Vragen over de door de Raad voor de Leef­om­geving en Infra­structuur gead­vi­seerde reductie van de veestapel


Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de door de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur geadviseerde reductie van de veestapel.


Geacht college,

In het recente rapport ‘Duurzaam en gezond. Samen naar een houdbaar voedselsysteem’ van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur wordt een reductie van de veestapel geadviseerd en een afname van de consumptie van vlees, zuivel en eieren. Een duurzamer en gezonder voedselsysteem is noodzakelijk om de klimaatdoelen te halen, het milieu te ontzien en de volksgezondheidsrisico’s te minimaliseren.

Graag stellen wij u hierover de volgende vragen.

1. Bent u bereid de aanbevelingen uit het rapport te integreren in provinciaal beleid? Zo ja, Op welke wijze bent u voornemens de aanbevelingen uit het rapport te integreren in provinciaal beleid? Zo nee, waarom niet?

2. Welke toegevoegde waarde ziet u weggelegd voor de provincie ten opzichte van de andere partijen in dit vraagstuk?

3. Heeft u naar aanleiding van het rapport al (hernieuwd) overleg gehad met het Rijk over de toekomstige ontwikkeling van de veehouderij? Zo nee, bent u bereid dergelijk overleg (in IPO-verband) te initiëren?

4. Welke kaders bent u voornemens te stellen om producenten èn consumenten te ondersteunen in de transitie naar een duurzaam en gezond voedselsysteem? Kunt u dit beantwoorden voor veehouderij, landgebruik, natuur-inclusieve en biologische landbouw en circulaire economie?

5. Vindt u het wenselijk om meer provinciale bevoegdheden te krijgen over begrenzing van de veehouderij met het oog op volksgezondheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze bent u actief om, na het afketsen van de Interimwet veedichte gebieden, deze bevoegdheden te verkrijgen?

6. Op welke wijze wilt u gaan bijdragen aan een gezond verdienmodel voor veehouders? Bent u bereid het provinciale deel van de subsidies (o.a. de POP regelingen) uitsluitend nog aan te wenden voor ecosysteemdiensten die landbouwers uitvoeren en niet voor (indirecte) bedrijfs- c.q. inkomenssteun?

7. Bent u bereid om extra financiële middelen in te zetten voor saneringen en bedrijfsbeëindigingsregelingen in met name de varkenssector? Zo nee, waarom niet?

8. In het provinciale klimaatbeleid is geen aandacht voor de rol van voedsel inzake klimaatverandering. Bent u het met ons eens dat dit een vertekend beeld geeft en dat de eiwittransitie minstens zo belangrijk is als o.m. de energietransitie? Bent u bereid om dit aan te passen om zo een getrouwer beeld van de werkelijkheid te geven? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?

9. Welk aandeel in de provinciale uitstoot van broeikasgassen komt voor rekening van de Brabantse veehouderijbedrijven, inclusief de uitstoot van sectorafhankelijke bedrijven zoals veevoederbedrijven, transportbedrijven (grondstoffen, vee en mest), mestbewerkingsinstallaties, etc.?

10. Bent u van mening dat er een apart provinciaal voedselbeleid zou moeten komen, al dan niet binnen de huidige beleidslijnen, om de transitie naar een ander voedselsysteem voldoende te borgen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Wij danken u bij voorbaat voor uw beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 22 mei 2018

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Bent u bereid de aanbevelingen uit het rapport te integreren in provinciaal beleid? Zo ja, Op welke wijze bent u voornemens de aanbevelingen uit het rapport te integreren in provinciaal beleid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) is het strategisch adviescollege voor regering en parlement op het brede domein van duurzame ontwikkeling van de leefomgeving en infrastructuur. Het betreffende advies, gericht aan het Rijk, geeft richtingen aan om te komen tot duurzame en gezonde productie en consumptie van voedsel.

Het advies bevat aanbevelingen op een aantal hoofdlijnen:
a) geef duidelijkheid over de ruimte voor de veehouderij in de toekomst;
b) naar duurzame consumptiepatronen;
c) benut ketenpartijen bij verduurzamen van productie en consumptie.

In 2016 is de Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood (UBA) door Provinciale Staten vastgesteld. Samengevat wordt in de UBA het volgende doel beschreven: “Een vitale, maatschappelijk gewaardeerde en bedrijfseconomisch gezonde sector, die opereert in evenwicht met de omgeving, met maximale aandacht voor dierenwelzijn, gezondheid en milieu.” Daarnaast wordt in de uitvoeringsagenda beschreven welke acties en projecten in 2016-2020 worden uitgevoerd op het gebied van Agrofood. In de UBA worden zes pijlers beschreven die allen bijdragen aan de transitiedoelstellingen:
1. Heldere kaders
2. Aanpakken overlast
3. Circulaire economie
4. Innovatie
5. Gezondheid
6. Verbinden en aanjagen

Binnen de pijler circulaire economie is begin dit jaar het uitvoeringsprogramma Plantaardig vastgesteld waarin onder andere wordt ingezet op het telen van Nedersoja en onderzoek naar nieuwe gewassen die kunnen bijdragen aan een gevarieerd en gezond voedingspatroon.

Onder de pijler verbinden en aanjagen valt het programma FoodUp! waar onder andere projecten als Slagerij de Hamvraag gesteund worden en de samenwerking wordt gezocht met Dutch Cuisine.

In 2018 zal de UBA, zoals aangekondigd in de Onderzoeks-en Adviesagenda, worden geëvalueerd. De uitkomsten van deze evaluatie kunnen als input voor het nieuwe bestuursakkoord en eventuele aanpassingen van het beleid worden gebruikt.

In het kader van het Nationaal klimaat- en energieakkoord wordt gesproken over klimaatvriendelijkere voedselconsumptie. Eén van de onderwerpen is de consumptie van dierlijke producten (eiwittransitie). Wij wachten de uitkomsten van dit proces af alvorens zelf aanvullende maatregelen te nemen.


2. Welke toegevoegde waarde ziet u weggelegd voor de provincie ten opzichte van de andere partijen in dit vraagstuk?

Antwoord:
In het rapport van de RLI zijn aanbevelingen beschreven die vooral betrekking hebben op de bevoegdheden van het Rijk. Verder zie het antwoord op vraag 1.


3. Heeft u naar aanleiding van het rapport al (hernieuwd) overleg gehad met het Rijk over de toekomstige ontwikkeling van de veehouderij? Zo nee, bent u bereid dergelijk overleg (in IPO-verband) te initiëren?

Antwoord:
Ja, de provincie heeft met regelmaat zowel ambtelijk als bestuurlijk overleg met het Rijk, ook in IPO-verband.


4. Welke kaders bent u voornemens te stellen om producenten èn consumenten te ondersteunen in de transitie naar een duurzaam en gezond voedselsysteem? Kunt u dit beantwoorden voor veehouderij, landgebruik, natuur-inclusieve en biologische landbouw en circulaire economie?

Antwoord:
Wij hebben onze kaders en projecten opgenomen in de UBA en de ondersteunende maatregelen. Zie verder het antwoord op vraag 1


5. Vindt u het wenselijk om meer provinciale bevoegdheden te krijgen over begrenzing van de veehouderij met het oog op volksgezondheid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze bent u actief om, na het afketsen van de Interimwet veedichte gebieden, deze bevoegdheden te verkrijgen?

Antwoord:
Ja, de provincie streeft naar een verbetering van de leefomgeving rondom veehouderij. Met het Rijk overleggen we over meer mogelijkheden om daar grip op te krijgen (via het zogenaamde tweede spoor). Binnenkort volgt hierover meer informatie.
Daarnaast zal in de visie die de minister van LNV binnenkort uitbrengt over landbouw, natuur en voedsel, specifiek worden ingaan op de klimaatdoelen in relatie tot de veehouderij - dit ook in reactie op het genoemde RLI-advies.


6. Op welke wijze wilt u gaan bijdragen aan een gezond verdienmodel voor veehouders? Bent u bereid het provinciale deel van de subsidies (o.a. de POP-regelingen) uitsluitend nog aan te wenden voor ecosysteemdiensten die landbouwers uitvoeren en niet voor (indirecte) bedrijfs- c.q. inkomenssteun?

Antwoord:
zie antwoord op vraag 1.


7. Bent u bereid om extra financiële middelen in te zetten voor saneringen en bedrijfsbeëindigingsregelingen in met name de varkenssector? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het pakket ondersteunende maatregelen bevat verschillende middelen voor bedrijven die op een andere manier door willen met het bedrijf. Verder overleggen we met het Rijk over de inzet van de 200mln voor de sanering van de varkenshouderij


8. In het provinciale klimaatbeleid is geen aandacht voor de rol van voedsel inzake klimaatverandering. Bent u het met ons eens dat dit een vertekend beeld geeft en dat de eiwittransitie minstens zo belangrijk is als o.m. de energietransitie? Bent u bereid om dit aan te passen om zo een getrouwer beeld van de werkelijkheid te geven? Zo ja, wanneer? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
In 2018 is door Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma Plantaardig vastgesteld. Dit uitvoeringsprogramma bevat diverse maatregelen die bijdragen aan het op gang brengen van de eiwittransitie. Daarnaast zet de UBA via FoodUp! in op een vernieuwing en een bewustwording van ons voedselsysteem, waaronder de eiwittransitie, om zo te komen tot nieuwe verdienmodellen.


9. Welk aandeel in de provinciale uitstoot van broeikasgassen komt voor rekening van de Brabantse veehouderijbedrijven, inclusief de uitstoot van sectorafhankelijke bedrijven zoals veevoederbedrijven, transportbedrijven (grondstoffen, vee en mest), mestbewerkingsinstallaties, etc.?

Antwoord:
Deze gegevens zijn helaas niet voorhanden. In het onlangs verschenen rapport “Kosten energie- en klimaattransitie in 2030 – update 2018” (hier te vinden), zijn wel landelijke gegevens beschikbaar.


10. Bent u van mening dat er een apart provinciaal voedselbeleid zou moeten komen, al dan niet binnen de huidige beleidslijnen, om de transitie naar een ander voedselsysteem voldoende te borgen? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, de UBA omvat het totale Agrofoodcomplex, waar ook voedsel en consumptie ook onderdeel van is. Onder andere in FoodUp! is hier aandacht voor. Het is juist belangrijk om alle aspecten van de voedselketen in samenhang te blijven zien en daar gerichte acties op te nemen.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA