Vragen over acute schorsing afschot ganzen in de provincie Utrecht


Indiendatum: okt. 2017

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende acute schorsing afschot ganzen in de provincie Utrecht.


Geacht college,

De Raad van State vernietigde op 18 oktober 2017 een besluit waarin de provincie Utrecht afschot van 23.000 grauwe ganzen goedkeurde. Het besluit is volgens de Raad van State onvoldoende onderbouwd. In het bijzonder is de noodzaak van het doden van duizenden ganzen onvoldoende aangetoond. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

De Raad van State heeft bepaald dat het Utrechtse college van Gedeputeerde Staten zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan ingrijpen in de populatieomvang van grauwe ganzen.

1. Hoe is in Noord-Brabant onderbouwd dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan het doden van (grauwe) ganzen?

2. Welke maatregelen heeft u op voorhand genomen om de omvang van de schade door (grauwe) ganzen te beperken?

3. Waaruit blijkt dat preventieve middelen en maatregelen ook daadwerkelijk zijn toegepast?

4. Waaruit blijkt dat de preventieve middelen en maatregelen niet bevredigend zijn gebleken?

Uit het Utrechtse Faunabeheerplan blijkt volgens de Raad van State onvoldoende dat er een relatie bestaat tussen de populatie grauwe ganzen en de omvang van de schade in de provincie Utrecht en het college heeft dat niet op een andere wijze voldoende nauwkeurig gemotiveerd. Zo is de populatie grauwe ganzen in 2013 gestegen, terwijl de getaxeerde landbouwschade dat jaar lager was dan in 2012. De Raad van State zegt in de uitspraak: De aan de verlening van de ontheffing ten grondslag gelegde cijfers vormen geen nauwkeurige en treffende motivering dat aan die voorwaarde is voldaan.

In de ontheffing ten behoeve van populatiebeheer van de grauwe gans verzonden op 6 juli 2017 (ontheffing 050343), zegt de Omgevingsdienst Brabant Noord: “Ondanks de exponentiële toename van het aantal grauwe ganzen in de provincie is het totaal aan getaxeerde landbouwschade in dezelfde periode afgenomen.”

5. Kunt u het verschil tussen uw visie op de toename van ganzen versus de afname van getaxeerde landbouwschade en de visie daarop van de Raad van State en de Faunabescherming nader duiden?

Ondanks dat het afschot in de provincie Utrecht in 2013 is gestegen, is ook de populatie zomerganzen aldaar met 9% toegenomen. Het Utrechtse Faunabeheerplan geeft daar geen verklaring voor. Noch heeft het Utrechtse college van Gedeputeerde Staten op andere wijze gemotiveerd waarom het afschieten van grauwe ganzen een effectieve oplossing is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. Het beheer heeft evenmin geleid tot afname van de groei van de ganzenpopulatie.

6. Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen het beheer van (grauwe) ganzen in de provincie Utrecht en het beheer van (grauwe) ganzen in de provincie Noord-Brabant?

7. Is de uitspraak van de Raad van State ook voor uw college aanleiding om het ganzenbeleid te herzien en verleende ontheffingen ten behoeve van populatiebeheer in te trekken, of wacht u tot het moment dat het ook in Noord-Brabant komt tot een rechtszaak? Zo nee, waarom niet?

In het Gebiedsplan ganzen Noord-Brabant is aangegeven, dat voor een effectief beheer een combinatie van instrumenten noodzakelijk is, te weten het behandelen van eieren, koppelreductie, vangen van ruiende ganzen, de inzet van lokmiddelen en “afschot een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsopgang”. Wij gaan er vanuit dat de faunabeheereenheid in het faunabeheerplan bedoelt: “een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang”, evenals het geval is in de provincie Utrecht.

In een eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht is bepaald dat de mogelijkheid om het geweer te gebruiken voor zonsopgang en na zonsondergang niet bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, en dat het Utrechtse college van Gedeputeerde Staten met het verlenen van ontheffing daarvoor zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Uit de uitspraak van de Raad van State blijkt dat de rechtbank Utrecht terecht heeft overwogen dat de voor het gebruik van het geweer van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang verleende ontheffing in strijd is met de Vogelrichtlijn.

