Vragen betref­fende uitbreiding mest­ver­gis­tings­in­stal­latie BioMoer Roosendaal


Indiendatum: apr. 2013

Schriftelijke vragen aan het college van Gedeputeerde Staten betreffende de uitbreiding van mestvergistingsinstallatie BioMoer.

Het bedrijf BioMoer ligt op grondgebied van de gemeente Roosendaal en wil uitbreiden van 25.000 ton naar 50.000 ton te vergisten materiaal per jaar. Tussen 31 oktober 2010 en 24 april 2012 is er door omwonenden meer dan tien keer geklaagd over de mestvergister. Veel voorkomende klachten waren en zijn: Hoofdpijn, misselijkheid en pijnlijke ogen. De klachtenrapportage hierover geeft aan dat veel klachten worden gezien als ‘aanloopprobleempjes’ of ‘niet waargenomen door behandelaar’.1 In 2008 is er een vergunning verleend voor een capaciteit van 15.000 ton te vergisten materiaal. In 2010 is er vergunning verleend voor uitbreiding van de capaciteit tot 25.000 ton.

De beoogde uitbreiding vindt plaats op grondgebied van de gemeente Bergen op Zoom, in een groen blauwe mantel. Er ligt nu een aanvraag voor een vergroting van de capaciteit naar 50.000 ton en vergroting van het bouwoppervlak van de toegestane 1,5 ha naar 2,5 ha. In de ruimtelijke onderbouwing voor de uitbreiding staat dat het woon- en leefklimaat niet onevenredig mag worden aangetast. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

Uit het geuronderzoek van Bureau Blauw, bijgevoegd in de ruimtelijke onderbouwing van de gemeente Roosendaal, blijkt dat geur geen belemmering voor de op handen zijnde uitbreiding is.2

1. Bent u het met ons eens dat als omwonenden aan hoofdpijn en misselijkheid lijden door de geur van een mestvergister (die nog eens twee keer zo groot wordt), dat geur dan wél een belemmering vormt voor de ontwikkeling? Bent u het met ons eens dat dit een vergunning voor de verwerking van 50.000 ton te vergisten materiaal in de weg staat of zou moeten staan? Zo ja, bent u bereid om de situatie te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

De bouw van de mestvergister startte rond mei 2011. Dat was het punt waarop de omwonenden pas voor het eerst begrepen dat er iets gebouwd werd. Zij zijn al die tijd voorafgaand aan de vergunningen niet geïnformeerd en er is onvolledig tot niet gepubliceerd in de Bodes van Roosendaal en Bergen op Zoom, terwijl de vergister is gebouwd op het grensgebied tussen Bergen op Zoom en Roosendaal. De installatie werd in gebruik genomen in november 2011. In de eerste helft van 2011 (exacte datum niet bekend) heeft BioMoer zonder daarvoor een vergunning te hebben aangevraagd, een aantal bouwwerken heeft gerealiseerd waaronder drie voorraadsilo’s. Op 29 oktober 2012 heeft de Rechtbank Zeeland West-Brabant geconstateerd (naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften) dat er geen zicht was op legalisatie van de situatie.3 Toch zijn de bouwwerken blijven staan; er is slechts een stop van de bouw bevolen door de gemeente Roosendaal, op verzoek van belanghebbenden (de stichting tot Behoud van het Halsters Laag en het Buitengebied Wouw). Op 25 maart 2013 is bepaald dat de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag is in de vergunningverlening omtrent de uitbreiding van BioMoer. Het is nu dus aan de provincie om deze situatie te handhaven. Eenzelfde situatie heeft zich voorgedaan in Wanroij bij mestvergister Cleanergy. Deze vergister heeft zonder volledige vergunning gedraaid, waarbij er tussen 6 maart 2012 en 29 oktober 2012 geen zicht was op legalisatie.4

2. Bent u het met ons eens dat de gemeente Roosendaal tekort is geschoten door de onrechtmatige situatie bij BioMoer (zijnde illegale bouwwerken) niet te handhaven? Zo ja, wat gaat u op uw beurt doen om deze situatie weer terug te brengen in de rechtmatige staat? Zo nee, waarom niet?

