Vragen over de samen­stelling van het FBE-bestuur volgens de Veror­dening Natuur­be­scherming


Indiendatum: nov. 2016

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de samenstelling van het FBE-bestuur volgens de Verordening Natuurbescherming.


Geacht college,

Tijdens de themabijeenkomst over de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, op 18 november jl., kwamen o.a. de samenstelling van het bestuur van de Faunabeheereenheid (FBE) en de eisen aan het Faunabeheerplan (FBP) aan de orde. De gedeputeerd gaf o.a. aan dat het bestuur van de FBE zelf verantwoordelijk is voor haar samenstelling en dat de provincie niets heeft te zeggen over de wijze waarop het bestuur beslissingen neemt, over de wijze waarop wordt gestemd.

Wat betreft de rol van maatschappelijke organisaties in het FBE-bestuur, gaf de gedeputeerde aan dat de provincie het bestuur de opdracht meegeeft organisaties uit te nodigen zitting te nemen in het bestuur. Het FBE-bestuur zou zelf verantwoordelijk zijn voor de samenstelling van het bestuur.

De gedeputeerde gaf echter ook aan dat organisaties die “overal tegen zijn” geen zitting in het bestuur kunnen nemen. De maatschappelijke organisaties in het FBE-bestuur mogen niet tegen jacht zijn, aldus de gedeputeerde. In artikel 3.12, lid 2, van de Wet Natuurbescherming is zo een voorwaarde aan de maatschappelijke organisaties echter nadrukkelijk niet gesteld:
In het bestuur van een faunabeheereenheid zijn in ieder geval de jachthouders uit het werkgebied van de faunabeheereenheid en maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort, vertegenwoordigd.

Het bestuursreglement van de FBE, welke o.a. een beschrijving van de procedure voor benoeming van bestuursleden dient te bevatten, behoeft volgens artikel 4.3 van de Verordening Natuurbescherming de instemming van GS. Hieruit maken wij op dat GS de eindverantwoordelijkheid heeft over de samenstelling van het FBE-bestuur en derhalve ook het laatste woord heeft over de criteria die daaraan ten grondslag liggen.

Wij hebben hierover de volgende vragen.

1. Welke maatschappelijke organisaties kunnen zitting nemen in het FBE-bestuur?

2. Welke maatschappelijke organisaties zijn uitgesloten van deelname aan het FBE-bestuur?

3. Op welke wijze ziet u toe dat het FBE-bestuur maatschappelijke organisaties uitnodigt?

4. Kunnen maatschappelijke organisaties zichzelf uitnodigen om zitting te nemen in het FBE-bestuur? Zo ja, hoe verloopt dit proces en op basis waarvan zal een besluit genomen worden? Zo nee, waarom niet?

5. Is de voorwaarde dat organisaties in het FBE-bestuur niet tegen jacht mogen zijn een concrete uitwerking van de ‘instemming van Gedeputeerde Staten’, zoals genoemd in artikel 4.3, lid 3, van de Verordening Natuurbescherming?

6. Hoe rijmt u uw stelling dat de samenstelling van het FBE-bestuur een verantwoordelijkheid van het FBE-bestuur is, met de vereiste instemming van uw college voor deelname aan het FBE-bestuur door maatschappelijke organisaties?

7. Welke criteria liggen verder ten grondslag aan de keuze of een maatschappelijke organisatie al dan niet mag deelnemen in het FBE-bestuur?

8. Klopt het dat, indien geen maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd of ingaan op de uitnodiging, niet wordt voldaan aan artikel 3.12, lid 2, van de Wet Natuurbescherming? Is hiermee in dat geval sprake van een niet-volwaardig FBE-bestuur?

9. Welke criteria hanteert GS voor instemming met de benoeming van de voorzitter van het FBE-bestuur? Op welke wijze wordt de onafhankelijkheid van de voorzitter beproefd?

10. Welke rol in het besluitvormingsproces binnen het FBE-bestuur, heeft de onafhankelijke voorzitter? Heeft deze stemrecht?

11. Waarop baseerde de gedeputeerde zich toen hij stelde dat de provincie niets heeft te zeggen over de besluitvormingsprocedure binnen het FBE-bestuur?

12. Bent u het met ons eens dat de provincie/GS medeverantwoordelijk is voor de samenstelling van en de besluitvormingsprocedure in het FBE-bestuur, teneinde te voorkomen dat de maatschappelijke organisaties in een minderheidspositie per definitie buiten spel staan? Zo nee, waarom niet?

Tenslotte nog enkele vragen over het Faunabeheerplan (FBP).

13. Is het FBP volledig toetsbaar aan objectieve criteria? Zo ja, welke criteria worden hiervoor gehanteerd? Zo nee, waarom niet?

14. Welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of en in hoeverre een bepaalde soort in aantal gereduceerd moet worden?

15. Zijn deze criteria gebaseerd op onafhankelijk onderzoeken? Zo ja, welke zijn dat? En wanneer zijn deze onderzoeken voor het laatst uitgevoerd?

16. Zijn deze onderzoeken specifiek uitgevoerd voor Brabant? Zo nee, waarom niet?

17. Is het concept-FBP, voor vaststelling, openbaar in te zien door burgers? Zo nee, waarom niet?

18. Is bezwaar en/of beroep tegen het FBP mogelijk? Zo ja, bij welke instantie? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie.


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski,
Partij voor de Dieren

Indiendatum: nov. 2016
Antwoorddatum: 6 dec. 2016


Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Welke maatschappelijke organisaties kunnen zitting nemen in het FBE-bestuur?

Antwoord: Op grond van artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming dienen, naast jachthouders uit het werkgebied van de Faunabeheereenheid Noord-Brabant (FBE), in ieder geval maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd te zijn, die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in het werkgebied van de FBE. Maatschappelijke organisaties die voldoen aan deze eis, kunnen in beginsel zitting nemen in het FBE-bestuur. De verantwoordelijk voor de samenstelling van het FBE-bestuur, ligt bij het FBE-bestuur. Het is daarom aan het FBE-bestuur welke specifieke maatschappelijke organisaties zij uitnodigt voor vertegenwoordiging in het bestuur. Het FBE-bestuur heeft de volgende maatschappelijke organisaties, die op dit moment nog niet deelnemen aan het bestuur, uitgenodigd voor een gesprek over eventuele toekomstige toetreding: Stichting De Faunabescherming, de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren en Stichting Brabantse Milieufederatie.


2. Welke maatschappelijke organisaties zijn uitgesloten van deelname aan het FBE-bestuur?

Antwoord:
In de Wet natuurbescherming en het bij Statenvoorstel 81/16A behorende Ontwerpbesluit 81/16B Verordening natuurbescherming, zijn geen eisen opgenomen op basis waarvan maatschappelijke organisaties zijn uitgesloten van deelname aan het FBE-bestuur.

Of het FBE-bestuur maatschappelijke organisaties uitsluit van deelname aan het FBE-bestuur, is de keuze van het FBE-bestuur. Zie verder ons antwoord op vraag 1.


3. Op welke wijze ziet u toe dat het FBE-bestuur maatschappelijke organisaties uitnodigt?

Antwoord:
Wij zien daar niet op toe omdat dit geen verantwoordelijkheid van GS betreft. Dit betreft een verantwoordelijkheid van het bestuur van de Faunabeheereenheid. Zie ons antwoord op vraag 1.


4. Kunnen maatschappelijke organisaties zichzelf uitnodigen om zitting te nemen in het FBE-bestuur? Zo ja, hoe verloopt dit proces en op basis waarvan zal een besluit genomen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. Het is aan het bestuur van de Faunabeheereenheid of en op welke wijze zij ingaan op dit verzoek.


5. Is de voorwaarde dat organisaties in het FBE-bestuur niet tegen jacht mogen zijn een concrete uitwerking van de ‘instemming van Gedeputeerde Staten’, zoals genoemd in artikel 4.3, lid 3, van de Verordening Natuurbescherming?

Antwoord:
Nee. Zie ons antwoord op vraag 2.


6. Hoe rijmt u uw stelling dat de samenstelling van het FBE-bestuur een verantwoordelijkheid van het FBE-bestuur is, met de vereiste instemming van uw college voor deelname aan het FBE-bestuur door maatschappelijke organisaties?

Antwoord:
Het vereiste van instemming door GS vormt een vangnet op het moment dat het bestuur voornemens zou zijn het FBE-bestuur samen te stellen zonder de vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties.


7. Welke criteria liggen verder ten grondslag aan de keuze of een maatschappelijke organisatie al dan niet mag deelnemen in het FBE-bestuur?

Antwoord:
Of het FBE-bestuur aanvullend op de eis in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming, overige criteria ten grondslag legt aan haar keuze, is aan het FBE-bestuur.


8. Klopt het dat, indien geen maatschappelijke organisaties worden uitgenodigd of ingaan op de uitnodiging, niet wordt voldaan aan artikel 3.12, lid 2, van de Wet Natuurbescherming? Is hiermee in dat geval sprake van een niet-volwaardig FBE-bestuur?

Antwoord:
Nee, in het huidige bestuur van de Faunabeheereenheid zijn reeds maatschappelijke organisaties als bedoeld in artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming vertegenwoordigd. Indien deze partijen vanaf 1 januari 2017 niet langer vertegenwoordigd zijn in het bestuur én hiervoor in de plaats geen andere maatschappelijke organisaties zitting zouden nemen, is pas sprake van bestuur dat niet voldoet aan de eisen van artikel 3.12, tweede lid, van de Wet natuurbescherming.


9. Welke criteria hanteert GS voor instemming met de benoeming van de voorzitter van het FBE-bestuur? Op welke wijze wordt de onafhankelijkheid van de voorzitter beproefd?

Antwoord:
Bij de instemming met de voordracht is het criterium dat de voorzitter onafhankelijk dient te zijn. Dit betekent dat de voorzitter niet werkzaam mag zijn voor een van de organisaties die in het bestuur van de Faunabeheereenheid vertegenwoordigd zijn.


10. Welke rol in het besluitvormingsproces binnen het FBE-bestuur, heeft de onafhankelijke voorzitter? Heeft deze stemrecht?

Antwoord:
Of de voorzitter stemrecht heeft in het besluitvormingsproces binnen de Faunabeheereenheid wordt vastgelegd in het bestuursreglement van de Faunabeheereenheid. Het stemrecht van de voorzitter betreft een keuze van het bestuur.


11. Waarop baseerde de gedeputeerde zich toen hij stelde dat de provincie niets heeft te zeggen over de besluitvormingsprocedure binnen het FBEbestuur?

Antwoord:
Zie onze antwoord op vraag 1.


12. Bent u het met ons eens dat de provincie/GS medeverantwoordelijk is voor de samenstelling van en de besluitvormingsprocedure in het FBE-bestuur, teneinde te voorkomen dat de maatschappelijke organisaties in een minderheidspositie per definitie buiten spel staan? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, zie onze antwoorden op de vragen 1, 3 en 6.


13. Is het FBP volledig toetsbaar aan objectieve criteria? Zo ja, welke criteria worden hiervoor gehanteerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming stelt enkele eisen aan het Faunabeheerplan (FBP). Op basis van artikel 3.12 van de Wet natuurbescherming stellen Provinciale Staten regels aan het FBP. Deze regels zijn uitgewerkt in paragraaf 5 van het bij Statenvoorstel 81/16A behorende Ontwerpbesluit Verordening natuurbescherming. In de artikelen 5.4 tot en met 5.8 van de verordening is uitgewerkt welke gegevens het FBP moet bevatten.

Een deel hiervan is objectief toetsbaar omdat de FBP de gevraagde gegevens baseert op onderzoeken en gegevens welke zijn verzameld en vastgelegd in objectieve databases. Te denken valt bijvoorbeeld aan door Alterra landelijk of specifiek voor Brabant uitgevoerde onderzoeken. Verder valt te denken aan de gegevens in het Fauna Registratie Systeem, de Nationale Database Flora en Fauna, Faunafonds met faunaschades, de (provinciale) atlasgegevens van SOVON, de verspreidingsatlassen etc. Welke onderzoeken en databases worden gebruikt voor het FBP, is de keuze van het FBE-bestuur.

Een deel van de gevraagde gegevens is niet objectief toetsbaar omdat in de genoemde paragraaf 5 ook subjectieve eisen worden gesteld. Zie bijvoorbeeld artikel 5.8 onder b; het geven van een beschrijving van de maatschappelijke belangen die met de uitoefening van de jacht gediend zijn. Het FBE-bestuur zal hierin, samen met maatschappelijke organisaties die vertegenwoordigd zijn, een afweging maken.

Bij de goedkeuring van het FBP maken GS een afweging tussen enerzijds het belang van de bescherming van diersoorten en anderzijds andere belangen als het bestrijden of beheren van diersoorten in verband met het voorkomen van schade aan gewassen of het voorkomen van risico’s voor de openbare veiligheid. Hoe GS deze afweging maken is beschreven in het uitvoeringsbeleid van GS. De uitgangspunten die GS hanteren zijn beschreven in de Beleidsnota Flora- en faunawet (‘ Gewogen belangen’ ). Begin 2017 stellen GS nieuw uitvoeringsbeleid op. Hierover worden uw Staten middels een statenmededeling geïnformeerd.


14. Welke criteria worden gehanteerd om te bepalen of en in hoeverre een bepaalde soort in aantal gereduceerd moet worden?

Antwoord:
Zie ons antwoord op vraag 13.


15. Zijn deze criteria gebaseerd op onafhankelijk onderzoeken? Zo ja, welke zijn dat? En wanneer zijn deze onderzoeken voor het laatst uitgevoerd?

Antwoord:
Zie ons antwoord op vraag 13.


16. Zijn deze onderzoeken specifiek uitgevoerd voor Brabant? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zie ons antwoord op vraag 13.


17. Is het concept-FBP, voor vaststelling, openbaar in te zien door burgers? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Opstelling en vaststelling van het FBP is de taak van de Faunabeheereenheid. Het is derhalve aan de FBE om het concept-FBP al dan niet openbaar in te laten zien door burgers.


18. Is bezwaar en/of beroep tegen het FBP mogelijk? Zo ja, bij welke instantie? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, tegen een besluit van GS tot goedkeuring van het FBP is bezwaar en beroep mogelijk. Dit is echter uitsluitend mogelijk voor zover het Faunabeheerplan betrekking heeft op handelingen waarvoor geen ontheffing van GS is vereist. Het gaat hierbij om handelingen die op basis op vrijstellingen worden uitgevoerd en om de uitoefening van de jacht.

Een bezwaarschrift tegen het goedkeuringsbesluit wordt ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit neemt, in dit geval het College van GS. Beroep is mogelijk bij de Rechtbank. Hoger beroep is mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bezwaar en beroep tegen de goedkeuring van het FBP is niet mogelijk, voor zover het Faunabeheerplan betrekking heeft op handelingen waarvoor een ontheffing van GS vereist is. In die gevallen is bezwaar en beroep mogelijk tegen de verleende ontheffingen. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger