Vragen over een verleende ontheffing voor het gebruik van vang­kooien voor wilde zwijnen


Indiendatum: jun. 2016

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende een verleende ontheffing voor het gebruik van vangkooien voor wilde zwijnen.


Geacht college,

16 juni 2016 heeft Omgevingsdienst Brabant Noord een ontheffing verleend aan de Faunabeheereenheid (FBE) Noord-Brabant voor het gebruik van vangkooien voor wilde zwijnen. In de aanvraag staat dat de FBE aangeeft dat het aantal wilde zwijnen dat voorkomt in Brabant zorgelijk is en dat daarom vangkooien zouden moeten worden ingezet.

Wij hebben hierover de volgende vragen.

1. Bent u het met ons eens dat het provinciaal belang alleen ligt in schade en aanrijdingen, en niet in de aantallen?

2. Kunt u exact aangeven waar, wanneer en hoeveel de schade door wilde zwijnen is aangericht in het afgelopen jaar, en idem voor het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen?

3. In hoeverre is er sprake van een toename van schade en aanrijdingen met voorgaande jaren, en is die toename volgens u groot of klein?

4. Rechtvaardigt die toename volgens u het gebruik van tot 15 vangkooien? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

5. Indien er geen sprake is van een significantie toename, is dat reden om de ontheffing in te trekken? Zo nee, waarom niet?

6. Is over het gebruik van vangkooien als nieuw middel contact geweest met dierenwelzijnsorganisaties? Zo ja, wat was hun mening over het gebruik van vangkooien? Zo nee, waarom niet?

In het besluit voor het gebruik van vangkooien voor wilde zwijnen staat dat er maximaal 15 vangkooien mogen worden gebruikt, waar ook meerdere dieren tegelijk in gevangen kunnen worden. Ook worden de kooien online gemonitord om te zien of en welke dieren er in de vangkooien zitten.

7. Bent u het met ons eens dat het vangen van wilde zwijnen en ander wild in een vangkooi sowieso stress voor de dieren oplevert?

8. Vindt u dat het gebruik van tot 15 vangkooien proportioneel is tot de bescherming van de provinciale belangen; schade en aanrijdingen (zie ook vragen 2 en 3)?

9. Bent u het met ons eens dat afschot niet geholpen heeft om de schade door wilde zwijnen te verminderen?

10. Als blijkt dat ook vangkooien de schade niet verminderen, betekent dit dat vangkooien daarna niet meer zullen worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?

In de aanvraag wordt gesteld dat het Faunafonds van mening is dat met het gebruik van vangkooien onnodige stress en vangsten van andere dieren wordt voorkomen. In de overwegingen wordt gesteld dat gevangen wilde zwijnen vrij weinig stress ervaren, zolang er geen mensen aanwezig zijn.

11. Welke onderliggende informatie ligt ten grondslag aan het gestelde dat gevangen wilde zwijnen weinig stress ervaren?

12. Betekent dit dat andere dieren, zoals reeën, wel stress ervaren als zij gevangen worden? Wat zijn de gevolgen voor die dieren?

13. Hoelang mogen dieren volgens u in een vangkooi zitten? Wie controleert dat?

Er is gesproken over het gebruik van een handpistool met een kaliber van .22, voor het doden van gevangen wilde zwijnen. Tevens wordt een ontheffing verleend voor het gebruik van een geweer dat niet voldoet aan de ’40 ha-eis’.

14. Waarom wordt de ’40 ha-eis’ in deze losgelaten, aangezien het gebruikt wordt voor zwijnen die in kooien gevangen zitten?

15. Heeft deze ’40 ha-eis’-ontheffing consequenties voor de benuttingsjacht? Zo ja, welke?

De filmbeelden van het vangen van zwijnen worden ten minste vier weken na afloop van de machtiging bewaard.

16. Worden ook de beelden van het afschot bewaard, om te controleren of er volgens afspraak wordt gedood? Zo nee, waarom niet?

17. Zijn de beelden ook real time beschikbaar voor dierenwelzijnsorganisaties? Zo ja, worden de filmbeelden beoordeeld door dierenwelzijnsorganisaties? Zo nee, waarom niet?

18. Zijn de filmbeelden ook publiek beschikbaar? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

19. Kunnen de filmbeelden ook aan Provinciale Staten worden getoond om er een politiek standpunt over te kunnen innemen? Zo nee, waarom niet?

