Vragen over de vestiging van een honden­trai­ning­centrum in Halsters Laag, Bergen op Zoom


Geacht college,

Een ondernemer in Bergen op Zoom is zinnens een hondentrainingcentrum te vestigen in twee loodsen op zijn agrarisch perceel. De gemeentelijke politiek neemt binnenkort een besluit over de hiervoor benodigde wijziging van het bestemmingsplan.

De locatie is gelegen in de groenblauwe mantel en voor realisatie is een bestemmingsplanwijziging nodig, vanwege de grootte van en de geluidsbelasting door het hondentrainingcentrum. In de groenblauwe mantel zijn niet-agrarische functies met een milieucategorie van 3 of hoger niet toegestaan, afgaande op artikel 6.10 van de Verordening ruimte.

Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel biedt geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

Wij hebben hierover de volgende vragen.

  1. Bent u het met ons eens dat voor de beoogde locatie de Verordening ruimte leidend is, en de bestemming van de huidige locatie groenblauwe mantel dient te blijven? Zo nee, waarom niet?
  2. Bent u het met ons eens dat een hondentraningcentrum niet valt binnen de doelstellingen van de groenblauwe mantel ten aanzien van het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap? Zo nee, waarom niet?
  3. Klopt het dat een hondentrainingcentrum per definitie onder de milieucategorie 3.1 valt, volgens de VNG-brochure? Zo nee, onder welke milieucategorie valt een hondentrainingscentrum volgens u en op basis waarvan?
  4. Volgens de aanvraag zou het hondentrainingcentrum onder milieucategorie 2 vallen. Bent u op de hoogte van jurisprudentie die dit bevestigt? Zo ja, welke jurisprudentie betreft dat? Zo nee, bent u het met ons eens dat het hondentrainingcentrum valt onder milieucategorie 3.1 en daarom niet is toegestaan in de groenblauwe mantel?
  5. Volgens de aanvraag zou het hondentrainingcentrum onder milieucategorie 2 alsnog niet aan de geluidsvoorwaarden voldoen, en dat voor het wel voldoen door het bevoegd gezag van die voorwaarde kan worden afgeweken. Bent u het met ons eens dat het stapelen van uitzonderingen (het afwijken van de maximale geluidsnorm, en het inschalen op milieucategorie 2 i.p.v. categorie 3.1) niet gewenst is, en ten koste gaat van de provinciale belangen die de Verordening ruimte dient te beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hier tegen te ageren?
  6. Indien ‘nee’ op voorgaande vraag: bent u het met ons eens dat het afwijken van de Verordening ruimte en afwijken van milieucategorieën precedent(en) schept en het behoud en de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap op losse schroeven zet? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 24 jun. 2019

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Bent u het met ons eens dat voor de beoogde locatie de Verordening ruimte leidend is, en de bestemming van de huidige locatie groenblauwe mantel dient te blijven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
De gemeente kan bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening nodig acht. De gemeente dient daarbij de regels uit de Verordening ruimte toe te passen. In de Verordening zijn, op basis van kenmerken en waarden, structuren opgenomen met daaraan gekoppeld beschermings- en ontwikkelingsmogelijkheden. Er zijn op dit moment geen signalen vanuit de gemeente bekend om in het gebied Halsters Laag een structuur uit de Verordening te wijzigen.


2. Bent u het met ons eens dat een hondentraningcentrum niet valt binnen de doelstellingen van de groenblauwe mantel ten aanzien van het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel biedt evenwel ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie. Het is in eerste instantie aan de gemeenten om te beoordelen welke huidige waarden er in een gebied aanwezig zijn en of de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de kwaliteit daarvan. In de Verordening zijn de ontwikkelingsmogelijkheden binnen de groenblauwe mantel gekoppeld aan meerdere voorwaarden.


3. Klopt het dat een hondentrainingcentrum per definitie onder de milieucategorie 3.1 valt, volgens de VNG-brochure? Zo nee, onder welke milieucategorie valt een hondentrainingscentrum volgens u en op basis waarvan?

Antwoord:
Een hondentrainingscentrum wordt niet als zodanig genoemd in de VNG-brochure. Hondendressuurterreinen zijn daarin aangemerkt als milieucategorie 3.1.


4. Volgens de aanvraag zou het hondentrainingcentrum onder milieucategorie 2 vallen. Bent u op de hoogte van jurisprudentie die dit bevestigd? Zo ja, welke jurisprudentie betreft dat? Zo nee, bent u het met ons eens dat het hondentrainingcentrum valt onder milieucategorie 3.1 en daarom niet is toegestaan in de groenblauwe mantel?

Antwoord:
Ons is geen jurisprudentie bekend omtrent een hondentrainingscentrum. Zoals onder 3. vermeld zijn hondendressuurterreinen aangemerkt als milieucategorie 3.1. De VNGbrochure is een richtlijn. Of de specifieke omstandigheden aanleiding zijn om te oordelen dat in het voorliggend geval sprake is van een lagere categorie is ons niet bekend. Wel kan op basis van jurisprudentie worden geconstateerd dat bij een beoordeling of sprake is van een lagere milieucategorie niet alleen de geluidaspecten bepalend zijn maar ook de ruimtelijke uitstraling.


5. Volgens de aanvraag zou het hondentrainingcentrum onder milieucategorie 2 alsnog niet aan de geluidsvoorwaarden voldoen, en dat voor het wel voldoen door het bevoegd gezag van die voorwaarde kan worden afgeweken. Bent u het met ons eens dat het stapelen van uitzonderingen (het afwijken van de maximale geluidsnorm, en het inschalen op milieucategorie 2 i.p.v. categorie 3.1) niet gewenst is, en ten koste gaat van de provinciale belangen die de Verordening ruimte dient te beschermen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid hier tegen te ageren?

Antwoord:
In zijn algemeenheid is het stapelen van uitzonderingen inderdaad ongewenst. Omdat ons nog geen plan bekend is, kunnen we niet op voorhand aangeven of sprake is van een inbreuk op provinciale belangen en of we tegen het plan zullen ageren.


6. Indien ‘nee’ op voorgaande vraag: bent u het met ons eens dat het afwijken van de Verordening ruimte en afwijken van milieucategorieën precedent(en) schept en het behoud en de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap op losse schroeven zet? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het scheppen van precedenten moet zoveel als mogelijk worden voorkomen. Indien geconstateerd kan worden dat de activiteiten te scharen zijn onder milieucategorie 2 is geen sprake van een afwijking van de Verordening ruimte. Indien sprake is van een hogere categorie ontstaat strijdigheid met de Verordening ruimte en geeft de Verordening geen afwijkingsmogelijkheid.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA