Tech­nische vragen over de staten­me­de­deling Actu­a­li­teiten Stikstof & bijdrage aan inter­pro­vin­ciaal program­ma­or­ga­ni­satie stikstof


Indiendatum: apr. 2020

De statenmededeling Actualiteiten Stikstof & bijdrage aan interprovinciaal programmaorganisatie stikstof heeft bij ons geleid tot de volgende technische vragen.

1. Twee van de drie bronmaatregelen van het stikstofregistratiesysteem (SSRS) zijn algemeen, te weten een verlaging van de snelheid van auto’s en het aanpassen van veevoer, en de derde maatregel is specifiek en meer lokaal, te weten de warme sanering van varkenshouderijen. Is het met deze maatregelen nog steeds mogelijk dat er door een woningbouw- of MIRT project lokaal te veel wordt uitgestoten op een Natura 2000-gebied? Zo nee, waarom niet?

2. De helft van de Nederlandse automobilisten die dagelijks rijdt zegt 'niet langzamer te gaan rijden' na invoering van de snelheidsverlaging van 130 naar 100 kilometer per uur. Op welke wijze is dit opgenomen in de berekeningen van de verlaging van stikstof door het verlagen van de snelheidslimiet?

3. De commissie Hordijk heeft geconcludeerd dat het huidige meetsysteem valide is, maar geeft wel enkele verbeteradviezen, zoals een uitbreiding van het aantal meetpunten. Waar komen deze extra meetpunten te staan?

4. Er is een marktonderzoek gaande om in de toekomstige situatie tot een helder afnamepad per Natura 2000-gebied te kunnen komen. Wie zijn betrokken bij dit marktonderzoek en wat wordt er precies onderzocht?

5. Hoe lang kan een vergunninghouder in totaal zijn ongebruikte stikstofruimte aan andere projecten verleasen? Wordt deze niet door de vergunninghouder gebruikte stikstofruimte behandeld als ongebruikte stikstofruimte in het kader van ‘use it or lose it’?

6. In concept is de gebiedsgerichte aanpak al vastgesteld. Hoeveel van deze projecten worden uitgevoerd in de daadwerkelijke Natura 2000-gebieden en hoeveel in de schil van de Natura 2000-gebieden?

7. In welke Natura 2000-gebieden worden door de gebiedsgerichte aanpak andere maatregelen getroffen dan de maatregelen die zijn verbonden aan de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied en zijn de effecten hiervan reeds in kaart gebracht?

Indiendatum: apr. 2020
Antwoorddatum: 22 apr. 2020

De statenmededeling Actualiteiten Stikstof & bijdrage aan interprovinciaal programmaorganisatie stikstof heeft bij ons geleid tot de volgende technische vragen.

1. Twee van de drie bronmaatregelen van het stikstofregistratiesysteem (SSRS) zijn algemeen, te weten een verlaging van de snelheid van auto’s en het aanpassen van veevoer, en de derde maatregel is specifiek en meer lokaal, te weten de warme sanering van varkenshouderijen. Is het met deze maatregelen nog steeds mogelijk dat er door een woningbouw- of MIRT project lokaal te veel wordt uitgestoten op een Natura 2000-gebied? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het is niet uit te sluiten dat de drie bronmaatregelen voor onvoldoende depositiedaling in de Natura 2000-gebieden zorgen om alle woningbouwprojecten en de 7 MIRT-projecten te vergunnen. Het SSRS is zo ingericht dat er niet meer stikstofruimte uitgegeven kan worden dan er aan vulling aanwezig is in het SSRS. Mocht er voor een aanvraag onvoldoende stikstofruimte in het SSRS zitten, dan wordt deze aanvraag geweigerd en zal er op een andere manier gezocht moeten worden om te komen tot een vergunbare aanvraag (bv door aanvullende stikstofruimte te vinden door middel van extern salderen). Dit kan alsnog belangrijke invloed hebben op de planning van diverse projecten.


2. De helft van de Nederlandse automobilisten die dagelijks rijdt zegt 'niet langzamer te gaan rijden' na invoering van de snelheidsverlaging van 130 naar 100 kilometer per uur. Op welke wijze is dit opgenomen in de berekeningen van de verlaging van stikstof door het verlagen van de snelheidslimiet?

Antwoord:
De snelheidsmaatregel en de naleving daarvan zijn een bevoegdheid van het Rijk. Of en hoe dit in de berekeningen is meegenomen is ons niet bekend.


3. De commissie Hordijk heeft geconcludeerd dat het huidige meetsysteem valide is, maar geeft wel enkele verbeteradviezen, zoals een uitbreiding van het aantal meetpunten. Waar komen deze extra meetpunten te staan?

Antwoord:
De minister van LNV heeft in de brief van 4 oktober 2019 aangegeven het aantal meetpunten uit te breiden. In de brief van 5 maart jl. heeft de minister aangegeven dat voor de invulling van de uitbreiding gebruik gemaakt zal worden van het rapport van de commissie Hordijk en de vervolgrapportage die verwacht wordt in juni 2020. Op dit moment is nog niet bekend waar de extra meetpunten komen. Wij zullen vanuit GS Brabant de optie van mogelijke/wenselijke extra meetpunten in NoordOost Brabant bij het Rijk aankaarten.


4. Er is een marktonderzoek gaande om in de toekomstige situatie tot een helder afnamepad per Natura 2000-gebied te kunnen komen. Wie zijn betrokken bij dit marktonderzoek en wat wordt er precies onderzocht?

Antwoord:
We hebben een aantal kennis- en onderzoeksinstituten (TNO, Wageningen Universiteit Research, Pouderoyen en CE Delft) via een marktverkenning gevraagd of zij voor ons in beeld kunnen brengen hoe de afnamepaden van stikstof in kwetsbare N2000-gebieden in onze provincie zich ontwikkelen als we alle ontwikkelingen (zowel de aanbod- als de vraagkant) in samenhang bekijken. Voor alle duidelijkheid: het gaat niet om marktonderzoek maar om een marktverkenning. Uit de marktverkenning blijkt dat geen enkel instituut dit zelfstandig kan doen. Om het beeld compleet te krijgen, zal altijd een samenwerking in de vorm van een consortium nodig zijn. Dit omdat de vraag een combinatie van kennis en ervaring noodzakelijk maakt. Daarnaast gebeurt er al het nodige op landelijk niveau. We betrekken de landelijke ontwikkelingen in de verdere uitwerking.


5. Hoe lang kan een vergunninghouder in totaal zijn ongebruikte stikstofruimte aan andere projecten verleasen? Wordt deze niet door de vergunninghouder gebruikte stikstofruimte behandeld als ongebruikte stikstofruimte in het kader van ‘use it or lose it’?

Antwoord:
De eisen en voorwaarden die gesteld gaan worden aan verleasen, worden op dit moment landelijk uitgewerkt. Op dit moment is het daarom nog niet mogelijk om de vraag te beantwoorden. De verwachting is dat hierover voor de zomer meer duidelijkheid komt.


6. In concept is de gebiedsgerichte aanpak al vastgesteld. Hoeveel van deze projecten worden uitgevoerd in de daadwerkelijke Natura 2000-gebieden en hoeveel in de schil van de Natura 2000-gebieden?

Antwoord:
In alle stikstofgevoelige natuurgebieden worden of zijn zogenaamde natuurherstelmaatregelen uitgevoerd. Met de gebiedsgerichte aanpak gaan we ook maatregelen uitvoeren in de schil die een positief effect hebben op het natuurherstel. Voorbeelden waar we thans een projectaanpak in deze bredere zin (inclusief de schil) in voorbereiding hebben zijn Peelvenen, Grenscorridor N69, Ulvenhoutsebos.


7. In welke Natura 2000-gebieden worden door de gebiedsgerichte aanpak andere maatregelen getroffen dan de maatregelen die zijn verbonden aan de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied en zijn de effecten hiervan reeds in kaart gebracht?

Antwoord:
Zoals hierboven beschreven zijn we in alle gebieden herstelmaatregelen aan het uitvoeren voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen. In elk geval in drie gebieden gaan we nu ook in de schil actief. Dat aantal zal geleidelijk groter worden. De effecten hiervan zijn nog niet in kaart gebracht, omdat we hier nog in de fase van het uitvoeren van de verkenningen zitten.