20. Hoe vindt controle en handhaving plaats? Op welke wijze volgt een evaluatie van het beleid? En welke sancties zijn er bij het niet nakomen van het vangen en doden-protocol en de wettelijke eisen?

Wij vernemen graag uw reactie.


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Indiendatum: jun. 2016
Antwoorddatum: 12 jul. 2016

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Bent u het met ons eens dat het provinciaal belang alleen ligt in schade en aanrijdingen, en niet in de aantallen?

Antwoord: Nee. Voor Noord-Brabant geldt formeel een nulstandsbeleid voor het wild zwijn. Uit onderzoek van Alterra is gebleken dat aantallen (populatiedichtheden) en aanrijdingen een verband met elkaar hebben. Ook zijn er bij grotere aantallen meer schademeldingen in landbouwgewassen dan bij lagere aantallen.


2. Kunt u exact aangeven waar, wanneer en hoeveel de schade door wilde zwijnen is aangericht in het afgelopen jaar, en idem voor het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen?

Antwoord: Ja. In het beheerjaar 2014/2015 zijn 18 schademeldingen ingediend bij het Faunafonds met een getaxeerde schade van €37.741 (Bron: Faunafonds). In 2015 hebben 20 aanrijdingen met wilde zwijnen plaats gevonden. Deze worden via de meldkamer door Stichting Afhandeling en Monitoring Fauna-aanrijdingen geregistreerd. Zowel de schades als de aanrijdingen vonden plaats in de regio’s Gemert-Bakel, Asten en Heeze-Leende, de regio’s waar zwijnen voorkomen in Noord-Brabant.


3. In hoeverre is er sprake van een toename van schade en aanrijdingen met voorgaande jaren, en is die toename volgens u groot of klein?

Antwoord: De getaxeerde schade aan gewassen nam gemiddeld licht af in de periode 2010 en 2015, schommellend tussen € 88.581,- in 2010 en € 37.741,- in 2015. Het aantal aanrijdingen liep min of meer gelijkmatig op van 1 in 2010 tot 20 in 2015. De situatie verschilt sterk per regio waar wilde zwijnen voorkomen.


4. Rechtvaardigt die toename volgens u het gebruik van tot 15 vangkooien? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja. De vangkooien moeten bijdragen aan het verminderen van het aantal aanrijdingen. Ze dragen tevens bij aan het reduceren van de aantallen.


5. Indien er geen sprake is van een significantie toename, is dat reden om de ontheffing in te trekken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Zie het antwoord op vraag 4.


6. Is over het gebruik van vangkooien als nieuw middel contact geweest met dierenwelzijnsorganisaties? Zo ja, wat was hun mening over het gebruik van vangkooien? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Het is niet noodzakelijk of gebruikelijk om dierenwelzijnsorganisaties te consulteren over het gebruik van wettelijk toegestane middelen voor schadebeheer en jacht. Er is onderzoek geweest naar de ethische aspecten van de toegestane middelen voor het beheer van wilde zwijnen. (“Ethische aspecten bij het beheer van wilde zwijnen” van Groot-Bruinderink/Lammersma, 2002).


7. Bent u het met ons eens dat het vangen van wilde zwijnen en ander wild in een vangkooi sowieso stress voor de dieren oplevert?

Antwoord: Ja. Het vangen van dieren in een vangkooi levert in sommige gevallen stress op. Uit ervaringen met vangkooien in andere provincies blijkt dat wilde zwijnen weinig stress ondervinden in een vangkooi. Zodra er mensen bij de kooi verschijnen, levert dit wel stress op. Daarom is de eis gesteld de kooien real-time in de gaten te houden zodat direct opgetreden kan worden en de dieren daardoor zo min mogelijk stress ervaren.


8. Vindt u dat het gebruik van tot 15 vangkooien proportioneel is tot de bescherming van de provinciale belangen; schade en aanrijdingen (zie ook vragen 2 en 3)?

Antwoord: Ja. Tot het gebruik van vangkooien wordt over gegaan omdat de inzet van individuele jagers niet heeft geleid tot de gewenste nulstand en het voorkomen van overlast voor het verkeer. Op basis van de analyse voor de regionale beheerplannen kan de exacte inzet van vangkooien per regio worden bepaald. De Faunabeheereenheid is gevraagd om de inzet van de vangkooien af te stemmen met de regionale beheerplannen die momenteel in ontwikkeling zijn.


9. Bent u het met ons eens dat afschot niet geholpen heeft om de schade door wilde zwijnen te verminderen?

Antwoord: Nee. Het afschot heeft wel geholpen het probleem beheersbaar te houden, waardoor schades en aanrijdingen zijn beperkt.


10. Als blijkt dat ook vangkooien de schade niet verminderen, betekent dit dat vangkooien daarna niet meer zullen worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het gebruik van vangkooien en andere wettelijk toegestane middelen voor beheer van het wild zwijn is onderdeel van de regionale beheerplannen. Deze regionale plannen en daarmee het gebruik van de vangkooien zal geëvalueerd worden. Op basis daarvan worden keuzes voor de in te zetten middelen eventueel bijgesteld.


11. Welke onderliggende informatie ligt ten grondslag aan het gestelde dat gevangen wilde zwijnen weinig stress ervaren?

Antwoord: Ervaringen met het gebruik van vangkooien in de provincies Limburg en Gelderland.


12. Betekent dit dat andere dieren, zoals reeën, wel stress ervaren als zij gevangen worden? Wat zijn de gevolgen voor die dieren?

Antwoord: Reeën ervaren stress in een vangkooi. Vandaar dat real-time monitoring is voorgeschreven. Reeën of andere dieren kunnen direct losgelaten worden. Dit beperkt de negatieve gevolgen voor deze dieren. Reeën komen echter hoogst zelden in vangkooien voor wilde zwijnen terecht.


13. Hoelang mogen dieren volgens u in een vangkooi zitten? Wie controleert dat?

Antwoord: De gebruiker van de vangkooi is verplicht real-time te monitoren en ten onrechte gevangen dieren direct vrij te laten. Controle hierop wordt uitgevoerd door medewerkers van Omgevingsdienst Brabant Noord. ‘s-Nachts gevangen wilde zwijnen worden bij zonsopkomst door de uitvoerder van de ontheffing gedood.


14. Waarom wordt de ’40 ha-eis’ in deze losgelaten, aangezien het gebruikt wordt voor zwijnen die in kooien gevangen zitten?

Antwoord: Voor het gebruik van het geweer is het een vereiste dat men in het bezit is van een jachtveld van minimaal 40 ha. Deze eis geldt ook bij beheer en schadebestrijding. Het loslaten van de 40 ha-eis, maakt het mogelijk om ook op percelen, welke geen onderdeel uitmaken van een jachtveld van 40 ha, schadebestrijding uit te kunnen voeren.


15. Heeft deze ’40 ha-eis’-ontheffing consequenties voor de benuttingsjacht? Zo ja, welke?

Antwoord: Nee. Het loslaten van de 40 ha-eis is specifiek verbonden aan deze ontheffing en heeft geen relatie met benuttingsjacht ten aanzien van jachtsoorten.


16. Worden ook de beelden van het afschot bewaard, om te controleren of er volgens afspraak wordt gedood? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. In de ontheffing is niet de voorwaarde opgenomen om beelden op te nemen van het doden van wilde zwijnen. Het doden van dieren op grond van jacht, beheer en schadebestrijding dient uitgevoerd te worden door jagers met een jachtakte. Zij dienen zich als weidelijk jager te gedragen en dienen het wild tegen onnodig lijden te beschermen. De noodzaak om het doden van de dieren te filmen achten wij daarom niet aanwezig.


17. Zijn de beelden ook real time beschikbaar voor dierenwelzijnsorganisaties? Zo ja, worden de filmbeelden beoordeeld door dierenwelzijnsorganisaties? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Zie antwoord op vraag 16.


18. Zijn de filmbeelden ook publiek beschikbaar? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Zie antwoord op vraag 16.


19. Kunnen de filmbeelden ook aan Provinciale Staten worden getoond om er een politiek standpunt over te kunnen innemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Zie antwoord op vraag 16.


20. Hoe vindt controle en handhaving plaats? Op welke wijze volgt een evaluatie van het beleid? En welke sancties zijn er bij het niet nakomen van het vangen en doden-protocol en de wettelijke eisen?

Antwoord: Controle en handhaving wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst Brabant Noord. De evaluatie van het beleid wordt uitgevoerd door de Faunabeheereenheid Noord-Brabant. Sancties op het niet juist uitvoeren van de ontheffing bestaan uit het intrekken van de machtiging en het niet langer verstrekken van machtigingen aan de betreffende jachtaktehouder. Tevens wordt er procesverbaal opgemaakt tegen de overtreder.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger