Vervolg­vragen over de verlening van een ontheffing voor het gebruik van vang­kooien voor wilde zwijnen


Indiendatum: jul. 2016

Schriftelijke vervolgvragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de verlening van een ontheffing voor het gebruik van vangkooien voor wilde zwijnen.


Geacht college,

Tijdens een informatiebijeenkomst met betrekking tot het wild zwijn in januari 2016 werd duidelijk dat “nu het vasthouden aan de nulstand voor het wilde zwijn in Brabant een utopie blijkt, de diverse regionale belanghebbenden met elkaar moeten afstemmen hoe om te gaan met het wilde zwijn dat soms letterlijk in hun achtertuin woont.” Op 16 juni 2016 heeft de Omgevingsdienst Brabant Noord namens uw college een ontheffing verleend aan de Faunabeheereenheid voor het gebruik van vangkooien voor wilde zwijnen ten behoeve van “het voorkomen van het ontstaan van nieuwe leefgebieden en ter behoud van de nulstand”. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Waarom verleent u een ontheffing voor het gebruik van vangkooien terwijl de gedeputeerde van Natuur, Water en Milieu meerdere malen heeft aangegeven dat het nulstandbeleid voor wilde zwijnen niet het gewenste effect heeft?

2. Waarom verleent u een ontheffing voor het gebruik van vangkooien terwijl u op de hoogte bent van de juridische onhoudbaarheid van het nulstandbeleid, vanwege de niet gegarandeerde gunstige staat van instandhouding van de soort en vermelding in tabel 2 van beschermde soorten door de Flora- en faunawet?

In opdracht van BIJ12 en Vereniging het Edelhert bracht Alterra de genetische variatie van alle Nederlandse populaties edelherten en wilde zwijnen in kaart. Dit geeft waardevolle informatie over de duurzaamheid van populaties. Bij edelherten is de genetische diversiteit vooralsnog voldoende, maar bij wilde zwijnen is deze lager.

3. Heeft de provincie Noord-Brabant een rol of verplichting in de totstandkoming van genetisch gezonde populaties van dieren op haar grondgebied? Zo nee, waarom niet?

4. Wie is er betrokken geweest bij de aanvraag voor de ontheffing voor het gebruik van vangkooien en de beslissing op de aanvraag?

5. Waarom laat uw college de invulling van het zwijnenbeleid niet over aan de regio’s, zoals eerder overeengekomen en waarop middels de zwijnentafels wordt ingezet?

6. Zijn alle gesprekspartners aan de zwijnentafels geraadpleegd bij de beslissing op de aanvraag van de FBE? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

7. Welke expert(s) neemt/nemen er deel aan de zwijnentafels en op welk gebied ligt hun expertise(bijvoorbeeld dierziektes, ecologie, natuurbeschermingsrecht en economie)?

8. Hoe zien de casussen die tijdens de zwijnentafels worden opgesteld en behandeld er uit? Welke belangen worden in de casussen meegewogen?

9. Wat is de mening van de experts in vraag 7 over het gebruik vangkooien voor wilde zwijnen?

Uit het rapport Ethische aspecten van het beheer van wilde zwijnen blijkt de mate van ongerief (stress) dat het wild zwijn ervaart in een vangkooi gelijk aan de mate van stress dat het ervaart bij drijfjacht. Drijfjacht op wilde zwijnen is verboden op grond van artikel 74 van de Flora- en Faunawet.

10 .Streven we er als provincie naar steeds dieronvriendelijker methoden in te zetten? Zo ja, is dit een breed gedragen conclusie uit de zwijnentafels?

11. Wie is de initiatiefnemer van het aanvragen van de ontheffing voor het gebruik van de vangkooien?

12. Waarom is de ontheffing aangevraagd en verleend voor deze 10 specifieke werkgebieden van de wildbeheereenheden?

13. De Nederlandse Jagersvereniging heeft publiekelijk afstand gedaan van uw besluit tot het verlenen van de ontheffing voor de vangkooien. Kunt u verklaren waarom?

14. Is de methode met vangkooien en bewegingscamera’s eerder gebruikt? Zo ja, waar? Wat waren de resultaten?

15. Op welke manier wordt de FBE genotificeerd als een bewegingscamera detecteert dat er een dier in een vangkooi terecht is gekomen?

Uit het rapport Ethische aspecten van het beheer van wilde zwijnen blijkt tevens dat de inzet van vangkooien alleen effectief is wanneer er sprake is van een mastarm jaar, omdat een wild zwijn niet vrijwillig in een kooi loopt wanneer er voldoende voedsel aanwezig is in het gebied. Andere diersoorten kunnen dan nog wel in de vangkooien terecht komen.

16. Is er sprake van een mastarm jaar? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, trekt u de verleende ontheffing dan weer in?

Om niet afhankelijk te zijn van de toestemming van aangrenzende grondgebruikers, is het van belang om bij gebruik van de vangkooien toestemming te hebben voor gebruik van het geweer op een jachtveld dat niet voldoet aan de 40 hectare-eis. Zo blijkt uit de aanvraag van de ontheffing voor het gebruik van vangkooien.

17. Geldt de ontheffing van de 40 hectare-eis alleen voor de zwijnen die in een vangkooi terecht komen, of mogen op basis van de ontheffing ook loslopende dieren worden geschoten in een gebied dat kleiner is dan 40 hectaren?

18. Indien ja, hoe verklaart u dit in het licht van de toch al niet gegarandeerde gunstige staat van instandhouding van het wild zwijn en de vermelding in tabel 2 van beschermde soorten door de Flora- en faunawet?

19. Is er een minimum aantal hectaren waaraan het jachtveld na verlening van de ontheffing nog aan moet voldoen?

20. Zijn er bezwaren van omliggende eigenaren op het gebruik van vangkooien? Zo ja, van wie?

21. Indien ja, waarom stelt u het belang van de FBE boven de belangen van andere grondeigenaren?

22. Wie betaalt er voor het gebruik van de genoemde vangkooien?

Tijdens een deskundigenbijeenkomst in november 2014 over het wild zwijn is aangegeven door de ZLTO en FBE dat er sprake was van een vangkooi in een maïsakker bij Leende waarmee wilde zwijnen werden gevangen. U hebt op 30 oktober 2015 in de beantwoording van technische vragen van de fractie van de Partij voor de Dieren over gebruik van vangkooien bij wilde zwijnen aangegeven geen ontheffing te hebben verleend voor deze vangkooi.

23. Klopt het dat er inderdaad onrechtmatig vangkooien zijn gebruikt?

24. U zat aan tafel met partijen die betrokken zijn bij zwijnen en de FBE. Waarom hebt u daar op dat moment of achteraf niets aan gedaan, wetende dat de vangkooien onrechtmatig waren?

25. Klopt het dat er op 18 januari 2016 vanuit de Faunabescherming een handhavingsverzoek is geweest naar aanleiding van een melding over een illegale vangkooi in het Eindhovens Dagblad?

26. Wat is uw reactie geweest op dit handhavingsverzoek?

27. In de verleende ontheffing van 16 juni 2016 staat dat het gebruik van vangkooien voor het vangen en doden van wilde zwijnen een effectief middel is. Waar blijkt dit uit? Is het gebruik van vangkooien op een eerder moment beproefd in de provincie Noord-Brabant?

28. Wanneer zijn zwijnen voor het eerst waargenomen in Noord-Brabant?

29. Wanneer is de nulstand voor zwijnen ingesteld in Noord-Brabant?

Wij vernemen graag uw reactie.


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Indiendatum: jul. 2016
Antwoorddatum: 19 jul. 2016

Wij beantwoorden deze vragen als volgt:


1. Waarom verleent u een ontheffing voor het gebruik van vangkooien terwijl de gedeputeerde van Natuur, Water en Milieu meerdere malen heeft aangegeven dat het nulstandbeleid voor wilde zwijnen niet het gewenste effect heeft?

Antwoord: Het gebruik van vangkooien leidt tot vermindering van overlast en landbouwschade door wilde zwijnen.


2. Waarom verleent u een ontheffing voor het gebruik van vangkooien terwijl u op de hoogte bent van de juridische onhoudbaarheid van het nulstandbeleid, vanwege de niet gegarandeerde gunstige staat van instandhouding van de soort en vermelding in tabel 2 van beschermde soorten door de Flora- en faunawet?

Antwoord: Zie antwoord op vraag 1.


3. Heeft de provincie Noord-Brabant een rol of verplichting in de totstandkoming van genetisch gezonde populaties van dieren op haar grondgebied? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja.


4. Wie is er betrokken geweest bij de aanvraag voor de ontheffing voor het gebruik van vangkooien en de beslissing op de aanvraag?

Antwoord: De Faunabeheereenheid en de Omgevingsdienst Brabant Noord.


5. Waarom laat uw college de invulling van het zwijnenbeleid niet over aan de regio’s, zoals eerder overeengekomen en waarop middels de zwijnentafels wordt ingezet?

Antwoord: Dat is wat er momenteel plaatsvindt. De provincie faciliteert momenteel het opstellen van regionale beheerplannen. Op basis daarvan wordt het beheer van het wild zwijn uitgevoerd door de regio. De inzet van de vangkooien wordt daarop afgestemd.


6. Zijn alle gesprekspartners aan de zwijnentafels geraadpleegd bij de beslissing op de aanvraag van de FBE? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee. Formeel hebben die geen rol bij de ontheffingverlening voor schadebestrijding. Wel is afgesproken dat zij worden betrokken bij de inzet van de vangkooien.


7. Welke expert(s) neemt/nemen er deel aan de zwijnentafels en op welk gebied ligt hun expertise(bijvoorbeeld dierziektes, ecologie, natuurbeschermingsrecht en economie)?

Antwoord: Het opstellen van de regionale beheerplannen wordt uitbesteed aan een deskundig adviesbureau. Het adviesbureau draagt zorg voor de inbreng van de benodigde expertise. Het is nog niet bekend wie zij daar voor inschakelen. Daarnaast brengen de betrokken organisaties zoals ZLTO, Wildbeheereenheden, terreinbeheerders en natuurorganisaties lokale kennis in ten behoeve van het regionale beheerplan.


8. Hoe zien de casussen die tijdens de zwijnentafels worden opgesteld en behandeld er uit? Welke belangen worden in de casussen meegewogen?

Antwoord: Voor alle drie de regio’s wordt een beheerplan opgesteld voor het beheer van het wild zwijn waarin de belangen op het gebied van landbouwschade en -risico’s en verkeersveiligheid en de wensen van de verschillende partijen over de aanwezigheid van het wild zwijn in balans zijn gebracht. De uitwerking van deze casussen is in voorbereiding.


9. Wat is de mening van de experts in vraag 7 over het gebruik vangkooien voor wilde zwijnen?

Antwoord: Dat is nog niet bekend.


10. Streven we er als provincie naar steeds dieronvriendelijker methoden in te zetten? Zo ja, is dit een breed gedragen conclusie uit de zwijnentafels?

Antwoord: Nee.


11. Wie is de initiatiefnemer van het aanvragen van de ontheffing voor het gebruik van de vangkooien?

Antwoord: De Faunabeheereenheid Noord-Brabant.


12. Waarom is de ontheffing aangevraagd en verleend voor deze 10 specifieke werkgebieden van de wildbeheereenheden?

Antwoord: De ontheffing is aangevraagd voor de gebieden, waar momenteel wilde zwijnen voorkomen en kans op schade en aanrijdingen actueel is.


13. De Nederlandse Jagersvereniging heeft publiekelijk afstand gedaan van uw besluit tot het verlenen van de ontheffing voor de vangkooien. Kunt u verklaren waarom?

Antwoord: De Nederlandse Jagersvereniging acht het gebruik van vangkooien risicovol in het kader van dierenwelzijn en is van mening dat wilde zwijnen gemakkelijk effectiever en efficiënter bejaagd kunnen worden door op beperkte schaal druk- en bewegingsjacht toe te staan.


14. Is de methode met vangkooien en bewegingscamera’s eerder gebruikt? Zo ja, waar? Wat waren de resultaten?

Antwoord: Ja. Vangkooien met bewegingscamera’s zijn enkele jaren geleden getest en ingezet in Gelderland. In Limburg is een vangkooi gebruikt voor onderzoek in de Meinweg. Vangkooien blijken een effectief middel te kunnen zijn voor het vangen van zwijnen.
Wilde zwijnen ervaren weinig tot geen stress mits het protocol, zoals dat in de ontheffing als voorwaarde is opgenomen, wordt gevolgd.


15. Op welke manier wordt de FBE genotificeerd als een bewegingscamera detecteert dat er een dier in een vangkooi terecht is gekomen?

Antwoord: De FBE wordt niet genotificeerd als er een dier in de kooi komt. Signalen gaan naar de eigenaar van de vangkooi; deze heeft live verbinding met de kooi en kan op een beeldscherm de situatie in de kooi beoordelen.


16. Is er sprake van een mastarm jaar? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, trekt u de verleende ontheffing dan weer in?

Antwoord: Of er sprake is van een mastarm jaar valt op dit moment nog niet te beoordelen. Het wel of niet voorkomen van een mastarm jaar heeft overigens geen invloed op de ontheffing. We trekken de ontheffing niet in op basis van de mast. We blijven alle wettelijk toegestane middelen inzetten om de gewenste stand van wilde zwijnen te bereiken.
Daar naast zijn er ook periodes in het jaar dat er minder voedsel beschikbaar is. In deze periodes is de vangkooi ook effectief in te zetten.


17. Geldt de ontheffing van de 40 hectare-eis alleen voor de zwijnen die in een vangkooi terecht komen, of mogen op basis van de ontheffing ook loslopende dieren worden geschoten in een gebied dat kleiner is dan 40 hectaren?

Antwoord: Ja. De ontheffing van de 40 hectare-eis geldt alleen voor wilde zwijnen, gevangen in een vangkooi. Overige loslopende dieren mogen niet gedood worden in een gebied dat kleiner is dan 40 hectare.


18. Indien ja, hoe verklaart u dit in het licht van de toch al niet gegarandeerde gunstige staat van instandhouding van het wild zwijn en de vermelding in tabel 2 van beschermde soorten door de Flora- en faunawet?

Antwoord: Dit staat los van de gunstige staat van instandhouding van het wild zwijn, die overigens naar onze overtuiging niet in het geding is.


19. Is er een minimum aantal hectaren waaraan het jachtveld na verlening van de ontheffing nog aan moet voldoen?

Antwoord: Nee. Er zijn geen eisen opgenomen m.b.t. minimum omvang van het veld.


20. Zijn er bezwaren van omliggende eigenaren op het gebruik van vangkooien? Zo ja, van wie?

Antwoord: Nee. Er zijn geen bezwaren ingediend naar aanleiding van de verleende ontheffing.


21. Indien ja, waarom stelt u het belang van de FBE boven de belangen van andere grondeigenaren?

Antwoord: Zie antwoord op vraag 20.


22. Wie betaalt er voor het gebruik van de genoemde vangkooien?

Antwoord: De gebruikte kooien worden aangeschaft en bekostigd door de betreffende gebruikers en wildbeheereenheden.


23. Klopt het dat er inderdaad onrechtmatig vangkooien zijn gebruikt?

Antwoord: Nee. Op basis van een melding heeft de ODBN in onze opdracht onderzoek daarnaar verricht, maar in het veld is alleen een nietwerkende vangkooi aangetroffen.


24. U zat aan tafel met partijen die betrokken zijn bij zwijnen en de FBE. Waarom hebt u daar op dat moment of achteraf niets aan gedaan, wetende dat de vangkooien onrechtmatig waren?

Antwoord: Zie antwoord op vraag 23.


25. Klopt het dat er op 18 januari 2016 vanuit de Faunabescherming een handhavingsverzoek is geweest naar aanleiding van een melding over een illegale vangkooi in het Eindhovens Dagblad?

Antwoord: Er is inderdaad een Handhavingsverzoek ingediend. Deze is door de Omgevingsdienst Brabant Zuid opgepakt. Zij hebben geen onrechtmatigheid aan getroffen.


26. Wat is uw reactie geweest op dit handhavingsverzoek?

Antwoord: Zie antwoord op vraag 25.


27. In de verleende ontheffing van 16 juni 2016 staat dat het gebruik van vangkooien voor het vangen en doden van wilde zwijnen een effectief middel is. Waar blijkt dit uit? Is het gebruik van vangkooien op een eerder moment beproefd in de provincie Noord-Brabant?

Antwoord: Ervaringen in Gelderland en Limburg laten zien dat vangkooien kunnen bijdragen aan het verkleinen van de populatie van het wild zwijn. Er zijn geen resultaten bekend over het gebruik van vangkooien in Noord- Brabant.


28. Wanneer zijn zwijnen voor het eerst waargenomen in Noord-Brabant?

Antwoord: Dat is niet geheel duidelijk. Er waren al incidentele waarnemingen van het wild zwijn rond 1995 uit het Soerendonks Goor bij het Leenderbos. De eerste geregistreerde waarnemingen van het wild zwijn zijn uit 2005.


29. Wanneer is de nulstand voor zwijnen ingesteld in Noord-Brabant?

Antwoord: De nulstand voor wilde zwijnen is vastgesteld in de rijksnota Jacht en Wildbeheer uit 1992. Hierin staat vermeld “Buiten de Veluwe en het Meinweggebied zullen in de vrije natuur levende wilde zwijnen niet kunnen worden getolereerd.”


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk mw. ir. A.M. Burger