Vragen over fraude in gehouden dier­aan­tallen


Indiendatum: mei 2018

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende fraude in gehouden dieraantallen.


Geacht college,

Gisteren kwam naar voren dat in de veehouderijsector al jaren en in behoorlijke mate meer dieren worden gehouden dan is vergund. Uit controles van de Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) blijkt dat in 2017 op 68 van de 188 bezochte bedrijven te veel dieren zijn aangetroffen. De jaren daarvoor kennen gelijkende cijfers. Deskundigen zijn verrast door de hoge mate van overtredingen.

Vanwege de beperkte controlecapaciteit beperkt de NVWA zich tot bedrijven waarvan er aanwijzingen zijn dat er mogelijk iets mis is, maar ook bij controles zonder aanwijzingen worden regelmatig te veel dieren aangetroffen.

In 164 van de 227 gevallen waar te veel dieren zijn aangetroffen, was de overtreding dermate ernstig dat een proces-verbaal werd opgemaakt. Een landbouwadviseur stelt dat het bij de processen-verbaal om “forse overschrijdingen” moet gaan, aangezien veehouders op grond van de Meststoffenwet een marge van vijftien procent te veel dieren mogen hebben.

Project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’

Vanaf dit jaar is de provincie in samenwerking met gemeenten begonnen met het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’. Het doel is om in drie jaar tijd alle Brabantse veehouderijen te bezoeken en te controleren op het voldoen aan wet- en regelgeving.

In antwoord op eerdere vragen van onze fractie gaf u over dit project aan:
“In het project wordt door gemeenten en provincie op grond van Wabo-vergunningen en/of Wnb-plicht wel op het maximaal aantal dieren in stallen gecontroleerd. Indien er aanleiding voor is, zullen wij vanzelfsprekend de NVWA inlichten over onze bevindingen.”

1. Hoeveel bedrijven zijn er tot nu gecontroleerd in het kader van het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’?

2. Zijn er bij controles in het kader van het project gevallen van te veel gehouden dieren, zoals beschreven in het artikel, aangetroffen? Zo ja, om hoeveel bedrijven en om hoeveel te veel gehouden dieren ging het in de gevallen en op welke wijze is gehandhaafd?

3. Is bij u bekend hoeveel van de in het artikel genoemde 227 gevallen het Brabantse bedrijven betreft? Zo ja, om hoeveel bedrijven gaat het en wat is de mate van de overtredingen?

4. Indien ‘nee’ op voorgaande vraag: waarom is dit niet bij u bekend en bent u bereid hierover opheldering te vragen bij de betreffende instanties en Provinciale Staten hierover in te lichten? Zo nee, waarom niet?

5. Met hoeveel meer uitstoot door de Brabantse veehouderij hebben we feitelijk te maken, afgaande op de werkelijke dieraantallen, in plaats van de vergunde en/of opgegeven aantallen en welke gevolgen heeft dit voor lopende en toekomstige aanvragen?

In de Statenmededeling over het project stelt u:
“De pilot heeft uitgewezen dat het project, alle veehouderijen bezoeken binnen 3 jaar, met een paar wijzigingen in zijn volle omvang uitgevoerd kan worden. Intensiveren betekent dat de provincie en alle gemeenten alle veehouderijen op een uniforme wijze bezoeken en dat de gegevens op een uniforme wijze worden geregistreerd.”

6. Hoeveel gemeenten doen mee aan het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’?

7. Worden bedrijven in gemeenten die niet meedoen met het project ook bezocht en gecontroleerd volgens de wijze van het project? Zo ja, hoe wordt het ontbreken van medewerking door de betreffende gemeenten opgelost? Zo nee, op welke wijze word het project – alle veehouderijen op een uniforme wijze bezoeken en de gegevens op een uniforme wijze registreren – voltooid?

In het artikel van De Groene Amsterdammer wordt opgemerkt dat controlerende instanties langs elkaar heen werken.

8. Herkent u zich in deze opmerking? Zo ja, welke maatregelen stelt u voor om – al dan niet in het kader van het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’ – dit langs elkaar heen werken te minimaliseren? Zo nee, graag een concrete toelichting over hoe de provincie/de omgevingsdiensten en andere controlerende instanties niet langs elkaar heen werken.

In het kader van de (versnelde) transitie van de veehouderijsector stelt de provincie Brabant allerhande ondersteunende regelingen ter beschikking aan individuele veehouders, naast andere ondersteunende middelen vanuit onder meer het Plattelandsontwikkelprogramma 3 en Landbouw Innovatie Brabant.

9. Hebben geconstateerde overtredingen door individuele veehouders, waaronder niet uitsluitend het houden van te veel dieren, invloed op het al dan niet toekennen van ondersteunende middelen door de provincie aan de betreffende veehouders? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en acht u het wel wenselijk dat overtredingen het toekennen van ondersteunende middelen negatief beïnvloeden en bent u er toe bereid dit te regelen?

10. Hebben geconstateerde overtredingen door individuele veehouders invloed op het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen aan de betreffende veehouders? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en acht u het wel wenselijk dat overtredingen het verlenen van vergunningen en ontheffingen negatief beïnvloeden en bent u er toe bereid dit te regelen?

Wij danken u bij voorbaat voor uw beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren

Indiendatum: mei 2018
Antwoorddatum: 29 mei 2018

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Hoeveel bedrijven zijn er tot nu gecontroleerd in het kader van het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’?

Antwoord:
Wij kunnen u deze informatie nog niet geven. Dergelijke gegevens worden periodiek gerapporteerd aan de projectgroep en stuurgroep (van gemeenten, provincie en omgevingsdiensten). De diensten zijn nog bezig met het opstellen van een tussenrapportage over het eerste kwartaal van het driejarige project. Deze wordt binnen enkele weken verwacht. Op dat moment zullen wij u deze informatie delen met Provinciale Staten.


2. Zijn er bij controles in het kader van het project gevallen van te veel gehouden dieren, zoals beschreven in het artikel, aangetroffen? Zo ja, om hoeveel bedrijven en om hoeveel te veel gehouden dieren ging het in de gevallen en op welke wijze is gehandhaafd?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 1.


3. Is bij u bekend hoeveel van de in het artikel genoemde 227 gevallen het Brabantse bedrijven betreft? Zo ja, om hoeveel bedrijven gaat het en wat is de mate van de overtredingen?

Antwoord:
Nee


4. Indien ‘nee’ op voorgaande vraag: waarom is dit niet bij u bekend en bent u bereid hierover opheldering te vragen bij de betreffende instanties en Provinciale Staten hierover in te lichten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het gaat om controles, die door de NVWA vanuit haar eigen bevoegdheden zijn uitgevoerd. De informatie is opgevraagd bij de NVWA.
De NVWA bepaalt welke gegevens zij deelt. Tot op heden hebben wij niets ontvangen. We zullen de ontvangen gegevens, voor zover mogelijk, delen met Provinciale Staten.


5. Met hoeveel meer uitstoot door de Brabantse veehouderij hebben we feitelijk te maken, afgaande op de werkelijke dieraantallen, in plaats van de vergunde en/of opgegeven aantallen en welke gevolgen heeft dit voor lopende en toekomstige aanvragen?

Antwoord:
Hierop kunnen wij geen antwoord geven, omdat de uitstoot van stikstof op die manier niet wordt bijgehouden.


6. Hoeveel gemeenten doen mee aan het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’?

Antwoord:
Er doen op dit moment 43 gemeenten mee.


7. Worden bedrijven in gemeenten die niet meedoen met het project ook bezocht en gecontroleerd volgens de wijze van het project? Zo ja, hoe wordt het ontbreken van medewerking door de betreffende gemeenten opgelost? Zo nee, op welke wijze word het project – alle veehouderijen op een uniforme wijze bezoeken en de gegevens op een uniforme wijze registreren – voltooid?

Antwoord:
Nee. Wij hebben geen inzicht of gemeenten buiten het project ook het protocol volgen. Bedrijven worden wel gecontroleerd door gemeenten, dus is er in principe toezicht.
Voor het merendeel van de veehouderijen zijn gemeenten het bevoegd gezag bij toezicht en handhaving op de Wabo (discretionaire bevoegdheid). Dat maakt dat samenwerking i.c. deelname aan het project iTV alleen op vrijwillige basis kan plaatsvinden.
Het is aan de gemeente om te kiezen of ze deelnemen of dat ze de werkwijze van het project overnemen.


8. Herkent u zich in deze opmerking? Zo ja, welke maatregelen stelt u voor om – al dan niet in het kader van het project ‘Intensivering Toezicht Veehouderijen’ – dit langs elkaar heen werken te minimaliseren? Zo nee, graag een concrete toelichting over hoe de provincie/de omgevingsdiensten en andere controlerende instanties niet langs elkaar heen werken.

Antwoord:
Nee. Wij herkennen ons niet in deze opmerking. Binnen de provincie wordt op diverse niveaus samengewerkt, binnen het BPO (Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht), binnen de omgevingsdiensten en het RIEC. In het BPO is ook het NVWA vertegenwoordigd. Daarnaast vindt voortdurend overleg plaats tussen betrokken overheden en inspecties indien daartoe noodzaak bestaat, beleidsmatig of in een concreet geval.


9. Hebben geconstateerde overtredingen door individuele veehouders, waaronder niet uitsluitend het houden van te veel dieren, invloed op het al dan niet toekennen van ondersteunende middelen door de provincie aan de betreffende veehouders? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en acht u het wel wenselijk dat overtredingen het toekennen van ondersteunende middelen negatief beïnvloeden en bent u er toe bereid dit te regelen?

Antwoord:
Ja, GS onderzoeken momenteel, ook naar aanleiding van het dossier mestfraude, op welke wijze hiermee kan worden omgegaan.
De inzet van het BIBOB-instrument is één van de mogelijkheden die daarbij wordt onderzocht.


10. Hebben geconstateerde overtredingen door individuele veehouders invloed op het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen aan de betreffende veehouders? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en acht u het wel wenselijk dat overtredingen het verlenen van vergunningen en ontheffingen negatief beïnvloeden en bent u er toe bereid dit te regelen?

Antwoord:
Ja, voor zover wij bevoegd gezag zijn op grond van de Wabo toetsen wij de aanvraag voor een vergunning aan onze Beleidsregel toepassing Wet Bibob Noord-Brabant. Het gros van de veehouders valt echter onder de bevoegdheid van de gemeente.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA

Interessant voor jou

Vragen over de door de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur geadviseerde reductie van de veestapel

Lees verder

Vragen over de toekomst van RWE Generation NL B.V. te Geertruidenberg

Lees verder

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer