Opinie: De mythe van de mest­ver­gister


20 december 2012

Het vergisten van mest wordt steeds vaker gezien als dé oplossing voor het mestprobleem in Nederland. Brabant kampt al jaren met een mestoverschot; de mestvergisters schieten hier dan ook als paddestoelen uit de grond. Het gebruik van deze mestfabrieken zorgt echter voor meer problemen dan oplossingen.

De mestvergister is in opkomst. Bovenop de reeds bestaande mestfabrieken, liggen er plannen om in Weert mest te vergisten op een ‘biocampus’. In buurtschap de Logt in de gemeente Oisterwijk staat ook een mestfabriek op stapel, net als in Halsters Laag bij Bergen op Zoom. De verwachting is dat er nog veel zullen volgen. Aan provincie en gemeenten zal het niet liggen; het bevoegd gezag draagt de opmars van de mestfabriek een warm hart toe.

Mestvergisters worden mogelijk gemaakt bij projecten zoals in De Logt in Oisterwijk waar mestvergisters tot provinciaal worden beleid worden gemaakt. Hierbij werkt de provincie mee om de Verordening Ruimte (en op termijn bestemmingsplannen) aan te passen en dus mestvergisters mogelijk te maken op locaties waar het eigenlijk niet mag. Voorstanders van mestvergisters stellen vaak dat mestvergisting een pasklare oplossing biedt voor de vermindering van stikstofbelasting. Het digestaat, oftewel het restproduct, bevat echter meer stikstof dan de oorspronkelijke mest. Voorstanders voeren ook dikwijls aan dat de mineralenkringloop beter kan worden gesloten. Niets is echter minder waar. Door het gebruik van mestvergisters, neemt de hoeveelheid mineralen juist toe omdat aan de mest extra organisch materiaal zoals maïs wordt toegevoegd.

Mijn grootste bezwaar tegen het gebruik van mestvergisters is dat het de intensieve veehouderij een nog prominentere plek geeft in de samenleving. Doordat mest nu een noodzakelijk middel wordt om energie op te wekken, is er voor de agrariër geen reden meer om de veestapel uit te dunnen en daarmee het dierenwelzijn te verbeteren. De laatste jaren is ook gebleken dat de kwaliteit van leven voor omwonenden in meerdere opzichten achteruit gaat. Stankoverlast is hierbij het grootste probleem. Mestvergisters zorgen voor een andere ruimtelijke verdeling van geur en dat heeft een grote impact op de belevingswaarde. Mestvergisters zorgen daarnaast ook voor geluidsoverlast, stof en verkeersbewegingen behorende bij de bedrijfsvoering.

Het meest schrijnende aan bovenstaande problematiek is misschien nog wel dat zelfs natuurbeschermingsorganisaties zoals Natuurmonumenten en particulieren zoals de eigenaars van landgoed Rosephoeve in Oisterwijk meegaan in deze catastrofale beweging. In ruil voor het toestaan van een mestvergister krijgen natuurbeschermers en landgoedeigenaren geld om kwetsbare natuur in stand te houden. Het kleine beetje extra natuur staat echter absoluut niet in proportie met de schade die wordt aangericht door de milieuproblemen die de intensieve veehouderij met zich meebrengt. Het is dan ook onbegrijpelijk dat natuurorganisaties hun geloofwaardigheid en goede reputatie te grabbel gooien door samenwerkingsverbanden aan te gaan met de vervuiler. De vervuiler verdient, de natuur betaalt eens te meer de rekening.

Er wordt te veel mest geproduceerd in Brabant, dat staat buiten kijf. Maar dat betekent niet dat mestvergisting de beste oplossing is voor dit probleem. Mestverwerking brengt een onuitputtelijke stroom van negatieve effecten met zich mee. Het is zaak dat er door agrariërs en het bevoegd gezag wordt gekeken naar alternatieven voor het mestprobleem, zoals het verkleinen van de veestapel. Oogkleppen moeten af, vee moet diervriendelijk worden behandeld en natuurorganisaties zouden er goed aan doen om hun statuten nog eens na te lezen. Op die manier dwalen zij in het vervolg hopelijk minder af van hun doelstellingen.


Marco van der Wel is Statenlid in Brabant namens de Partij voor de Dieren