3. Bent u het met ons eens dat het schimmige aanlooptraject (onvolledige publicatie) en ontoereikende handhaving vanuit de gemeente Roosendaal op de illegale bouw niet stroken met het nieuwe provinciale beleid ten aanzien van veehouderij op het gebied van het creëren van draagvlak bij omwonenden en betrokkenen? Zo nee, waarom niet?

4. Bent u het met ons eens dat, met deze onvolledige publicatie is afgedaan aan de mogelijkheid om tegen de plannen van BioMoer te ageren en daarmee ook werd afgedaan aan de rechtszekerheid van de omwonenden/belanghebbenden? Zo nee, waarom niet?

5. Bent u het met ons eens dat de onvolledige publicatie van de bouw van BioMoer moet leiden tot een strenger toezicht op de publicatieplicht van gemeenten met betrekking tot bouw en uitbreiding van mestvergisters? Zo nee, waarom niet?

Het zware en vele vrachtverkeer, ook gedurende meerdere piekmomenten, dat door BioMoer veel lager lijkt te worden aangegeven, is niet of slecht passend op de bestaande landelijke weggetjes en zorgt nu al, bij 25.000 ton, voor gevaarlijke situaties en onrust.5

6. Bent u het met ons eens dat de verkeersbelasting op de bestaande landelijke wegen, en de gevaarlijke situaties die daaruit ontstaan, afdoet aan de leefbaarheid voor omwonenden/belanghebbenden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de situatie rond BioMoer op het gebied van leefbaarheid acceptabel te maken voor omwonenden/belanghebbenden? Zo nee, waarom niet?

7. Hoe wordt de invloed van de uitbreiding op de leefbaarheid in het gebied vastgelegd in het kader van de onlangs door de Partij voor de Dieren ingediende en door provinciale staten aangenomen motie informatie mestvergisters?6

Er wordt in een interview met de initiatiefnemers van BioMoer verteld dat de uitbreiding een noodzaak is omdat men van de maïs- en graanteelt af wil en bermgras wil vergisten, wat een langere verblijfsduur en groter volume heeft.7 In uw concept verklaring van geen bedenkingen staat echter aangegeven dat 10.000 van de 25.000 m3 van de co-substraten uit maïs bestaat, afkomstig van één van de deelnemers van dit project en speciaal daarvoor geteeld. De maïs is dus niet als afvalstof of reststroom te beschouwen.

8. Bent u het met ons eens dat het niet duurzaam is om producten die geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie te vergisten? Zo nee, waarom niet?

9. Hoe wordt de duurzaamheid van de activiteiten van BioMoer vastgelegd in het kader van de onlangs door de Partij voor de Dieren ingediende en door provinciale staten aangenomen motie informatie mestvergisters?

In bijlage II van de ruimtelijke onderbouwing (toetsing aan Verordening Ruimte), staat dat de productie van gas niet in gebouwen plaats vindt.8 Daarom kan de biovergister strikt genomen aangemerkt worden als een grondgebonden agrarisch bedrijf. Voor de Partij voor de Dieren is niet duidelijk wat wordt bedoeld met grondgebondenheid in relatie tot mestvergisters.

10. Als het niet binnen is, op welke wijze wordt het gas bij BioMoer dan geproduceerd?

11. Hoe verklaard u het begrip ‘grondgebonden’ in het licht van mestvergisters?

12. Vindt u het niet vreemd dat het begrip grondgebondenheid gebruikt wordt bij de vergunning verlening van een mestvergistingsinstallatie (in plaats van bij een bedrijf waar dieren worden gehouden)? Als u ‘productie die niet in gebouwen plaatsvindt’ een criterium vindt voor grondgebondenheid bij mestvergisters, welke juridische consequenties heeft dat, dan wel welke rechten kunnen daar aan worden ontleend?

Uit de ruimtelijke onderbouwing van de gemeente Roosendaal (pag. 29): Als nevenactiviteit bij agrarische bedrijvigheid is vergisting van mest en/of andere organische restproducten en energiegewassen in biovergistingsinstallaties door middel van afwijken van het bestemmingsplan onder voorwaarden toegestaan.9

13. De productie van biogas door BioMoer wordt gezien als een nevenfunctie bij het koeien(melkvee) bedrijf. Tot hoeveel ton verwerkte mest per jaar kan in deze sector gesproken van een nevenfunctie? Zeker in het licht van de beoogde uitbreiding? Wat zijn volgens u de criteria daarvoor en welke juridische consequenties kunnen daaruit worden afgeleid?

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit gemengd landelijk gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het zijn gebieden grenzend aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied. Het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, water (-beheer) en landschap is in de groenblauwe mantel een belangrijke opgave.

In de ruimtelijke onderbouwing staat dat de uitbreidingsplannen van BioMoer een ontwikkeling op een bestaand agrarisch bedrijf betreft en er geen significante onttrekking van agrarisch gras- of akkerlanden plaats vindt. Daarom zou dit plan passen binnen de groenblauwe mantel.

14. Bent u van mening dat de uitbreiding van BioMoer geen negatieve effecten heeft op de natuur in de groenblauwe mantel? Zo ja, op welke wijze heeft u dat getoetst of onderzocht? Is daarvan een document beschikbaar? En mogen wij deze ontvangen?

Tijdens de expertmeeting mestvergisting van 12 april j.l. in het provinciehuis, werd opgemerkt dat er een verhoogde uitstoot van ammoniak optreedt bij het uitrijden van het digestaat.

15. Waar komt het digestaat van de mestvergister nu en na de beoogde uitbreiding terecht? Worden daarover afspraken gemaakt met de initiatiefnemers? Heeft dat uitrijden een negatief effect op de omliggende natuurgebieden? Zo ja, welke?

16. Bent u het met ons eens dat verder onderzoek naar de effecten hiervan op de natuur in de groenblauwe mantel nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?

De beoogde bouwlocatie betreft een reeds bestaand grotendeels verhard terrein, er is ook water aanwezig. Op dit terrein komen alleen licht beschermde, tabel 1-soorten, zoals spitsmuizen, bruine kikker en gewone pad voor. Zwaar beschermde soorten worden gezien de kenmerken van de locatie en het intensieve gebruik niet verwacht.

Er is geen ontheffing nodig voor de tabel 1-soorten van de Flora- en faunawet omdat hiervoor een vrijstelling voor bestaat.10 Deze vrijstelling geldt voor: bestendig beheer en onderhoud in landbouw en bosbouw, bestendig beheer en onderhoud van watergangen en bermen en in het kader van natuurbeheer, bestendig gebruik of werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

17. Bent u van mening dat het bedrijven van een mestvergistingsinstallatie onder één van deze categorieën valt? Zo ja, waarom?

Het gebied in kwestie is een Struweel Vogelbiotoop waarin allerlei weidevogels leven. In de ruimtelijke onderbouwing staat aangegeven dat tijdens de (toekomstige) bouwwerkzaamheden rekening dient te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedende vogels is verboden. In het kader van de Flora- en faunawet wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.

18. Komt er t.z.t. een onderzoek naar of er op het moment van uitbreiding broedgevallen aanwezig zijn? Zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?

Onlangs is de bevoegdheid tot vergunningverlening en handhaving in deze kwestie overgegaan van de gemeente Roosendaal naar de provincie Noord-Brabant omdat de inrichting nu valt onder de reikwijdte van de IPPC-Richtlijn. Dit heeft als reden dat er met de op handen zijnde uitbreiding, er meer kans is op milieuverontreiniging en BioMoer derhalve aan andere verplichtingen moet voldoen dan bijvoorbeeld een inrichting die valt onder het Activiteitenbesluit.

19. Bent u het met ons eens dat de provincie opnieuw onderzoek moet doen naar de kans op milieuverontreiniging en best beschikbare technieken door BioMoer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en hoe zal dit tot uiting komen?

Wij vernemen graag uw reactie.

Met vriendelijke groet,

ir. Marco van der Wel

Partij voor de Dieren

1 Klachtenrapportage ter inzage in fractiekamer Partij voor de Dieren

2 Ruimtelijke onderbouwing Biomoer gemeente Roosendaal, 5 december 2012

3 Rechtbank Zeeland West-Brabant 29 oktober 2012, Procedurenummer BRE 13 / 1533 GEMWT

4 Schriftelijke vragen van de Partij voor de Dieren inzake ontwikkelingen rond mestvergister Cleanergy teWanroij, 27 november 2012

5 Platteland en co-vergisting: een tegenstrijdigheid BN de Stem 3 oktober 2012

6 Motie informatie Mestvergisters 22 maart 2013

7 Capaciteit biovergistingsinstallatie wordt verdubbeld Roosendaalse Bode, 3 februari 2013

8 Ruimtelijke onderbouwing Biomoer gemeente Roosendaal, Bijlage II: toetsing aan Verordening 2012, 5 december 2012

9 Ruimtelijke onderbouwing Biomoer gemeente Roosendaal, 5 december 2012

10 Flora- en faunawet

Indiendatum: apr. 2013
Antwoorddatum: 13 mei 2013

Beantwoording schriftelijke vragen op grond van het Reglement van Orde betreffende vragen van ir. M. van der Wel van de PvdD Statenfractie Noord-Brabant aan het college van GS inzake de uitbreiding van mestvergistingsinstallatie BioMoer.

Geachte heer Van der Wel,

Bij brief van 26 april 2013, ingekomen op 26 april 2013, heeft u namens de PvdD fractie op grond van het Reglement van Orde voor Provinciale Staten schriftelijke vragen gesteld.

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.

1. Bent u het met ons eens dat als omwonenden aan hoofdpijn en misselijkheid lijden door de geur van een mestvergister (die nog eens twee keer zo groot wordt), dat geur dan wél een belemmering vormt voor de ontwikkeling? Bent u het met ons eens dat dit een vergunning voor de verwerking van 50.000 ton te vergisten materiaal in de weg staat of zou moeten staan? Zo ja, bent u bereid om de situatie te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ja. In dit specifieke geval dient dit aspect echter nog beoordeeld te worden in het kader van de lopende aanvraag omgevingsvergunning. Aanvragen om een omgevingsvergunning worden mede beoordeeld op het aspect uitstoot van geur. Wanneer een inrichting meer dan de wettelijke norm aan geur uitstoot zal de omgevingsvergunning geweigerd dienen te worden.

2. Bent u het met ons eens dat de gemeente Roosendaal tekort is geschoten door de onrechtmatige situatie bij BioMoer (zijnde illegale bouwwerken) niet te handhaven? Zo ja, wat gaat u op uw beurt doen om deze situatie weer terug te brengen in de rechtmatige staat? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Nee. Navraag bij de gemeente leert dat er verschillende handhavingstrajecten opgestart zijn. Een aantal van deze procedures loopt nog. Het is aan de gemeente zelf om de handhavingstrategie te bepalen. De gemeente Roosendaal hanteert daarbij de Brabantse handhavingsstrategie.

3. Bent u het met ons eens dat het schimmige aanlooptraject (onvolledige publicatie) en ontoereikende handhaving vanuit de gemeente Roosendaal op de illegale bouw niet stroken met het nieuwe provinciale beleid ten aanzien van veehouderij op het gebied van het creëren van draagvlak bij omwonenden en betrokkenen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Nee. Navraag bij de gemeente leert dat de publicatie op de juiste manier heeft plaats gevonden.

4. Bent u het met ons eens dat, met deze onvolledige publicatie is afgedaan aan de mogelijkheid om tegen de plannen van BioMoer te ageren en daarmee ook werd afgedaan aan de rechtszekerheid van de omwonenden/belanghebbenden? Zo nee, waarom niet?

5. Bent u het met ons eens dat de onvolledige publicatie van de bouw van BioMoer moet leiden tot een strenger toezicht op de publicatieplicht van gemeenten met betrekking tot bouw en uitbreiding van mestvergisters? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 4 en 5:

Nee. Wanneer er sprake zou zijn geweest van niet of onvolledig publiceren delen wij de mening dat omwonenden te kort zijn gedaan. Het is echter primair de verantwoordelijkheid van een gemeente om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen omtrent publicatie van aanvragen en (ontwerp)vergunning(en). Het is geen taak van het provinciebestuur om toezicht te houden op de wettelijk geregelde publicatieplicht van gemeenten.

De lopende procedure van de aanvraag omgevingsvergunning kent nog de normale inspraak op de ontwerp-beschikking en de mogelijkheid voor beroep op de definitieve beschikking, waarmee de rechtszekerheid van de omwonenden verzekerd is.

6. Bent u het met ons eens dat de verkeersbelasting op de bestaande landelijke wegen, en de gevaarlijke situaties die daaruit ontstaan, afdoet aan de leefbaarheid voor omwonenden/belanghebbenden? Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen om de situatie rond BioMoer op het gebied van leefbaarheid acceptabel te maken voor omwonenden/belanghebbenden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:.

Ja, een hoge verkeersbelasting met zwaar verkeer kan afbreuk doen aan de leefbaarheid van omwonenden. De verkeersveiligheid op landelijke wegen is een bevoegdheid van de gemeente en niet van de provincie, met uitzondering van provinciale wegen, maar daarvan is in deze omgeving geen sprake. De provincie is, in de situatie bij Biomoer, niet bevoegd hiervoor maatregelen te treffen.

In de aanvraag omgevingsvergunning heeft Biomoer aangegeven het verkeer van en naar de inrichting zoveel mogelijk te leiden in de richting van omwonenden vandaan.

7. Hoe wordt de invloed van de uitbreiding op de leefbaarheid in het gebied vastgelegd in het kader van de onlangs door de Partij voor de Dieren ingediende en door provinciale staten aangenomen motie informatie mestvergisters?

Antwoord:

De motie informatie mestvergisters betreft een overzicht van onafhankelijke onderzoeken over diverse aspecten van vergisting. De beoordeling van individuele vergistingsinitiatieven zal niet anders zijn dan voorheen, omdat altijd de laatste technische inzichten hierbij worden betrokken.

8. Bent u het met ons eens dat het niet duurzaam is om producten die geschikt zijn voor menselijke of dierlijke consumptie te vergisten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:.

Ja, tenzij het op enig moment niet mogelijk of niet doelmatig is.

9. Hoe wordt de duurzaamheid van de activiteiten van BioMoer vastgelegd in het kader van de onlangs door de Partij voor de Dieren ingediende en door provinciale staten aangenomen motie informatie mestvergisters?

Antwoord:

Zie antwoord bij vraag 7.

10. Als het niet binnen is, op welke wijze wordt het gas bij BioMoer dan geproduceerd?

Antwoord vraag:

In het geval van vergisting bij Biomoer wordt het gas geproduceerd in een gesloten proces in een vergister.

11. Hoe verklaart u het begrip ‘grondgebonden’ in het licht van mestvergisters?

Antwoord:

Het is niet juist om het begrip grondgebonden agrarisch bedrijf te gebruiken bij mestvergistingsinstallaties. Mestvergistingsinstallaties zijn per definitie niet grondgebonden. Daarbij maakt het niet uit of de activiteit in gebouwen plaats vindt.

12. Vindt u het niet vreemd dat het begrip grondgebondenheid gebruikt wordt bij de vergunning verlening van een mestvergistingsinstallatie (in plaats van bij een bedrijf waar dieren worden gehouden)? Als u ‘productie die niet in gebouwen plaats vindt’ een criterium vindt voor grondgebondenheid bij mestvergisters, welke juridische consequenties heeft dat, dan wel welke rechten kunnen daar aan worden ontleend?

Antwoord:

Zie antwoord bij vraag 11.

13. De productie van biogas door BioMoer wordt gezien als een nevenfunctie bij het koeien(melkvee) bedrijf. Tot hoeveel ton verwerkte mest per jaar kan in deze sector gesproken van een nevenfunctie? Zeker in het licht van de beoogde uitbreiding? Wat zijn volgens u de criteria daarvoor en welke juridische consequenties kunnen daaruit worden afgeleid?

Antwoord:

De verordening ruimte kent het begrip nevenfunctie niet. Voor de planologische aanvaardbaarheid maakt het geen verschil of er sprake is van een neven- of hoofdactiviteit omdat aan hetzelfde artikel (11.7 Vr ) moet worden getoetst, ofwel de nevenactiviteit wordt beoordeeld als hoofdactiviteit.

Voor hoofd- en nevenactiviteit zijn geen vaste richtlijnen, dit moet per geval beoordeeld worden.

14. Bent u van mening dat de uitbreiding van BioMoer geen negatieve effecten heeft op de natuur in de groenblauwe mantel? Zo ja, op welke wijze heeft u dat getoetst of onderzocht? Is daarvan een document beschikbaar? En mogen wij deze ontvangen?

Antwoord:

De milieueffecten van de gevraagde uitbreiding zullen worden onderzocht in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. De resultaten van dit onderzoek worden opgenomen in de ontwerp-beschikking. Zodra de ontwerpbeschikking klaar is zal deze openbaar gemaakt worden.

15. Waar komt het digestaat van de mestvergister nu en na de beoogde uitbreiding terecht? Worden daarover afspraken gemaakt met de initiatiefnemers? Heeft dat uitrijden een negatief effect op de omliggende natuurgebieden? Zo ja, welke?

Antwoord:

Nee, hierover worden geen afspraken gemaakt met de initiatiefnemers. De initiatiefnemers zijn zelf gebruikers van het digestaat, dat verder wordt afgezet naar derden. Afnemers zijn wettelijk verplicht te voldoen aan de regelgeving inzake mestboekhouding en emissie-arme aanwending van mest. Hoewel digestaat een hoger ammoniumgehalte heeft dan niet vergiste mest, is met name de toegepaste emissie-arme techniek en het tijdstip van uitrijden relevant.

Bovendien is het ook in het belang van de afnemer om het stikstofverlies te minimaliseren.

16. Bent u het met ons eens dat verder onderzoek naar de effecten hiervan op de natuur in de groenblauwe mantel nodig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?

Antwoord:

Nee. Zie beantwoording vraag 14.

17. Bent u van mening dat het bedrijven van een mestvergistingsinstallatie onder één van deze categorieën valt? Zo ja, waarom?

Antwoord:

Ja, in de specifieke situatie van Biomoer is sprake van een reeds vergunde melkrundveehouderij en een biomassa vergistingsinstallatie en tevens van een uitbreiding van de vergistingsinstallatie. De categoriën ’bestendig gebruik’ en ’werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting’ zijn derhalve van toepassing.

18. Komt er t.z.t. een onderzoek naar of er op het moment van uitbreiding broedgevallen aanwezig zijn? Zo ja, door wie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:

Ja, door initiatiefnemer daar deze aan de wettelijke bepalingen van de Flora- en Faunawet dient te voldoen.

19. Bent u het met ons eens dat de provincie opnieuw onderzoek moet doen naar de kans op milieuverontreiniging en best beschikbare technieken door BioMoer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en hoe zal dit tot uiting komen?

Antwoord:

Ja. Biomoer betreft een IPPC-inrichting. De europese IPPC-richtlijn schrijft voor dat bij deze inrichtingen de Best Beschikbare Technieken moeten worden toegepast en geeft daarbij de mogelijkheid om verdergaande maatregelen te eisen dan de nederlandse wetgeving voorschrijft. Hiertoe zullen wij, indien nodig, in het kader van de gevraagde omgevingsvergunning de aanvrager aanvullende onderzoeken laten uitvoeren. Indien nodig kan de provincie ook zelf aanvullende onderzoeken uitvoeren.

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Voorzitter, Secretaris,