsgevonden, in afwachting van de inrichting van een geheel gebied, na verwerving van het laatste benodigde perceel. De tijd die verwerving heeft gekost is eenmalig en is bij de omvorming naar bos niet meer van toepassing.


8. Worden op deze manier de doelstellingen wat betreft dit beheertype nog wel behaald?

Antwoord:
Ja, voor alle oppervlaktes van dit type geldt, dat de doelstellingen na inrichting vaak met moeite worden bereikt. De oorzaak is de verstoorde bodemchemie en het verstoorde bodemleven. Het landbouwverleden van deze percelen blijft parten spelen bij het natuurbeheer. In de praktijk betekent dat het langer duurt en er soms extra maatregelen nodig zijn om de kwaliteitsdoelstellingen te behalen. Ook zullen maatregelen herhaaldelijk ingezet moeten worden.


9. Welke biotopen voor welke soorten gaan verloren wanneer dit beheertype wordt omgekat?

Antwoord:
Geen, er blijft voldoende oppervlakte kruiden- en faunarijk grasland over.


In het niet gerealiseerde deel van het NNB liggen, zo staat in de bossenstrategie, kansen om bossen te planten in combinatie met een tijdelijke plaatsing (20-30 jaar) van windmolens.

10. Hoe wordt er voor gezorgd dat de bomen niet worden beschadigd wanneer de windmolens worden afgebroken na 20-30 jaar?

Antwoord:
In de praktijk zal er een boomvrije zone zijn rondom de windmolens waarbij rekening wordt gehouden met onderhoud en afbreken.


Wonen wordt gezien als een van de meest kansrijke economische dragers voor bosaanleg. Hierbij is van belang dat gemeenten bij gronduitgifte of vergunningverlening eisen stellen aan bosaanleg.

11. Hoe worden gemeenten gestimuleerd om deze eisen te stellen?

Antwoord:
Wij leggen gemeenten geen eisen op voor bosaanleg bij woonlocaties. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat bosaanleg de kwaliteit van woonlocaties verhoogt en de IOV staat dat ook toe. In de Omgevingsvisie en de IOV is voor bosaanleg geen stimuleringskader opgenomen. Het is het aan de gemeenten en projectontwikkelaars om bosaanleg mogelijk te maken gezien de geschetste voordelen.


12. Wordt dit een verplichting voor gemeenten en de bouwsector, of is dit een vrijblijvende maatregel?

Antwoord:
Zie antwoord vraag 11.