8. Bent u met ons van mening dat de ontheffing (050343), verzonden op 6 juli 2017, ten behoeve van populatiebeheer van de grauwe gans, dan ook in strijd is met de Vogelrichtlijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is het gevolg hiervan?

9. Is bovenstaande voor u reden om de ontheffing (deels) in te trekken? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Indiendatum: okt. 2017
Antwoorddatum: 14 nov. 2017

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Hoe is in Noord-Brabant onderbouwd dat ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen geen andere bevredigende oplossing voorhanden is dan het doden van (grauwe) ganzen?

Antwoord:
In Noord-Brabant is in, en in aanloop van, het nieuwe faunabeheerplan 2017-2023 veel aandacht besteed aan de ganzenproblematiek. Vooral het Gebiedsplan ganzen Noord-Brabant gaat hier dieper op in. Uitgangspunt van het beleid is een beheer gebaseerd op 1. Inrichtingsmaatregelen, 2. Preventieve maatregelen en 3. Reducerende maatregelen. In het faunabeheerplan / gebiedsplan Ganzen wordt toegelicht dat inrichtingsmaatregelen vooral als maatregelen voor de lange termijn worden beschouwd en dat preventieve maatregelen wel worden toegepast maar te weinig effectief zijn om de schade te beperken. Naast de inzet van inrichtingsmaatregelen, preventieve maatregelen en nestbehandeling is op dit moment ook afschot noodzakelijk om belangrijke schade te voorkomen. Tot 1 november was hierbij sprake van een gequoteerde ontheffing populatiebeheer. Vanaf 1 november is sprake van de meer reguliere ontheffing schadebestrijding.


2. Welke maatregelen heeft u op voorhand genomen om de omvang van de schade door (grauwe) ganzen te beperken?

Antwoord:
Wij hebben op 12 juli 2016 op advies van de FBE 6 nieuwe rust- en foerageergebieden ganzen en smienten aangewezen. Tevens hebben wij de FBE, middels een projectsubsidie, in staat gesteld een Gebiedsplan ganzen Noord-Brabant op te stellen.


3. Waaruit blijkt dat preventieve middelen en maatregelen ook daadwerkelijk zijn toegepast?

Antwoord:
Het toepassen van preventieve middelen en maatregelen is verplicht om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming van de schade. Provinciale toezichthouders zien er op toe dat de vereiste preventieve middelen ingezet worden. Ook BIJ12-Faunafonds controleert hierop. Dat deze preventieve middelen en maatregelen zijn toegepast blijkt daarom uit de verleende tegemoetkomingen.


4. Waaruit blijkt dat de preventieve middelen en maatregelen niet bevredigend zijn gebleken?

Antwoord:
Dat blijkt uit de gevallen van ernstige schade (waarbij een financiële tegemoetkoming is uitgekeerd) die zich hebben voorgedaan ondanks de inzet van preventieve middelen en maatregelen.


Uit het Utrechtse Faunabeheerplan blijkt volgens de Raad van State onvoldoende dat er een relatie bestaat tussen de populatie grauwe ganzen en de omvang van de schade in de provincie Utrecht en het college heeft dat niet op een andere wijze voldoende nauwkeurig gemotiveerd. Zo is de populatie grauwe ganzen in 2013 gestegen, terwijl de getaxeerde landbouwschade dat jaar lager was dan in 2012. De Raad van State zegt in de uitspraak: De aan de verlening van de ontheffing ten grondslag gelegde cijfers vormen geen nauwkeurige en treffende motivering dat aan die voorwaarde is voldaan. In de ontheffing ten behoeve van populatiebeheer van de grauwe gans verzonden op 6 juli 2017 (ontheffing 050343), zegt de Omgevingsdienst Brabant Noord: “Ondanks de exponentiële toename van het aantal grauwe ganzen in de provincie is het totaal aan getaxeerde landbouwschade in dezelfde periode afgenomen.”

5. Kunt u het verschil tussen uw visie op de toename van ganzen versus de afname van getaxeerde landbouwschade en de visie daarop van de Raad van State en de Faunabescherming nader duiden?

Antwoord:
In de provincie Noord-Brabant heeft er vanaf het jaar 2005 tot aan 2010 geen specifiek (populatie-)beheer van overzomerende ganzen plaatsgevonden. Zowel de schade als de populatie zijn in die periode sterk toegenomen. Met ingang van 2011/2012 heeft intensief schadebeheer (op basis van ontheffingen) plaatsgevonden waardoor de schade stabiliseerde/licht afgenomen is. Het beheer door afschot lijkt hiermee doeltreffend. De populatie is echter blijven groeien. Dat sinds 2013/2014 de getaxeerde schade duidelijk is afgenomen, houdt onzes inziens verband met de invoering van het behandelbedrag (€300) en het eigen risico (€250).


Ondanks dat het afschot in de provincie Utrecht in 2013 is gestegen, is ook de populatie zomerganzen aldaar met 9% toegenomen. Het Utrechtse Faunabeheerplan geeft daar geen verklaring voor. Noch heeft het Utrechtse college van Gedeputeerde Staten op andere wijze gemotiveerd waarom het afschieten van grauwe ganzen een effectieve oplossing is om belangrijke schade aan gewassen te voorkomen. Het beheer heeft evenmin geleid tot afname van de groei van de ganzenpopulatie.

6. Kunt u uitleggen wat het verschil is tussen het beheer van (grauwe) ganzen in de provincie Utrecht en het beheer van (grauwe) ganzen in de provincie Noord-Brabant?

Antwoord:
In grote lijnen is er weinig verschil. Anders dan in Utrecht is er voor vangen en doden d.m.v. vergassing van ruiende ganzen geen ontheffing aangevraagd.


7. Is de uitspraak van de Raad van State ook voor uw college aanleiding om het ganzenbeleid te herzien en verleende ontheffingen ten behoeve van populatiebeheer in te trekken, of wacht u tot het moment dat het ook in Noord-Brabant komt tot een rechtszaak? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Onzes inziens hebben wij ons beleid voldoende onderbouwd en is de verleende ontheffing conform het door ons goedgekeurde Faunabeheerplan. Omdat wij werken met een ontheffing voor populatiebeheer met een looptijd van 1 jaar, zijn wij in staat om ‘de vinger aan de pols te houden’. Volledigheidshalve delen wij u mede dat de Stichting De Faunabescherming op 26 juli 2017ook een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de door ons verleende ontheffing populatiebeheer grauwe gans.


In het Gebiedsplan ganzen Noord-Brabant is aangegeven, dat voor een effectief beheer een combinatie van instrumenten noodzakelijk is, te weten het behandelen van eieren, koppelreductie, vangen van ruiende ganzen, de inzet van lokmiddelen en “afschot een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsopgang”. Wij gaan er vanuit dat de faunabeheereenheid in het faunabeheerplan bedoelt: “een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang”, evenals het geval is in de provincie Utrecht. In een eerdere uitspraak van de rechtbank Utrecht is bepaald dat de mogelijkheid om het geweer te gebruiken voor zonsopgang en na zonsondergang niet bij wettelijk voorschrift is vastgelegd, en dat het Utrechtse college van Gedeputeerde Staten met het verlenen van ontheffing daarvoor zijn bevoegdheid te buiten is gegaan. Uit de uitspraak van de Raad van State blijkt dat de rechtbank Utrecht terecht heeft overwogen dat de voor het gebruik van het geweer van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang verleende ontheffing in strijd is met de Vogelrichtlijn.

8. Bent u met ons van mening dat de ontheffing (050343), verzonden op 6 juli 2017, ten behoeve van populatiebeheer van de grauwe gans, dan ook in strijd is met de Vogelrichtlijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is het gevolg hiervan?

Antwoord:
Nee. Zoals ook de Raad van State in de aangehaalde uitspraak stelt, staat niet ter discussie dat het college van GS bevoegd is om onder de Wet natuurbescherming (anders dan onder de Flora- en faunawet) ontheffing te verlenen voor het gebruik van het geweer vanaf een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang. Dit is ook in lijn met onze Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant.


9. Is bovenstaande voor u reden om de ontheffing (deels) in te trekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Zie antwoord op vraag 8.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,
de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger