Opinie: Besteed cultuur­sub­sidie daar waar het echt nodig is


6 maart 2017

Het Brabant C-fonds dient de top van de culturele sector te helpen een ondernemende sector te worden. Twee jaar na de start van dit fonds wijst niets er op dat dit doel bereikt zal gaan, zo blijkt uit de eerste evaluatie. Inmiddels zijn al wel miljoenen euro’s aan subsidie vergeven. De voor Brabant C beschikbare middelen zouden beter besteed kunnen worden aan de kunstinstellingen die essentieel zijn voor de Brabantse culturele infrastructuur maar waarvan de ondersteuning eind 2016 is stopgezet, zoals United Cowboys, Trash en Vloeistof.

Cultuur is een erg belangrijk onderdeel van de samenleving. Kunst en cultuur zetten aan tot reflectie, maken emoties los, ontroeren of ontregelen. Kunst stimuleert mensen buiten gebaande paden te denken. Het is de aanzet tot de transformatie, verandering en innovatie die de samenleving hard nodig heeft.

Juist vanwege het baanbrekende karakter van de innovatievere cultuurinitiatieven, kan dit deel van de cultuursector per definitie niet zozeer ondernemend en zelfvoorzienend zijn. Experimentele cultuur is een noodzakelijk goed voor een innovatieve samenleving, maar is niet onderhevig te maken aan de markt van het dogmatische, economistische denken.

Het Brabant C-fonds heeft 25 miljoen euro voor vier jaar ter beschikking om het meer populaire deel van de culturele sector te helpen ondernemend te worden. Het gaat om initiatieven van (inter)nationaal niveau, waarvan vanwege het grotere publiek inderdaad gedeeltelijk zelfvoorziening is te verwachten. Maar het Brabant C-fonds heeft sinds haar oprichting vrijwel alleen nog maar subsidies verleend, blijkt uit de laatste evaluatie. Slechts drie van de 22 aanvragen bestonden uit een lening of garantstelling, terwijl het fonds een inspanningsverplichting heeft om revolverend te zijn. Oftewel, het geld moet ook terugverdiend worden.

Met organisatiekosten van 750.000 euro per jaar mag je toch wel wat meer verwachten dan het vergeven van subsidies aan de toch al grote culturele instellingen. Maar harde eisen hierover zijn er niet, aangezien er helemaal geen zogeheten prestatie-indicatoren zijn geformuleerd. Hierdoor kan tussentijds niet worden beoordeeld of het geld goed wordt besteed. Er is alleen de inspanningsverplichting tot die revolverendheid en daar is in de uitvoering tot nu toe nagenoeg niets van terecht gekomen. De doelen die wel zijn gesteld, zijn stippen op een verre horizon, waarvan we pas weten of ze zijn bereikt als al het geld al is uitgegeven.

Een ogenschijnlijk positief punt dat in de evaluatie wordt genoemd, is dat de gewenste multiplier ruimschoots wordt behaald. In feite betekent dit dat voor elke euro die vanuit Brabant C naar een project gaat, een bepaald meervoud aan euro’s vanuit andere bronnen aan dat project is uitgegeven. Dat zegt vrij weinig, want hoe lager de bijdrage van de provincie aan de totale uitgave is, hoe hoger de multiplier wordt. Met andere woorden: als subsidie wordt vergeven die maximaal één procent van een totaal budget mag zijn, wordt een multiplier van 100 behaald! Het is een beetje valsspelen. Bovendien zegt het niets over de mate waarin het geld uit het fonds wordt terugverdiend, wat toch het uiteindelijke doel is van Brabant C.

Kortom, Brabant C boekt tot nu een erg teleurstellend resultaat. Met in het achterhoofd het gegeven dat de provincie vorig jaar niet bereid was om de Brabantse dansinstellingen te ondersteunen, is het Brabant C-fonds een pijnlijke aangelegenheid. Wat de Partij voor de Dieren betreft gaat de stekker uit deze aanpak en besteedt de provincie de resterende middelen aan de instellingen die eind 2016 nul op het rekest kregen en daaraan ten onder dreigen te gaan.


Marco van der Wel