Vragen over de voor­ge­nomen aanpas­singen aan de maat­re­gelen voor de versnelling van de veehou­de­rijt­ran­sitie


Geacht college,

Naar aanleiding van de Statenmededeling Hoofdlijnen voorgenomen aanpassingen versnelling transitie veehouderij, waarin u een toelichting geeft op de aanpassingen, hebben wij de volgende vragen.

Een maatregel voor een (deel)sector die leidt tot toename van de ammoniakemissie (en daarmee voor de totale stikstofdepositie) wordt in beginsel binnen diezelfde (deel)sector, maar altijd binnen de veehouderij, opgevangen.”

1. Wordt hierbij uitgegaan van het principe van eerst compenseren dan pas extra emissie? M.a.w., moet het opvangen van die toename van emissie eerst daadwerkelijk gerealiseerd zijn, voordat de toename mag plaatsvinden? Zo ja, hoe wordt dit geborgd? Zo nee, hoe wordt voorkomen dat we in dezelfde problematiek als door de PAS geraken?

We vullen het instrumentarium aan met een regeling voor structuurversterking van de melkveehouderij volgens de gedachte van kringlooplandbouw.
(…)
De vrijkomende gronden worden vaak verpacht voor intensieve teelten, zoals bijvoorbeeld prei en boomteelt) en komen daardoor nauwelijks beschikbaar voor de blijvende melkveebedrijven, omdat de koop- en pachtprijzen te hoog zijn. Zij kunnen daardoor moeilijk stappen zetten richting maatschappelijke wensen zoals grondgebondenheid, kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw.
We gaan onderzoeken of we als provincie (deze) vrijkomende gronden kunnen kopen en - eventueel na ruilen van gronden - kunnen verpachten aan melkveehouders.

2. Welke economische gevolgen heeft dit voor akkerbouwers? Betekent dit hogere kosten voor akkerbouwers, en daarmee een hogere drempel om over te schakelen naar natuurinclusieve akkerbouw?

3. Bent u het met ons eens dat het voortrekken van melkveehouders op akkerbouwers onwenselijk is, omdat het voor de verduurzaming van de landbouw effectiever is om dierlijke eiwitproductie te vervangen met plantaardige eiwitproductie, i.p.v. de melkveesector te bestendigen met deze maatregel?

4. Bent u bereid om, ten behoeve van verduurzaming van de landbouw, in te zetten op vervanging van melkveehouderijbedrijven door natuurinclusieve akkerbouw, omdat hiermee ook een positieve bijdrage is te leveren op het gebied van de klimaatopgave en dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?

5. Bent u het met ons eens dat deze maatregel het risico met zich meebrengt dat er minder melkveehouders genoodzaakt zijn om te stoppen, terwijl een krimp van het aantal landbouwdieren juist hard nodig is? Zo nee, waarom niet?

We onderzoeken de mogelijkheid om stro(oisel)stallen gekoppeld aan natuurinclusieve landbouw op een andere manier mee te nemen in onze Verordening natuurbescherming, mits een zeer lage stikstofemissie (lucht én bodem/water) goed kan worden geborgd in ketensystemen. Gegeven de tijd die nodig is voor dit onderzoek, kunnen grondgebonden bedrijven met stro(oisel)stallen en een natuurinclusieve bedrijfsvoering 2 jaar uitstel krijgen van de termijnen van de Verordening natuurbescherming, mits zij aannemelijk kunnen maken (bijvoorbeeld op basis van de kringloopwijzer) dat zij een erg lage stikstofemissies hebben.

6. Wat gebeurt er als het onderzoek niet de gewenste resultaten heeft?

Om het beoogde tempo van emissiereductie te borgen en verdergaande ruimtelijke concentratie tegen te gaan kiezen we voor een aanpassing van de stalderingsregeling, nl. door “10 m2 nieuwe stal in ruil voor 11 m2 oude stal” aan te passen naar “10 m2 nieuwe stal in ruil voor 12 m2 oude stal”.

7. Hoeveel m2’s oude stal zijn er tot op heden gesloopt in het kader van de stalderingsregeling?

8. Is er een schatting en/of berekening aan deze aanpassing voorafgegaan? Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze voor 12 m2 oude stal in ruil voor 10 m2 nieuwe stal?

9. In welke mate zal deze maatregel de vertraging in afname van stikstofuitstoot – waar de andere voorstellen toe leiden – compenseren, naar verwachting?


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 30 jul. 2019

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Wordt hierbij uitgegaan van het principe van eerst compenseren dan pas extra emissie? M.a.w., moet het opvangen van die toename van emissie eerst daadwerkelijk gerealiseerd zijn, voordat de toename mag plaatsvinden? Zo ja, hoe wordt dit geborgd? Zo nee, hoe wordt voorkomen dat we in dezelfde problematiek als door het PAS geraken?

Antwoord:
Ons doel is dat de geprognotiseerde emissiereductie eenzelfde tempo blijft houden als verwacht op basis van de besluiten van 2017. Op basis van een analyse vooraf gaan we na of het totale pakket van maatregelen het verwachte resultaat oplevert. Wij laten deze analyse uitvoeren ten behoeve van het statenvoorstel met de aangekondigde aanpassingen dat wij aan Provinciale Staten voorleggen. Vervolgens monitoren we de mate waarin dit daadwerkelijk gebeurt en sturen dan zo nodig bij, zoals aangekondigd in de statenmededeling.
De situatie is anders dan bij het PAS omdat de voorgenomen aanpassingen geen toename van de emissie betekenen, maar een tijdelijke minder snelle afname. Daarnaast mist een directe relatie met het PAS, aangezien het PAS een toetsingskader betrof dat getoetst diende te worden aan de Europese Habitatrichtlijn en de Wet natuurbescherming.


2. Welke economische gevolgen heeft dit voor akkerbouwers? Betekent dit hogere kosten voor akkerbouwers, en daarmee een hogere drempel om over te schakelen naar natuurinclusieve akkerbouw?

Antwoord:
Ons doel is melkveehouders te ondersteunen bij hun positie op de grondmarkt. Dit zal binnen de kaders van staatssteun moeten gebeuren; die kaders hebben tot doel marktverstoring door prijsopdrijving door overheden tegen te gaan.


3. Bent u het met ons eens dat het voortrekken van melkveehouders op akkerbouwers onwenselijk is, omdat het voor de verduurzaming van de landbouw effectiever is om dierlijke eiwitproductie te vervangen met plantaardige eiwitproductie , i.p.v. de melkveesector te bestendigen met deze maatregel?

Antwoord:
Nee. Als veel melkveehouders stoppen komt het beheer en onderhoud van kwetsbare gebieden zoals beekdalen en weidevogelgebieden onder druk te staan. Ook zien wij het areaal intensieve teelten en daarmee de druk op de kwaliteit van het grondwater toenemen. We onderzoeken met welke maatregelen we extensivering stimuleren en zo genoemde effecten tegengaan.


4. Bent u bereid om, ten behoeve van verduurzaming van de landbouw, in te zetten op vervanging van melkveehouderijbedrijven door natuurinclusieve akkerbouw, omdat hiermee ook een positieve bijdrage is te leveren op het gebied van de klimaatopgave en dierenwelzijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, goed beheerde graslanden dragen hun steentje bij aan klimaatopgave (binden van CO2), biodiversiteit, waterkwaliteit en de kwaliteit van het landschap.


5. Bent u het met ons eens dat deze maatregel het risico met zich meebrengt dat er minder melkveehouders genoodzaakt zijn om te stoppen, terwijl een krimp van het aantal landbouwdieren juist hard nodig is? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ons streven is om de melkveehouderij te extensiveren, omdat dit bijvoorbeeld bijdraagt aan kringlooplandbouw en meer kansen biedt om koeien in de wei te laten lopen.


6. Wat gebeurt er als het onderzoek niet de gewenste resultaten heeft?

Antwoord:
We hebben er vertrouwen in dat het onderzoek bruikbare oplossingen oplevert. Op het moment dat de inhoudelijke resultaten van het onderzoek, de gebleken kansen en eventuele resterende belemmeringen bekend zijn, zullen wij daarbij passende voorstellen doen.


7. Hoeveel m2’s oude stal zijn er tot op heden gesloopt in het kader van de stalderingsregeling?

Antwoord:
In totaal is 23.510 m2 aan oude stallen ingezet voor de stalderingsregeling. Hiervan is 8.743 m² herbestemd en 14.767 m² gesloopt.


8. Is er een schatting en/of berekening aan deze aanpassing voorafgegaan? Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze voor 12 m2 oude stal in ruil voor 10 m2 nieuwe stal?

Antwoord:
We hebben deze keuze gemaakt op basis van een eerste globale analyse van de gevolgen voor de stikstofuitstoot en de bedoeling het instrument van staldering voldoende aantrekkelijk te houden zodat niet in alle gevallen voor zijwaarts uitbreiden wordt gekozen.


9. In welke mate zal deze maatregel de vertraging in afname van stikstofuitstoot – waar de andere voorstellen toe leiden – compenseren, naar verwachting?

Antwoord:
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 laten wij een analyse uitvoeren naar de effecten van het maatregelenpakket.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA