Tech­nische vragen over de onge­brei­delde uitbreiding van inten­sieve veehou­derij in het noor­de­lijke grens­gebied van Vlaan­deren, België


Indiendatum: 22 dec. 2020

In november hebben GS en PS een brief ontvangen van een groep bezorgde bewoners uit de gemeente Zundert (ingekomen stuk nr. 7 op de agendavergadering van 14 december 2020). De schrijvers maken zich zorgen om de ongebreidelde uitbreiding van intensieve veehouderij in het grensgebied.

In de Vlaamse media is dit ook een terugkerend onderwerp. Eind november publiceerde De Standaard een uitgebreid artikel over de ontwikkelingen van intensieve veehouderij in het gebied aan de grens met Brabant:

‘Vlaanderen lijkt een wingewest te worden van de Nederlandse agro-industrie, zegt Bart Vanwildemeersch van de West-Vlaamse Milieufederatie. ‘Dat is de vrije marktwerking, op zich is daar niets mis mee. Maar megastallen zijn geen supermarkten of webshops. Ze veroorzaken stikstof, geurhinder, mobiliteits- en gezondheidsproblemen. Als we niet opletten, gaan Nederlandse multinationals met de winsten lopen, en blijven wij achter met de mest en de overlast.’

Er lijkt een verplaatsing van intensieve veehouderij gaande, van Brabant naar net over de grens in België. Wij hebben hierover enkele vragen.

1. Graag krijgen wij een afschrift van de reactie van GS op de brief.

2. Tenzij er in de reactie op de brief (voorgaande vraag) de daarin gestelde vragen al inhoudelijk zijn beantwoord, krijgen wij graag alsnog antwoord op de in de brief gestelde vragen i t/m iv;

i) Maakt de Provincie Brabant bij de Vlaamse vergunningsverlening aan de uitbreiding van veestallen in het grensgebied altijd gebruik van het adviesrecht? Zo niet, wat is daarbij de afweging?
ii) Indien de Provincie Brabant bij de in de brief aangehaalde voorbeelden uit Wuustwezel en Hoogstraten gebruik heeft gemaakt van het adviesrecht, wat heeft de Provincie Brabant de Provincie Antwerpen in dezen geadviseerd?
iii) Welke beoordelingscriteria hanteert de Provincie Brabant bij de toetsing van de Vlaamse vergunningsaanvragen?
iv) Is de ongebreidelde toename van de intensieve veehouderij in de grensstreek voor de Provincie Brabant aanleiding om op dit punt specifiek beleid te ontwikkelen, c.q. beleidsafstemming te zoeken met de Belgische autoriteiten?

3. Welke informatie is bekend over de effecten, van uitbreiding van de intensieve veehouderij in Vlaanderen, op de leefomgeving en volksgezondheid in Brabant?

4. Welke informatie is bekend over de effecten, van uitbreiding van de intensieve veehouderij in Vlaanderen, op Natura 2000 en natuur in het algemeen in Brabant?

5. Kunnen stoppende veehouderijondernemers van bedrijven in Brabant, middels de verschillende hiervoor beschikbare regelingen van het Rijk (zoals de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen) en de provincie (zoals de Sloopvergoeding stallen), over de landsgrens een nieuw bedrijf beginnen? Zo ja, welke voorwaarden zijn hierover opgenomen in de verschillende regelingen?

6. Hoe wordt voorkomen dat met gemeenschapsgeld uitgekochte stoppers over de grens herstarten, waarmee de effecten op de omgeving mogelijk weinig tot niet afnemen?

Indiendatum: 22 dec. 2020
Antwoorddatum: 11 jan. 2021

In november hebben GS en PS een brief ontvangen van een groep bezorgde bewoners uit de gemeente Zundert (ingekomen stuk nr. 7 op de agendavergadering van 14 december 2020). De schrijvers maken zich zorgen om de ongebreidelde uitbreiding van intensieve veehouderij in het grensgebied.

In de Vlaamse media is dit ook een terugkerend onderwerp. Eind november publiceerde De Standaard een uitgebreid artikel over de ontwikkelingen van intensieve veehouderij in het gebied aan de grens met Brabant:

“‘Vlaanderen lijkt een wingewest te worden van de Nederlandse agro-industrie, zegt Bart Vanwildemeersch van de West-Vlaamse Milieufederatie. ‘Dat is de vrije marktwerking, op zich is daar niets mis mee. Maar megastallen zijn geen supermarkten of webshops. Ze veroorzaken stikstof, geurhinder, mobiliteits- en gezondheidsproblemen. Als we niet opletten, gaan Nederlandse multinationals met de winsten lopen, en blijven wij achter met de mest en de overlast.’”

Er lijkt een verplaatsing van intensieve veehouderij gaande, van Brabant naar net over de grens in België. Wij hebben hierover enkele vragen.

1. Graag krijgen wij een afschrift van de reactie van GS op de brief.

Antwoord:
Een afschrift van de brief d.d. 15 december 2020 (kenmerk C2272578/4794506) is als bijlage aan deze brief toegevoegd.


2. Tenzij er in de reactie op de brief (voorgaande vraag) de daarin gestelde vragen al inhoudelijk zijn beantwoord, krijgen wij graag alsnog antwoord op de in de brief gestelde vragen i t/m iv;

i) Maakt de Provincie Brabant bij de Vlaamse vergunningsverlening aan de uitbreiding van veestallen in het grensgebied altijd gebruik van het adviesrecht? Zo niet, wat is daarbij de afweging?
ii) Indien de Provincie Brabant bij de in de brief aangehaalde voorbeelden uit Wuustwezel en Hoogstraten gebruik heeft gemaakt van het adviesrecht, wat heeft de Provincie Brabant de Provincie Antwerpen in dezen geadviseerd?
iii) Welke beoordelingscriteria hanteert de Provincie Brabant bij de toetsing van de Vlaamse vergunningsaanvragen?
iv) Is de ongebreidelde toename van de intensieve veehouderij in de grensstreek voor de Provincie Brabant aanleiding om op dit punt specifiek beleid te ontwikkelen, c.q. beleidsafstemming te zoeken met de Belgische autoriteiten?

Antwoord:
Op al deze vragen is namens Gedeputeerde Staten van NoordBrabant gereageerd in de brief d.d. 15 december (Bijlage 1), naar de inhoud waarvan ik u graag verwijs.


3. Welke informatie is bekend over de effecten, van uitbreiding van de intensieve veehouderij in Vlaanderen, op de leefomgeving en volksgezondheid in Brabant?

Antwoord:
Als provincie hebben wij geen algemeen beeld van de effecten op de leefomgeving en volksgezondheid in Brabant, die gevolg zijn van uitbreidingen van de intensieve veehouderij in Vlaanderen. Dit komt doordat we als provincie maar in een beperkt aantal gevallen betrokken worden bij dergelijke uitbreidingen.
Vooropgesteld moet worden dat wet- en regelgeving in Vlaanderen een gelijkwaardig beschermingsniveau borgt voor de omgeving als de Nederlandse, alleen al omdat de relevante regelgeving veelal Europeesrechtelijk van aard is.
Belangrijke uitzondering hierop is vooralsnog de wijze van beoordelen van stikstofdepositie. Daarbij moet worden opgemerkt dat in Vlaanderen hard gewerkt wordt aan ontwikkeling van hun definitieve PAS, streven is dat dit tot besluitvorming zal leiden medio 2021, waarmee naar verwachting het verschil tussen Vlaanderen en Nederland voor het overgrote deel zal zijn weggenomen.
Aanvullend hebben wij werkafspraken met de Vlaamse provincies Antwerpen en Limburg, om elkaar advies te vragen voor de gevallen waarin de provincies het bevoegd gezag zijn, bij nieuwe activiteiten binnen de 15 km van de landgrens voor BRZO-inrichtingen en 5 kilometer voor de overige inrichtingen waarvoor de Vlaamse grensprovincies het bevoegd gezag zijn. In de praktijk zijn dit alleen de grotere veehouderijbedrijven; voor de kleinere veehouderijbedrijven zijn de gemeenten bevoegd gezag. We hebben alleen inzicht in de effecten van initiatieven waar we verzocht worden om te adviseren, aan de hand van de aanvraag en bijbehorende rapporten.
Als provincie beschikken wij dus slechts over informatie betreffende de categorie bedrijven waarvoor onze Belgische collega-provincies het bevoegd gezag zijn (een fractie van de gehele intensieve veehouderij sector), en van die bedrijven slechts degenen die binnen 5 kilometer van de grens gevestigd zijn, en daarvan alleen de bedrijven waarover ons advies wordt gevraagd. De informatie die wij hebben, is zodoende te beperkt en te fragmentarisch om een beeld te geven van de effecten op Noord-Brabant van uitbreiding van de intensieve veehouderij in het noordelijke grensgebied van Vlaanderen.
Wel voeren wij, naast bovenstaande samenwerking, regulier overleg met het Rijk, collega grensprovincies en de Vlaamse overheden over eventuele grensoverschrijdende gevolgen van activiteiten. Ook in de Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof (BOS) wordt expliciet ingezet op depositiedaling uit het buitenland, door middel van grensoverschrijdende samenwerking en het verbeteren van inzicht in buitenlandse emissiebronnen.


4. Welke informatie is bekend over de effecten, van uitbreiding van de intensieve veehouderij in Vlaanderen, op Natura 2000 en natuur in het algemeen in Brabant?

Antwoord:
Zie hiervoor de beantwoording van vraag 3. De beantwoording van vraag 3 geldt ook voor de effecten op Natura2000 en natuur in het algemeen in Brabant. Daarnaast verwijs ik u naar hetgeen in de brief d.d. 15 december 2020 (Bijlage 1) is opgenomen bij het antwoord op vraag iii:
“Bij de beoordeling van Vlaamse initiatieven met een stikstofdepositie op de Noord- Brabantse stikstofgevoelige Natura2000-gebieden, hanteren wij het volgende kader:
- Bij een toename van de depositie onder de 1 mol/ha/jaar op een Brabants stikstofgevoelig Natura 2000-gebied reageren wij niet;
- Tussen de 1 en 3 mol vragen wij om een passende beoordeling;
- Boven de 3 mol eisen wij een passende beoordeling en stellen wij zo nodig beroep in.”


5. Kunnen stoppende veehouderijondernemers van bedrijven in Brabant, middels de verschillende hiervoor beschikbare regelingen van het Rijk (zoals de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen) en de provincie (zoals de Sloopvergoeding stallen), over de landsgrens een nieuw bedrijf beginnen? Zo ja, welke voorwaarden zijn hierover opgenomen in de verschillende regelingen?

Antwoord:
Ondernemers die gebruik maken van stoppers- en/of beëindigingsregelingen van het Rijk, is het toegestaan om naderhand in het buitenland een nieuw bedrijf beginnen. Er zijn hierover geen specifieke voorwaarden opgenomen in de stoppers- of beëindigingsregelingen van het Rijk. Provincie Noord-Brabant keert via een regeling geen sloopvergoedingen uit. Mogelijk doelde u hierbij op ‘Stalderen’. Dit is echter een regeling waarbij de provincie geen subsidie verstrekt.
Ondernemers die gebruik maken van de Ruimte voor Ruimte regeling, kunnen in ruil voor het slopen van stallen en inleveren van dierrechten bouwtitels krijgen. Ook hier vindt geen subsidieverstrekking plaats.


6. Hoe wordt voorkomen dat met gemeenschapsgeld uitgekochte stoppers over de grens herstarten, waarmee de effecten op de omgeving mogelijk weinig tot niet afnemen?

Antwoord:
Zoals is uiteengezet in het antwoord op vraag 5, strekken de stoppers- en beëindigingsregelingen van het Rijk er niet toe, het ondernemers te beletten om over de grens een bedrijf starten. Wel is het zo dat wij, zoals ook is vermeld in de brief d.d. 15 december 2020 (antwoord op vraag iv), regulier overleg voeren met het Rijk, collega-grensprovincies en de Vlaamse overheden over eventuele grensoverschrijdende gevolgen van vestiging of uitbreiding van veehouderijen aan de andere zijde van de landsgrens, of andere initiatieven met milieueffecten.