Tech­nische vragen over de start­no­titie Beleids­kader Landbouw en voedsel


Indiendatum: 4 dec. 2020

Na lang te hebben uitgekeken naar de startnotitie voor het beleidskader Landbouw en Voedsel hebben wij deze, en de begeleidende Statenmededeling, aandachtig gelezen. Daarbij zijn een aantal vragen bij ons gerezen, waarvan we hopen dat u ze kunt beantwoorden.

Met name voedselverwerking en groothandel maken de laatste jaren in Brabant een sterke groei door. Daarbij valt op, dat die groei vaak wordt gerealiseerd in kleinere bedrijven en startups die in staat zijn snel in te spelen op voor de transitie relevante trends.

1. Graag voorbeelden noemen van dit soort kleinere bedrijven en startups met een sterke groei.

Gezien deze diagnose behoeft de transitie van het Brabantse landbouw- en voedselsysteem dan ook versnelling én versterking. Dit lukt echter alleen als de gehele keten in beweging komt, van boer tot bord.
De laatste schakel van de voedselketen betreft het bord; de consument. Wij vinden in de startnotitie echter geen concrete aanwijzingen voor provinciaal beleid gericht op het in beweging krijgen van de consument.

2. Welke mogelijkheden zijn er om, ten behoeven van de transitie van het Brabantse landbouw- en voedselsysteem, de consument in beweging te krijgen? Hoe kan dit uiteindelijk een plek krijgen in het beleidskader?

Onder het innovatieve aspect van de ambitie voor dit beleidskader wordt verstaan:
Vernieuwen en optimaliseren van productie op het niveau van het individuele gewas en dier met nieuwe technieken, nieuwe bedrijvigheidsketens met exportpotentie ontwikkelen en ondersteunen, nieuwe productmarktcombinaties mee ontwikkelen die inspelen op consumentenwensen en op de vraag naar nieuwe biobased grondstoffen en ingrediënten.

3. Op welke wijze is het de bedoeling dat bij het ‘vernieuwen en optimaliseren van productie op het niveau van het individuele dier’ rekening wordt gehouden met het fysieke en geestelijke welzijn van individuele dieren? Hoe kan dit uiteindelijk een geborgde plek krijgen in het beleidskader?

4. Wat wordt verstaan onder een bedrijvigheidsketen, en wat kunnen voorbeelden zijn van nieuwe bedrijvigheidsketens met exportpotentie?

5. Wat wordt verstaan onder productmarktcombinaties, en kunt u daar voorbeelden van noemen?

Er worden drie doelstelling genoemd, voortkomend uit de ambitie en uitgangspunten. De eerste doelstelling luidt:
Brabant biedt op weg naar 2030 ruimte aan de voedselproductie van de toekomst: een voedselproductie die economisch, ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is en rendeert door nieuwe economische en maatschappelijke verdienmodellen.

6. Wat wordt er concreet verstaan onder ‘een voedselproductie die economisch, ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is’? Vallen natuurinclusieve en biologische landbouw hier onder?

7. Op welke wijze kan aangetoond worden in hoeverre een bepaalde voedselproductievorm ecologisch en maatschappelijk in balans is? Hoe wordt dit gekwantificeerd en op welke wijze kan, of gaat, dit geborgd worden in het beleidskader?

8. Is ‘voedselproductie van de toekomst’ momenteel niet al mogelijk in Brabant? M.a.w., wat moet er concreet veranderen om er ruimte voor te bieden?

9. Impliceert ‘biedt ruimte aan’ dat ‘de voedselproductie van de toekomst’ in Brabant ruimte moet krijgen náást andere vormen van voedselproductie (‘voedselproductie van het heden’ of ‘voedselproductie van het verleden’)? M.a.w., moet voedselproductie die níet ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is ook ruimte geboden blijven?

Het beleidskader kan met deze doelstellingen worden gezien als een brede uitnodiging gericht op vertrouwen van en samenwerking met partners en samenleving.

10. Welke instrumenten kan provincie inzetten om de gestelde doelen te bereiken, en welke keuze wordt in dat kader voorgesteld met deze startnotitie? Gaat het om zachte middelen, subsidies, of ook om striktere middelen, zoals regelgeving in de Omgevingsverordening?

In Tabel 2 staat onder ‘Slimme Regelgeving’ o.a. “Van middel- naar doelvoorschriften”.

11. Hoe zijn doelvoorschriften te monitoren en te handhaven?

In februari hebben Gedeputeerde Staten het Uitvoeringsprogramma Eiwittransitie 2020 vastgesteld. Tijdens de PS-vergadering van 3 juli jl. heeft onze fractie samen met GroenLinks een motie ingediend over het bepalen van prestatie-indicatoren voor dit uitvoeringsprogramma. Die motie is aangehouden nadat GS toezeiden met een opzet te komen voor prestatie-indicatoren.

12. Zijn er al resultaten van het uitvoeringsprogramma, en verbeterpunten voor een vervolg, te noemen?

13. Is er al een opzet voor prestatie-indicatoren voor het Uitvoeringsprogramma Eiwittransitie (het huidige programma, of het uitvoeringsprogramma dat op basis van het beleidskader wordt opgesteld)?

Indiendatum: 4 dec. 2020
Antwoorddatum: 10 dec. 2020

Na lang te hebben uitgekeken naar de startnotitie voor het beleidskader Landbouw en Voedsel hebben wij deze, en de begeleidende Statenmededeling, aandachtig gelezen. Daarbij zijn een aantal vragen bij ons gerezen, waarvan we hopen dat u ze kunt beantwoorden.

“Met name voedselverwerking en groothandel maken de laatste jaren in Brabant een sterke groei door. Daarbij valt op, dat die groei vaak wordt gerealiseerd in kleinere bedrijven en startups die in staat zijn snel in te spelen op voor de transitie relevante trends.”

1. Graag voorbeelden noemen van dit soort kleinere bedrijven en startups met een sterke groei.

Antwoord:
Vanuit de Provincie Noord-Brabant hebben we de laatste jaren verschillende startups op het gebied van voedsel gesteund. Zo zijn we betrokken geweest bij de Vegetarische Slager (via LIB), hebben we verschillende bedrijvigheid in de Jamfabriek gesteund en hebben we via de agrofoodpluimen bedrijven een podium geboden. Het gaat, behalve nieuwe concepten, zoals Hereboeren en Boerschappen, vaak ook om kleinere bedrijven in de verwerkende sfeer. Voorbeelden zijn bv Boon, Protix, Peelpioniers en de Lekkere Man.

“Gezien deze diagnose behoeft de transitie van het Brabantse landbouw- en voedselsysteem dan ook versnelling én versterking. Dit lukt echter alleen als de gehele keten in beweging komt, van boer tot bord.”
De laatste schakel van de voedselketen betreft het bord; de consument. Wij vinden in de startnotitie echter geen concrete aanwijzingen voor provinciaal beleid gericht op het in beweging krijgen van de consument.

2. Welke mogelijkheden zijn er om, ten behoeven van de transitie van het Brabantse landbouw- en voedselsysteem, de consument in beweging te krijgen? Hoe kan dit uiteindelijk een plek krijgen in het beleidskader?

Antwoord:
Wij zullen via het spoor “ontmoeten”, samen met onze partners dit uitwerken en een plaats geven in het beleidskader en uitvoeringsagenda. Daarbij zullen we ook de groepen uit de Voedsel1000 betrekken. We zien dat er een scala aan initiatieven is dat hier ook al op inspeelt zoals Herenboeren, Boerschappen, boerderijwinkels.

Onder het innovatieve aspect van de ambitie voor dit beleidskader wordt verstaan:
“Vernieuwen en optimaliseren van productie op het niveau van het individuele gewas en dier met nieuwe technieken, nieuwe bedrijvigheidsketens met exportpotentie ontwikkelen en ondersteunen, nieuwe productmarktcombinaties mee ontwikkelen die inspelen op consumentenwensen en op de vraag naar nieuwe biobased grondstoffen en ingrediënten.”

3. Op welke wijze is het de bedoeling dat bij het ‘vernieuwen en optimaliseren van productie op het niveau van het individuele dier’ rekening wordt gehouden met het fysieke en geestelijke welzijn van individuele dieren? Hoe kan dit uiteindelijk een geborgde plek krijgen in het beleidskader?

Antwoord:
Met bv sensoring en nieuwe datastromen kan meer gekeken worden naar het individuele dier ( of plant) en de behoefte daar meer op aanpassen. Voorbeelden zijn er bij de Kipster- of Rondeel stallen en de ‘Familievarkens’-stallen. Bij het ontwikkelen van nieuwe stalsystemen is dat een specifiek aandachtspunt.

4. Wat wordt verstaan onder een bedrijvigheidsketen, en wat kunnen voorbeelden zijn van nieuwe bedrijvigheidsketens met exportpotentie?

Antwoord:
Nieuwe bedrijvigheidsketens zijn nieuw te ontwikkelen (delen van) ketens die een oplossing bieden voor de maatschappelijke uitdagingen in Brabant, maar die tegelijkertijd mogelijkheden in zich hebben om die oplossing in andere delen van Europa en of de rest van de wereld op de markt te brengen.
Een voorbeeld dat recent in het nieuws was, betreft Plantlab. Een bedrijf dat al veel langer systemen over de wereld exporteert is Vencomatic.

5. Wat wordt verstaan onder productmarktcombinaties, en kunt u daar voorbeelden van noemen?

Antwoord:
Voorbeeld zijn nieuwe stalsystemen,als ook systemen voor reststroomverwaarding en voedselconservering. Maar bv ook Kipster in Limburg is een voorbeeld van een nieuwe product/marktcombinatie/keten. Daarnaast zullen er op het gebied van biobased en Non-food nieuwe product-marktcombinaties ontstaan, die vaak te maken hebben met de teelt van ingrediënten of verwerking tot geheel nieuwe producten. Hierbij hoort dan ook de productie van energie op agrarische bedrijven in de voedselketen. Tenslotte zien we op het gebied van maatschappelijke diensten en eco-diensten product-markcombinaties op het platteland ontstaan.

Er worden drie doelstelling genoemd, voortkomend uit de ambitie en uitgangspunten. De eerste doelstelling luidt:
“Brabant biedt op weg naar 2030 ruimte aan de voedselproductie van de toekomst: een voedselproductie die economisch, ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is en rendeert door nieuwe economische en maatschappelijke verdienmodellen.”

6. Wat wordt er concreet verstaan onder ‘een voedselproductie die economisch, ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is’? Vallen natuurinclusieve en biologische landbouw hier onder?

Antwoord:
Het beleidskader als totaal zal uitwerking geven aan de landbouw en voedselproductie in balans. Hieronder vallen zeker ook natuurinclusieve en biologische landbouw, maar ook ander vormen van landbouw en voedselproductie. Het gaat om balans in de gehele keten.

7. Op welke wijze kan aangetoond worden in hoeverre een bepaalde voedselproductievorm ecologisch en maatschappelijk in balans is? Hoe wordt dit gekwantificeerd en op welke wijze kan, of gaat, dit geborgd worden in het beleidskader?

Antwoord:
Dit gaan we doen door hiervoor geschikte KPI’s op te nemen in de uitvoeringsagenda. In het beleidskader werken we de richting uit.

8. Is ‘voedselproductie van de toekomst’ momenteel niet al mogelijk in Brabant? M.a.w., wat moet er concreet veranderen om er ruimte voor te bieden?

Antwoord:
Ja, er zijn al goede voorbeelden van voedselproductie van de toekomst in Brabant. Dan kan ook leiden tot een verder opschaling, mits de hele keten mee gaat doen.

9. Impliceert ‘biedt ruimte aan’ dat ‘de voedselproductie van de toekomst’ in Brabant ruimte moet krijgen náást andere vormen van voedselproductie (‘voedselproductie van het heden’ of ‘voedselproductie van het verleden’)? M.a.w., moet voedselproductie die níet ecologisch en maatschappelijk aantoonbaar in balans is ook ruimte geboden blijven?

Antwoord:
Dit is geen technische vraag: We zullen dit verder uitwerken in het beleidskader.

“Het beleidskader kan met deze doelstellingen worden gezien als een brede uitnodiging gericht op vertrouwen van en samenwerking met partners en samenleving.”

10. Welke instrumenten kan provincie inzetten om de gestelde doelen te bereiken, en welke keuze wordt in dat kader voorgesteld met deze startnotitie? Gaat het om zachte middelen, subsidies, of ook om striktere middelen, zoals regelgeving in de Omgevingsverordening?

Antwoord:
Het gaat in beginsel om een breed scala van instrumenten. We zullen dit scala aangeven in het Beleidskader en nader uitwerken in de Uitvoeringsagenda.

In Tabel 2 staat onder ‘Slimme Regelgeving’ o.a. “Van middel- naar doelvoorschriften”.

11. Hoe zijn doelvoorschriften te monitoren en te handhaven?

Antwoord:
Voorbeelden van methodes met doelvoorschriften zijn bv de biodiversiteitsmonitor en de BZV. Daarbij zijn er verschillende methodes van handhaving en monitoring voorstelbaar. We zullen dit in het beleidskader verder uitwerken. Veel handhaving vindt daarbij niet alleen door overheden plaats maar ook door onafhankelijke instanties ( bv SKAL)

In februari hebben Gedeputeerde Staten het Uitvoeringsprogramma Eiwittransitie 2020 vastgesteld. Tijdens de PS-vergadering van 3 juli jl. heeft onze fractie samen met GroenLinks een motie ingediend over het bepalen van prestatie-indicatoren voor dit uitvoeringsprogramma. Die motie is aangehouden nadat GS toezeiden met een opzet te komen voor prestatie-indicatoren.

12. Zijn er al resultaten van het uitvoeringsprogramma, en verbeterpunten voor een vervolg, te noemen?

Antwoord:
Nee, we gaan met een zorgvuldig proces na de startnotitie aan de slag met het Beleidskader en
parallel met de Uitvoeringsagenda.


13. Is er al een opzet voor prestatie-indicatoren voor het Uitvoeringsprogramma Eiwittransitie (het huidige programma, of het uitvoeringsprogramma dat op basis van het beleidskader wordt opgesteld)?

Antwoord:
Zie antwoord op vraag 12.