Tech­nische vragen over het geur­filter van de vergis­tings­in­stal­latie aan de Pastoor Thijs­senlaan in Sterksel


Indiendatum: 8 dec. 2020

Bij bestudering van de documenten waarop de huidige vergunning van de vergistingsinstallatie aan de Pastoor Thijssenlaan in Sterksel is gebaseerd, is ons een aantal zaken opgevallen.

Deze casus ziet vooral toe op het aspect geur van de ontvangsthal van producten uit de vergistingsinstallatie. Het betreft dan met name het aspect scheiden en drogen.

Wij hebben het eerste geurrapport over deze specifieke vergistingsinstallatie ingezien; ‘Geuronderzoek Reiling Sterksel BV’ van 25 maart 2011 (rapportnummer: SCMR10J4). Hierin wordt op pagina 5 gesproken over een proefinstallatie. Op pagina 10 wordt gesproken over een andere hal waar een drooginstallatie werd opgesteld.

Op pagina 13 wordt onder 4.2 in tabel 2 een rendement voor het fluff-filter vastgesteld. Dit gebeurt bij een zeer laag debiet.

1. Is een rendementsbepaling bij een dergelijk laag debiet (36 m3/h) wel representatief te noemen, alleen al vanwege de langere verblijfstijden van de behandelde lucht in het filter?

Onder 5.2.3, pagina 19, wordt het drogen verder behandeld. Tevens wordt uitgegaan van een geurrendement wat is vastgesteld bij een debiet van 36 m3/uur, terwijl het debiet nu 80.000 m3/uur bedraagt. Er is sprake van een ongereinigde geurvracht per uur voor drogen van 80.000 m3 * 5000 Oue/m3 = 400 *106 Oue/uur.

2. Is het reëel om bij een debiet van 80.000 m3/uur hetzelfde rendement van 90% te veronderstellen als bij 36 m3/h? Op basis waarvan is hiermee ingestemd?

In 2015 is een en ander aangepast in het ‘geuronderzoek in het kader van een milieuneutrale wijziging voor Reiling Sterksel - mestscheiding’ van 24 augustus 2015 (notitie Rei.Ste.14.GO WB(mn)-08). Dit is later vastgelegd in de beschikking van 18 september 2015 (geurvracht 32,4 *106 ouE/h).

Op pagina 7 van het geurrapport staat:
In de nu aan te vragen situatie zal de geuremissie vanwege de in de ontvangsthal uitgevoerde activiteiten niet meer mogen bedragen dan de vergunde geuremissie vanuit de ontvangsthal: 40· ouE/h (zie markering), met een bedrijfsduur van 7.884 h/j.

aangevraagd
De geuremissie van het scheidingsproces wordt gebaseerd op een geuronderzoek waarin aan een gelijksoortig proces geurmetingen zijn uitgevoerd. Het proces in betreffend onderzoek is vergelijkbaar om een aantal redenen:
- de mest ook wordt aangezuurd middels flocculant;
- het betreft alleen varkensmest;
- de proces- en hallucht wordt via één emissiepunt naar de buitenlucht geëmitteerd.

Uit betreffend onderzoek volgt een geurconcentratie van de geëmitteerde lucht van het scheidingsproces 582 ouE/m3, met een debiet van 70.500 m3/h (bijlage 1 van bijlage 2). De geuremissie vanwege alleen het scheiden van mest bedraagt 41,0 *106 ouE/h.

In het aangehaalde geuronderzoek van PRA3 is voor het drogen een geuremissie van 40,0 *106 ouE/h bepaald.

Beide afgasstromen (scheiding en drogen) passeren een gaswasser alvorens deze naar de buitenlucht worden geëmitteerd. Volgens de factsheet bezit een gaswasser een geurverwijderingsrendement van 60-85%. Uitgaande van de minimale geurreductie (worst case), zal de geuremissie na de gaswasser ten hoogste (0,4 x (41,0*106 + 40,0*106 ) =) 32,4 *106 ouE/h bedragen, waarmee de uitgangspunten conform tabel 9 worden gerespecteerd.”

De eerder vastgestelde ongereinigde geurvracht wegens drogen van 400 *106 Oue/uur werd via het fluff-filter met een reinigingsrendement van 90% gereduceerd tot 40 *106 Oue/uur.

De nieuwe gaswasser zou dus 60% reinigen van 40 *106 Oue/uur. Dit is ons inziens een erg onwaarschijnlijk scenario, ook al omdat het fluff-filter niet meer wordt genoemd in de modulatieberekeningen.

3. Kunt U deze berekening voor alleen het aspect drogen nader duiden?

4. Kunt U tevens aangeven op basis waarvan hiermee is ingestemd?

Op pagina 17 wordt het debiet van het scheidingsproces (70.500 m3/h) nader uitgewerkt. Dezelfde luchtwasser moet echter ook de 80.000 m3/uur van drogen verwerken.

5. Kunt u dit nader duiden? M.a.w., waar is de 80.000 m3 van drogen verantwoord?

6. Kunt u aangeven waar in de modulatie (verspreidingsberekening) m.b.v. interne diameter schoorsteen en flux tot deze volumestromen is gekomen?

Indiendatum: 8 dec. 2020
Antwoorddatum: 15 dec. 2020

Bij bestudering van de documenten waarop de huidige vergunning van de vergistingsinstallatie aan de Pastoor Thijssenlaan in Sterksel is gebaseerd, is ons een aantal zaken opgevallen.

Deze casus ziet vooral toe op het aspect geur van de ontvangsthal van producten uit de vergistingsinstallatie. Het betreft dan met name het aspect scheiden en drogen.

Wij hebben het eerste geurrapport over deze specifieke vergistingsinstallatie ingezien; ‘Geuronderzoek Reiling Sterksel BV’ van 25 maart 2011 (rapportnummer: SCMR10J4). Hierin wordt op pagina 5 gesproken over een proefinstallatie. Op pagina 10 wordt gesproken over een andere hal waar een drooginstallatie werd opgesteld.

Op pagina 13 wordt onder 4.2 in tabel 2 een rendement voor het fluff-filter vastgesteld. Dit gebeurt bij een zeer laag debiet.

1. Is een rendementsbepaling bij een dergelijk laag debiet (36 m3/h) wel representatief te noemen, alleen al vanwege de langere verblijfstijden van de behandelde lucht in het filter?

Antwoord:
Het lage debiet is gemeten in een kleinschalige proefopstelling. Dit is geen ongebruikelijke werkwijze. Het geeft, op dat moment, de meest betrouwbare, voorhanden cijfers. Op basis van deze cijfers is ten behoeve van de aanvraag om een vergunning de emissie naar en de geurbelasting op de omgeving bepaald. Na ingebruikname van de installatie zal uit controlemetingen moeten blijken dat het rendement ook in de aangevraagde bedrijfssituatie gehaald wordt.


Onder 5.2.3, pagina 19, wordt het drogen verder behandeld. Tevens wordt uitgegaan van een geurrendement wat is vastgesteld bij een debiet van 36 m3/uur, terwijl het debiet nu 80.000 m3/uur bedraagt. Er is sprake van een ongereinigde geurvracht per uur voor drogen van 80.000 m3 * 5000 Oue/m3 = 400 *106 Oue/uur.

2. Is het reëel om bij een debiet van 80.000 m3/uur hetzelfde rendement van 90% te veronderstellen als bij 36 m3/h? Op basis waarvan is hiermee ingestemd?

Antwoord:
Die aanname was op dat moment de best beschikbare inschatting van het rendement. Zie verder de beantwoording van vraag 1.


In 2015 is een en ander aangepast in het ‘geuronderzoek in het kader van een milieuneutrale wijziging voor Reiling Sterksel - mestscheiding’ van 24 augustus 2015 (notitie Rei.Ste.14.GO WB(mn)-08). Dit is later vastgelegd in de beschikking van 18 september 2015 (geurvracht 32,4 *106 ouE/h).

Op pagina 7 van het geurrapport staat:
“In de nu aan te vragen situatie zal de geuremissie vanwege de in de ontvangsthal uitgevoerde activiteiten niet meer mogen bedragen dan de vergunde geuremissie vanuit de ontvangsthal: 40· ouE/h (zie markering), met een bedrijfsduur van 7.884 h/j.

aangevraagd
De geuremissie van het scheidingsproces wordt gebaseerd op een geuronderzoek waarin aan een gelijksoortig proces geurmetingen zijn uitgevoerd. Het proces in betreffend onderzoek is vergelijkbaar om een aantal redenen:
- de mest ook wordt aangezuurd middels flocculant;
- het betreft alleen varkensmest;
- de proces- en hallucht wordt via één emissiepunt naar de buitenlucht geëmitteerd.

Uit betreffend onderzoek volgt een geurconcentratie van de geëmitteerde lucht van het scheidingsproces 582 ouE/m3, met een debiet van 70.500 m3/h (bijlage 1 van bijlage 2). De geuremissie vanwege alleen het scheiden van mest bedraagt 41,0 *106 ouE/h.

In het aangehaalde geuronderzoek van PRA3 is voor het drogen een geuremissie van 40,0 *106 ouE/h bepaald.

Beide afgasstromen (scheiding en drogen) passeren een gaswasser alvorens deze naar de buitenlucht worden geëmitteerd. Volgens de factsheet bezit een gaswasser een geurverwijderingsrendement van 60-85%. Uitgaande van de minimale geurreductie (worst case), zal de geuremissie na de gaswasser ten hoogste (0,4 x (41,0*106 + 40,0*106 ) =) 32,4 *106 ouE/h bedragen, waarmee de uitgangspunten conform tabel 9 worden gerespecteerd.”

De eerder vastgestelde ongereinigde geurvracht wegens drogen van 400 *106 Oue/uur werd via het fluff-filter met een reinigingsrendement van 90% gereduceerd tot 40 *106 Oue/uur.

De nieuwe gaswasser zou dus 60% reinigen van 40 *106 Oue/uur. Dit is ons inziens een erg onwaarschijnlijk scenario, ook al omdat het fluff-filter niet meer wordt genoemd in de modulatieberekeningen.

3. Kunt U deze berekening voor alleen het aspect drogen nader duiden?

Antwoord:
Wij zien geen redeneringsfout in de bovenstaande informatie. In het rapport van 2015 is de emissie van de vergunde activiteit mestdrogen ongewijzigd als uitgangspunt genomen. De vergunde rechten om mest te drogen (en daarmee de rechten om het fluff-filter in te zetten), is in 2015 dus ongewijzigd gebleven.


4. Kunt U tevens aangeven op basis waarvan hiermee is ingestemd?

Antwoord:
Wij hebben ingestemd met deze redenering omdat wij geen onjuistheden hebben gezien die aanleiding gaven de aanvraag te weigeren.


Op pagina 17 wordt het debiet van het scheidingsproces (70.500 m3/h) nader uitgewerkt. Dezelfde luchtwasser moet echter ook de 80.000 m3/uur van drogen verwerken.

5. Kunt u dit nader duiden? M.a.w., waar is de 80.000 m3 van drogen verantwoord?

Antwoord:
De 80.000 m3/uur is verantwoord in het geurrapport SCMR10J4 d.d. 25 maart 2011. Dat rapport is door het bedrijf ingediend als onderdeel van de aanvraag om vergunning die op 18 december 2012 door GS is verleend.


6. Kunt u aangeven waar in de modulatie (verspreidingsberekening) m.b.v. interne diameter schoorsteen en flux tot deze volumestromen is gekomen?

Antwoord:
Het volumedebiet volgt niet uit de interne diameter van de schoorsteen en de flux (luchtsnelheid in de schoorsteen). De flux volgt uit de combinatie van het volumedebiet en de interne diameter. Als gezegd, is het debiet in het rapport gegeven en niet nader onderbouwd. De modulatie van deze gegevens in het rekenmodel worden gevonden in bijlage 3 van het genoemde rapport in de lijst van schoorstenen, rechtsonder de pagina gedateerd 30-7-2015 11:01:08.