Mega­stal­len­debat


19 maart 2010

Provinciale Staten, s-Hertogenbosch, 19 maart 2010,

Voorzitter,

U kunt zich voorstellen dat de Partij voor de Dieren bijzonder blij is met dit Burgerinitiatief. Ik heb grote waardering voor het vele werk dat de kerngroep van dit initiatief, en met name Sonja Borsboom en Jeanne Stoks, hebben geleverd. 33.000 Brabanders vragen om een duurzame veehouderij waar respect voor mensen, dieren en leefomgeving centraal staan. Ik hoop dat die vandaag niet worden teleurgesteld.

De reactie van GS vind ik echter zorgwekkend. Het is een mozaïek van ad hoc reacties waarbij de feitelijke situatie leidend is in plaats van een toekomstbestendige visie. Neem bijvoorbeeld de geitenhouderijen. Houdt men zich uit voorzorg aan de meest veilige geadviseerde afstand dan is er geen intensieve geitenhouderij meer mogelijk in Brabant. Hetzelfde geldt voor de afstandscriteria tussen andere veehouderijen of de gemengde bedrijven in Brabant. Wat doet GS? Zij neemt de bestaande toestand als leidend principe, niet gezondheid! In plaats van de pijnlijke constatering toe te laten dat met gezondheid als leidend principe er maar één conclusie mogelijk is: in Brabant is simpelweg onvoldoende ruimte om de geadviseerde afstanden door te voeren met behoud van de vele iv.

GS heeft duidelijk geen oog voor de onhoudbaarheid van de bio-industrie vanuit milieu/natuur/gezondheidsoogpunt. En ook niet voor het feit dat boeren met een megastal ook voor zichzelf een doodlopende weg creëren. Schaalvergroting, kostprijsverlaging en bulkproductie zullen veehouders alleen verder in de neergaande spiraal brengen.

De Partij voor de Dieren wil dat boeren een toekomst houden in Nederland. Dat ze trots kunnen zijn op hun bedrijf en bezoekers frank en vrij kunnen rondleiden, zonder dat iedereen in steriele pakken moet en daarna douchen. Wij zijn voor een warme sanering en geen koude zoals nu harteloos gebeurt. Wij zijn voor de nieuwe Brabantse boer, die dierenwelzijn hoog in het vaandel heeft en met zijn gezonde en sterke buitenlucht dieren hoog scoort op de consumentenmarkt. De misgelopen opbrengsten vanwege het verdwijnen van de intensieve veehouderij zullen we dubbel en dwars terug verdienen. We krijgen weer schone lucht, schoon water en een schone bodem. Het kostbaarste wat we kunnen bezitten. En recreatie en toerisme zullen een grote impuls krijgen omdat het Brabantse landschap weer in ere kan worden hersteld.

Door het voorzorgsbeginsel te negeren, ontloopt GS de verantwoordelijkheid van bestuurders om eerst de risico's in kaart te brengen alvorens beslissingen te nemen. Hoeveel risico’s mogen de burgers lopen voordat er echt ingegrepen wordt? Kijk naar de q-koorts. Jarenlang is er niets ondernomen, vanwege een gebrek aan kennis en daadkracht. Hierdoor kon het volkomen uit de klauwen lopen. De kans dat dit met MRSA, ESBL’s en andere ziekten gaat gebeuren is zeker niet uit te sluiten. Waarom dan de 'na ons de zondvloed' aanpak? We zien nu al dat saneren van de geitenhouderij onbetaalbaar is als we de cijfers van de ZLTO mogen geloven waarop GS nu blind op vaart.
Het voorzorgsprincipe moet de basis zijn! Zeker nu er nog een onderzoek loopt. En dat zou betekenen dat er onmiddellijke bouwstop zou moeten worden ingesteld, in ieder geval totdat de resultaten bekend zijn. Graag een reactie op dit voorstel.

De huidige vee-industrie legt een zware druk op het milieu, op het welzijn en de gezondheid van mensen en op het welzijn en de gezondheid van dieren. Tien jaar geleden sprak de commissie Wijfels al over de noodzaak tot een herontwerp van de veehouderij. Helaas is daar het afgelopen decennium niets van terecht gekomen. Brabant heeft de grootste veedichtheid van Nederland. 32,5 miljoen varkens, kippen en geiten leven tussen 2,4 miljoen burgers. Dat is bijna 14 dieren per Brabander en hun aantal groeit nog steeds. Met desastreuze gevolgen:
• De stank is fors toegenomen
• De ammoniakuitstoot tast de natuur ernstig aan waardoor soorten uitsterven en de kwaliteit van onze leefomgeving achteruit holt.
• Er komen steeds meer dierziekten die voor mensen gevaarlijk zijn en bijna niet meer lijken uit te bannen (varkenspest, vogelgriep, MRSA, Q-koorts).
• We hebben te maken met een ernstig verstoorde kringloop. Of zoals Veerman het in 2006 al zei: we importeren grote hoeveelheden voer, we exporteren vlees en de rommel houden we hier. Dat systeem is vastgelopen.
• We laten dieren het onderspit delven in gesloten stalsystemen die de kans op vrije uitloop verder minimaliseren.
• En we staan het toe dat toeristen en recreanten uit angst voor ziektes Brabant ontlopen.
• de LOG’s dreigen ‘no go area’s te worden. Daar kunnen grootschalige uitbreidingen plaatsvinden, ook van de geitenhouderij. Als het aan GS ligt, moet de log het afvoerputje van Brabant worden waar alles wat we in de rest van Brabant niet meer willen wel is toegestaan. Maar ook in de LOG’s wonen en recreëren mensen. En een virus of bacterie dat met de wind verwaait, houdt zich niet aan de grenzen van een LOG.

Het is duidelijk. Mensen, dieren en onze leefomgeving lijden onder de bio-industrie. Het enige verweer is dat de sector belangrijk voor onze economie is. Maar tegen welke prijs? De maatschappelijke kosten die we via ons belastinggeld moeten betalen om de uitwassen van de vee-industrie weer op te ruimen, bedragen miljarden. Als de vervuiler daadwerkelijk zelf alles zou betalen, wordt gangbaar vlees waarschijnlijk onbetaalbaar. Want wat is het prijskaartje dat hangt aan de tropische bossen die zijn weggekapt voor het biefstukje op ons bord?

Het inzetten van dure, vaak zelfs niet gecertificeerde en bewezen ontoereikende technologie om de negatieve impact van de vee-industrie op mens, dier, natuur en milieu aan te pakken, is als het plakken van pleisters op een gapende wond. Zowel in extensiveringsgebied, als in verwevingsgebied en in de LOG’s is groei mogelijk van intensieve veehouderij volgens de voorstellen van GS. Het geven van deze ontwikkelingsruimte draagt echter niet bij aan een ander type sector. Integendeel, het zet de hele sector weer voor jaren vast in een ongewenste richting waarvoor geen maatschappelijk draagvlak is. Het draagt niet bij aan een toekomstbestendige dierhouderij. Doorgaan op deze weg betekent uiteindelijk het verdwijnen van de familiebedrijven en een monopolie positie voor enkele grote ondernemers. En het kan leiden tot onbeheersbare risico's voor de volksgezondheid. Daar zit toch niemand op te wachten?

Voorzitter. Willen we boeren een toekomst geven in Noord-Brabant, deze “binnentuin in verstedelijkt gebied”, dan zullen we van kwantiteit naar kwaliteit moeten overschakelen. De veehouderij zal een verantwoorde plaats moeten krijgen in de samenleving en het Brabantse buitengebied. Daarvoor zijn ombuigingen nodig, die de economische concurrentiekracht en werkgelegenheid versterken en tegelijkertijd een sociale en ecologisch gezonde dierhouderij garanderen. Dat vergt een langetermijnvisie die mede ontwikkeld dient te worden vanuit het besef dat Nederland onlosmakelijk verbonden is met de rest van de wereld.

Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen zullen het vertrekpunt moeten zijn bij het ontwikkelen van deze nieuwe visie. Eén ding is dan wel duidelijk: voor de grootschalige vee-industrie is in deze “binnentuin in verstedelijkt gebied” geen plaats.

Dit vraagt om een herbezinning over hoe we met elkaar omgaan en hoe we in de toekomst de landbouw op een duurzame wijze kunnen inrichten. Zodanig dat de risico’s beheersbaar worden en er recht wordt gedaan aan het voorzorgsprincipe. We zullen op zoek moeten gaan naar een nieuwe balans, waarbij duidelijk grenzen worden gesteld en waarbij we niet moeten wachten op nieuwe uitbraken. De Partij voor de Dieren ziet een toekomst in Brabant voor kleinschalige, liefst biologisch dynamische dierhouderij, gecombineerd met andere zorg en recreatieve functies. Het aantal dieren moet daarbij drastisch omlaag. Dieren moeten weer kunnen grazen, scharrelen en wroeten. En consumenten betalen een eerlijke prijs voor een eerlijk product. Bij de q-koorts zagen we dat deze percentueel nauwelijks voorkomt bij biologische bedrijven (1,2 % t.o.v. 22%). Mrsa en esbl’s idem dito. Daar kunnen we van leren.

Het mag duidelijk zijn dat wij de voorstellen uit het Burgerinitiatief zien als een kans voor Brabant om zaken recht te zetten die de afgelopen decennia zo enorm verkeerd zijn gelopen. De Partij voor de Dieren omarmt het burgerinitiatief en spreekt haar steun uit voor de 11 voorstellen die zijn gedaan om de veehouderij in Brabant een toekomst te bieden. Ik ben blij te horen dat ook de fracties van … het voorstel zullen steunen. Samen kunnen we werken aan een Brabantse binnentuin waar we wel met zijn allen trots op kunnen zijn.

Interruptie GS

uitspraak van GS in memorie van antwoord: "volksgezondheid is een
maatschappelijke randvoorwaarde van betekenis" - WAT betekent dat?

Het is volgens onze adviseurs juridisch wél mogelijk om een bouwstop in te stellen zolang het gezondheidsonderzoek loopt. Analoog aan de bouwstop vanwege q-koorts kan ook vanuit het voorzorgsprincipe een bouwstop ingesteld worden vanwege potentiële risico's en de wens om later niet voor een voldongen feit te komen staan. Want hoe wil men voldoen aan de randvoorwaarde gezondheid als om praktische redenen afstandscriteria in de wind worden geslagen? Als we de randvoorwaarde gezondheid serieus nemen dan zijn er ernstige conclusies te trekken. Dan zullen alle intensieve geitenhouderijen opgedoekt moeten worden, dan kunnen we geen ruimte bieden aan gemengde bedrijven, en ja, dan is er maar ruimte voor circa 500 intensieve veehouderijen en ja dit kost allemaal geld, véél geld. Maar, deze praktische redenen mogen toch de randvoorwaarde niet opzij duwen zoals blijkt uit de voorstellen van GS! Gaan we daarin met GS mee, dan worden de toekomstige problemen alleen maar groter. Waarom in extensiveringsgebieden een eenmalige uitzondering toestaan mbt het bouwblok zodat het aantal dieren gelijk kan blijven?
Dat aantal moet juist omlaag. Waarom versoepeling zoeken van Nbwet terwijl het juist een prachtig instrument is om te reguleren? Waarom kan de intensieve geitenhouderij zich wel vestigen in een LOG? Waarom is bijvoorbeeld doorgroei in bouwblokken groter dan 1,5 ha aanvaardbaar in een LOG? Wonen daar geen mensen?

Ik hoor in het taalgebruik van burgers woorden als slagveld, slachtoffers, vijandig gebied. Het zijn gewoonweg oorlogstermen, die een belangrijk signaal vormen van de ongerustheid en boosheid die leeft onder mensen. Er moet blijkbaar een gigantische strijd worden gevoerd om de overheid duidelijk te maken dat het genoeg is geweest met pappen en nathouden. Asperientjes voor een doodzieke patiënt worden niet meer gepikt. We kunnen niet jaren achtereen ‘eerste stappen zetten’ richting duurzaamheid. Het is tijd voor een nieuw politiek leiderschap dat bereid is de situatie onder ogen te zien en dat voorbij de praktische obstakels durft in te zetten op een vernieuwing, of moeten we zeggen, een terugkeer naar een landbouw met respect voor mensen, dieren en de aarde als geheel.

Uit onderzoek blijkt duidelijk dat er een verband is tussen zowel bedrijfsgrootte als veedichtheid in een gebied én de kans op insleep en de verdere verspreiding van micro-organismen, waaronder bacteriën, virussen en parasieten, in bedrijven en het optreden van zoönosen. In een grotere populatie kunnen micro-organismen langer blijven circuleren, terwijl micro-organismen zich vaak minder lang in kleinere populaties kunnen handhaven. De verspreiding van micro-organismen vergemakkelijkt nog wanneer deze bedrijven relatief dicht opeen gelegen zijn, dwz minder dan 1-2 km (p15 RIVM). Uit onderzoeken blijkt dat in de eerste 1000 meter de grootste afname in incidentie optreedt; de besmetting van mogelijke mensen in dit gebied is voornamelijk aerogeen (via bio-aerosolen en/of fijnstof vanuit bedrijf of mest via de lucht).
De GGD heeft het over 1-3 km om verspreiding van dierziekten en zoönosen van het ene naar het andere bedrijf te verkomen. Drie kilometer is een zone die wordt gehanteerd bij de bestrijding van uitbraken van besmettelijke, aangifteplichtige, dierziekten (beschermingsgebied). Een en twee kilometer worden in de literatuur genoemd als afstanden waarbinnen het risico op bijvoorbeeld influenza virus overdracht tussen bedrijven duidelijk verhoogd is. Maar waar in Brabant is deze ruimte voorhanden? In het zwaar door ammoniak belaste Natura 2000 gebied de Peel? Maken we daar een no go area van door daar bijvoorbeeld doorgroei van de intensieve geitenhouderij toe te staan? Het RIVM en de GGD zijn ook overduidelijk waar het gemengde bedrijven betreft. Men adviseert geen varkens en pluimvee op één locatie te huisvesten, vanwege de mogelijkheid tot langdurig circuleren en mogelijk uitwisselen van erfelijk materiaal van influenza virussen met als gevolg het ontstaan van pandemievirussen. Waar in de binnentuin Brabant is voldoende ruimte voor de geadviseerde afstanden? En, ligt er een plan klaar wat te doen bij een mogelijke uitbraak?
De bevolkingsdichtheid is alleen maar toegenomen. De afstand tussen mens en dier is steeds kleiner is geworden, met alle risico’s van dien, dat ziekten snel worden overgedragen van dier naar mens. Oók in de LOG’s. . - de vee-industrie is nu al ziekmakend. Hoeveel slachtoffers moeten er nog
vallen voordat GS ziet dat deze situatie onhoudbaar is? . - GS wil doorgaan met het bouwen van een tijdbom in het buitengebied.
Onbegrijpelijk. -

1
door de versoepeling van het geurhinderbeleid, (In de Herziening Nota Stankbeleid wordt een concrete beleidsdoelstelling geformuleerd voor 2010. In de nota wordt gesteld dat dan geen ernstig stankgehinderden meer mogen bestaan. Daarbij wordt ook een concrete norm genoemd: 5 Odourunits /m3. Met de nu geldende normen wordt voor veel woningen een stankbelasting toegestaan tot 14 OU/m3 (!), en onder omstandigheden nog meer.)
2
de ammoniak uitstoot - met het huidige beleid zal in 2020 slechts 30 % van de Nederlandse natuur afdoende zijn beschermd tegen teveel ammoniakemissies, de stikstof belasting is vele malen hoger dan de natuurwaarden aankunnen – ( denk aan de Wav van 3000 naar 250 m; groter dan 50 he, er gelden nu emissiereductiemaatregelen per dierplaats (Besluit Huisvesting). Waar echter een reductie van 50% per dierplaats wordt gerealiseerd, maar ook 2x zoveel dieren worden gehouden (opvullen), wordt op bedrijfsniveau geen enkele milieuwinst behaald. Worden 4x zoveel dieren gehouden bij 50% reductie per dierplaats, dan verdubbelt de emissie. Opvullen is vaste praktijk in de veehouderij. Fors nadeel van volledig opvullen is ook dat technische emissiereductiecapaciteit ten behoeve van het milieu teniet wordt gedaan), Voorbeeld: De afgelopen 15 jaar zijn de milieunormen voor stank en ammoniak fors versoepeld. Onder de oude milieunormen kan aan de rand van het Limburgse dorp Ospel een zeugenbedrijf onmogelijk uitbreiden. Met de gewijzigde milieunormen kan het bedrijf groeien tot het grootste zeugenbedrijf van Nederland.
3
CE 2005, de onbetaalde rekening van de veehouderij: jaarlijks 1,7 miljard euro aan maatschappelijke kosten (bv ammoniak, dierziekten). Dat is 120 euro per Nederlander per jaar.

Wij zijn tegen:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer