Opinie: Er hangt een politiek luchtje aan het Brabants mest­fa­brie­kenplan


22 februari 2021

Op agrarische nieuwswebsite Nieuwe Oogst stonden recent berichten over het mestfabriekenplan voor Brabant. Je kunt er lezen dat het ‘plan’ van CDA-gedeputeerde Lemkes-Straver steeds concreter wordt. Maar tot nu toe zijn Provinciale Staten er nauwelijks bij betrokken, we tasten in het duister. Waar in Brabant komen die tientallen mestfabrieken, en welke milieueisen worden er gesteld? Niemand die het weet. In plaats van met de burger te praten wordt er door de gedeputeerde en mestbelangenclubs, achter de rug van de burger om, vooral over de burger gepraat. En die burgers krijgen een megamestfabriek in hun gemeente, of ze dat nou willen of niet.

Volksvertegenwoordigers buiten spel
In het mestfabriekenplan wordt gewerkt met een kaart van Brabant en een plan-MER, zijnde criteria voor het ‘milieu’. Zo worden er meer dan 100 mogelijke nieuwe locaties aangewezen voor industriële installaties die het immense mestoverschot van Brabant moeten wegwerken. De ‘milieucriteria’ worden achter gesloten deuren besproken, en de vraag is of die criteria niet gewoon het absolute minimum zijn om zo veel mogelijk locaties als probleemloos te kunnen bestempelen.

De politieke keuzes rond mestfabrieken zijn uiteindelijk aan Provinciale Staten (PS), als gekozen volksvertegenwoordiging van de Brabanders. Al in oktober 2019 heeft de Partij voor de Dieren daarom een debat aangevraagd over de eisen en voorwaarden die we aan grootschalige mestbewerking in Brabant moeten stellen. Niet dat we meer mestfabrieken willen, maar wel dat we de strengst mogelijke milieueisen nodig achten. Bovendien vinden we dat inwoners van gemeentes actief betrokken moeten worden bij het beleid.

Het is aan PS om de kaders te bepalen, maar tot op heden zijn we buiten de deur gehouden, en dat terwijl belangenorganisaties als ZLTO, POV en Cumela wel aan de tekentafel zitten. Met dit plan-MER wordt bestuurlijk de weg geplaveid voor megamestfabrieken in Brabant, zodat aanvragers dadelijk makkelijk een industriële installatie kunnen starten, zonder veel weerstand. Als het zo ver is rollen de mestfabrieken Brabant binnen en hebben burgers en gemeenten het maar te slikken.

Als organisaties als Nederlands Centrum Mestverwaarding en ZLTO dit plan in de media al de hemel in prijzen, dan weet je als burger zeker dat het zaakje stinkt. De gedeputeerde stelt dat het plan-MER in goed overleg met de gemeenten wordt ontwikkeld, maar zodra gemeenten er lucht van hebben gekregen is het verzet tegen mestfabrieken al op gang gekomen. Recent heeft gemeente Woensdrecht al onomwonden laten weten géén mestfabrieken in de gemeente te willen.

De provincie drukt mestfabrieken gewoon door
In Oss zullen ze het statement uit Woensdrecht met een dubbel gevoel hebben waargenomen. Want het is goed dat er meer gemeenten in verzet komen, maar Oss weet als geen ander dat de provincie een megamestfabriek er desnoods gewoon doorheen dramt, ondanks een duidelijk ‘nee!’ van lokale politiek en bevolking. Het plan-MER hangt nu als een zwaard van Damocles boven de Brabantse gemeenten zoals Oss en Woensdrecht.

Geen oplossing voor, maar symptoom van mestoverschot
Belangenorganisatie ZLTO zet tegenstanders van mestfabrieken – gemeenten en bewoners – bij voorbaat weg als NIMBY’s: “mensen willen het gewoon niet in hun achtertuin”. Om gemeenten over te halen om toch een megamestfabriek te willen, worden allemaal gelegenheidsargumenten uit de hoge hoed getoverd. Zo zou een mestfabriek ‘groen’ gas produceren of levert gescheiden mest ‘nuttige’ producten op. Wat ze er niet bij vertellen is dat het verwerken van mest het mestoverschot niet oplost, veel energie kost en voor overlast zorgt, ook op aangewezen industrieterreinen. Het is niet meer dan greenwashing van het mestprobleem.

Mestfabrieken zijn geen oplossing, maar een symptoom van het mestoverschot van de uit de kluiten gewassen bio-industrie. Sterker nog, mestfabrieken zijn voor hun business case afhankelijk van mest, en hebben dus financieel belang bij het in stand houden van het mestoverschot. Waarom zouden we nu miljoenen gemeenschapsgeld in deze overlast gevende fabrieken pompen om ze over 15 tot 20 jaar weer te slopen? Vergeet het maar, met mestfabrieken in ons land blijven megastallen in stand.

De provincie Brabant zegt dat ze inzet op natuurinclusieve, grondgebonden landbouw; landbouw in harmonie met milieu, natuur en landschap en gesloten kringlopen. Ieder weldenkend mens snapt dan dat industriële mestbewerkingsinstallaties niet passen in dit concept van het sluiten van kringlopen. Toch worden de mestfabrieken er nu met de nodige greenwashing doorheen gedrukt, juist vanwege de financiële belangen van de industriële agrarische ondernemers.

Draagvlak
Nu het langzaamaan bekend wordt dat het om meer dan honderd potentiële locaties voor nieuwe mestfabrieken gaat, groeit het verzet vanuit gemeenten en bevolking. Dit is tekenend voor het proces dat de gedeputeerde doorloopt met het plan-MER voor mestfabrieken. Er zijn belangengroepen die de stem van de Brabanders moeten vertegenwoordigen, maar de vraag is of zij een eerlijke strijd voeren tegenover het geweld van mestgiganten en provincie. Krijgen ze voldoende ruimte voor hun doelstellingen van minder mest en dus minder mestfabrieken?

Het college van VVD, CDA, FvD, Groep Rutjens en Lokaal Brabant blaast hoog van de provinciale toren over transparantie, draagvlak en een correctief referendum. Ondertussen laten ze het schimmige mestberaad gewoon doorgaan. Is er nog een noodrem mogelijk? Als het gezond verstand Provinciale Staten in de steek laat, dan is dit mestfabriekenplan volgens mij het perfecte onderwerp voor het eerste Brabantse bindend referendum.


Anne-Miep Vlasveld is Statenlid en woordvoerder landbouw namens de Partij voor de Dieren in Noord-Brabant.