Vragen over het gedogen van onver­gunde mest­fa­brieken, ondanks rech­ter­lijke uitspraken


Indiendatum: 14 mei 2021

Geacht college,

Op 5 maart 2021 heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant besloten om de eerder verleende omgevingsvergunning van Kovemi B.V. voor het verwerken van meer mest te vernietigen. Ook stelt de rechter dat een eerder opgelegde last onder dwangsom moet worden gehandhaafd. Dit betekent dat Kovemi B.V. door deze voorlopige voorziening niet meer dan 6.000 ton mest mag verwerken, namelijk zoals de oude vergunning bepaalde. Dit is definitief geworden op 14 april, zes weken na de uitspraak. Dit betekent dat vanaf die datum Kovemi B.V. niet meer dan 6.000 ton mest per jaar mag verwerken, en dat overtreding betekent dat er gehandhaafd dient te worden. Partij voor de Dieren en GroenLinks hebben vernomen dat de mestwerker desondanks de uitspraak van de rechter nog in bedrijf is, en er niet gehandhaafd wordt.

De fracties van Partij voor de Dieren en GroenLinks hebben hierover de volgende vragen.

1. Klopt het dat Kovemi B.V. nog in bedrijf is, ondanks dat de rechter heeft besloten dat per 14 april de nieuwe omgevingsvergunning is vernietigd?

2. Heeft het college van GS gehandhaafd op dit besluit? Zo ja, welke bestuursrechtelijke sancties zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?

3. Indien niet is gehandhaafd: Is het niet wrang dat, wanneer omwonenden en belanghebbenden in het gelijk worden gesteld, er niet wordt gehandhaafd?

Een gelijke situatie doet zich voor in Nistelrode, gemeente Bernheze, waarover op 26 maart rondvraagvragen zijn gesteld. De rechtbank vernietigde de vergunning van mestverwerkingsbedrijf Jennissen, waardoor op de oorspronkelijke vergunningen uit 2013 en 2014 terug gevallen zou moet worden. Maar aan de voorwaarden van die vergunning kan het bedrijf nu niet voldoen. Desalniettemin lijkt ook dit bedrijf nog steeds operationeel te zijn.

4. Klopt het dat Jennissen Nistelrode B.V. nog in bedrijf is, ondanks dat de rechter op 19 maart de vergunning voor het wijzigen van de mestverwerkingscapaciteit heeft vernietigd, en aan de voorwaarden van de vigerende vergunningen niet kan worden voldaan?

5. Indien Jennissen Nistelrode B.V. nog handelt conform de verworpen vergunning: Waarom laat de provincie dit toe?

6. De omwonenden en de gemeente uiten in de media hun teleurstelling over het handelen van de provincie. Welke overleggen zijn er na de uitspraak van 19 maart geweest tussen de gedeputeerde, de omgeving, betrokkenen en verantwoordelijk wethouder Wijdeven? Wat zijn de uitkomsten geweest van deze overleggen?

7. Er zijn door de omwonenden handhavingsverzoeken ingediend. Hoe snel krijgen omwonenden antwoord op deze verzoeken en wat is de reactie geweest van de provincie op handhavingsverzoeken voor Jennissen Nistelrode B.V.?

8. Bent u voornemens om de situatie rond Jennissen Nistelrode B.V. voor te leggen aan het coördinatiepunt mestbewerking? Zo nee, waarom niet?

Voor zowel de situatie in Asten als in Nistelrode geldt dat omwonenden en belanghebbenden (meerdere malen) bij de rechter gelijk hebben gekregen, en dat een verleende vergunning voor (meer) mestverwerking moest worden vernietigd. Toch zijn beide mestverwerkingsinstallaties in bedrijf gebleven.

9. Bent u het met onze fracties eens dat, indien een rechtbank omwonenden en belanghebbenden in het gelijk stelt, GS recht dient te doen aan deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?

10. Bent u het met de fracties eens dat het niet opvolgen van rechterlijke uitspraken het vertrouwen in de overheid kan schaden?

11. In welke mate heeft uw college bij dergelijke rechterlijke uitspraken, waarbij vergunningen worden vernietigd, beleidsvrijheid om te bepalen in welke mate handhavend wordt opgetreden richting de betreffende bedrijven?

12. Heeft u in beide gevallen (Asten en Nistelrode) de (juridische) de mogelijkheid gehad om beide bedrijven tot stoppen te dwingen, in ieder geval tot de benodigde vergunningen daadwerkelijk in orde zijn? Zo nee, wat is het concreet dat u hierin heeft belemmerd?


Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Tom Ludwig
GroenLinks Noord-Brabant

Indiendatum: 14 mei 2021
Antwoorddatum: 8 jun. 2021

Op 5 maart 2021 heeft de meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant besloten om de eerder verleende omgevingsvergunning van Kovemi B.V. voor het verwerken van meer mest te vernietigen. Ook stelt de rechter dat een eerder opgelegde last onder dwangsom moet worden gehandhaafd. Dit betekent dat Kovemi B.V. door deze voorlopige voorziening niet meer dan 6.000 ton mest mag verwerken, namelijk zoals de oude vergunning bepaalde. Dit is definitief geworden op 14 april, zes weken na de uitspraak. Dit betekent dat vanaf die datum Kovemi B.V. niet meer dan 6.000 ton mest per jaar mag verwerken, en dat overtreding betekent dat er gehandhaafd dient te worden. Partij voor de Dieren en GroenLinks hebben vernomen dat de mestwerker desondanks de uitspraak van de rechter nog in bedrijf is, en er niet gehandhaafd wordt.

De fracties van Partij voor de Dieren en GroenLinks hebben hierover de volgende vragen.

1. Klopt het dat Kovemi B.V. nog in bedrijf is, ondanks dat de rechter heeft besloten dat per 14 april de nieuwe omgevingsvergunning is vernietigd?

Antwoord:
De rechtbank heeft op 5 maart niet de vergunning vernietigd maar een uitspraak gedaan over het staken van ons handhavingstraject. Wij hebben de handhaving gestaakt omdat er een nieuwe vergunning is verleend, waardoor er geen overtredingen meer waren.
De werking van deze vergunning is inmiddels door de voorzieningenrechter van de Raad van State geschorst. Er is nog geen datum voor de behandeling in de bodemprocedure. De rechter is van mening dat wij ten onrechte de handhaving gestaakt hebben, en dat we de handhaving tijdelijk hadden kunnen opschorten. Op basis van de uitspraak van de rechter hebben wij dit alsnog gedaan.
Ondanks het schorsen van de vergunning door de rechtbank bestaat er voor ons geen aanleiding om het bedrijf stil te leggen. Er is immers sprake van zicht op legalisatie. De vergunning is geschorst vanwege strijdigheid met de Interim omgevings-verordening (IOV). Inmiddels is de IOV aangepast en zijn de daarop gebaseerde herstelvergunningen nagenoeg gereed.


2. Heeft het college van GS gehandhaafd op dit besluit? Zo ja, welke bestuursrechtelijke sancties zijn getroffen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is te lezen, hebben wij de handhaving tijdelijk opgeschort.


3. Indien niet is gehandhaafd: Is het niet wrang dat, wanneer omwonenden en belanghebbenden in het gelijk worden gesteld, er niet wordt gehandhaafd?

Antwoord:
Gezien het feit dat er sprake is van zicht op legalisatie hebben wij de handhaving tijdelijk opgeschort. Mocht deze situatie wijzigen, kunnen wij het lopende handhavingstraject oppakken en verdere maatregelen nemen om de mogelijke overtredingen te beëindigen.


Een gelijke situatie doet zich voor in Nistelrode, gemeente Bernheze, waarover op 26 maart rondvraagvragen zijn gesteld. De rechtbank vernietigde de vergunning van mestverwerkingsbedrijf Jennissen, waardoor op de oorspronkelijke vergunningen uit 2013 en 2014 terug gevallen zou moet worden. Maar aan de voorwaarden van die vergunning kan het bedrijf nu niet voldoen. Desalniettemin lijkt ook dit bedrijf nog steeds operationeel te zijn.

4. Klopt het dat Jennissen Nistelrode B.V. nog in bedrijf is, ondanks dat de rechter op 19 maart de vergunning voor het wijzigen van de mestverwerkingscapaciteit heeft vernietigd, en aan de voorwaarden van de vigerende vergunningen niet kan worden voldaan?

Antwoord:
Ja, Jennissen is nog in bedrijf. Met de uitspraak van 19 maart valt het bedrijf terug op de oude vergunning van 2014. Op dit moment is de vergister niet actief. Jennissen heeft laten weten dat zij haar inrichting aan het aanpassen is aan de geldende vergunningen, dus die uit 2014. Om te zorgen dat Jennissen ook daadwerkelijk in overeenstemming met de geldende vergunningen werkt, zijn wij handhavingstrajecten gestart.


5. Indien Jennissen Nistelrode B.V. nog handelt conform de verworpen vergunning: Waarom laat de provincie dit toe?

Antwoord:
De vergunning die door de rechtbank is vernietigd zag grosso modo op een wijziging van de verhouding tussen de hoeveelheden in te nemen mest en in te nemen co-producten. De totale te verwerken hoeveelheid materiaal wijzigde niet. Ook waren in het vernietigende besluit de geurvoorschriften aangepast aan de huidige regelgeving.
Onder de vigerende vergunning mag Jennissen maximaal 36.500 ton mest innemen, en maximaal 35.500 ton co-producten, samen in totaal 72.000 ton. In de vernietigde vergunning was dit aangepast naar maximaal 72.000 ton mest, waarvan maximaal 35.500 ton co-producten.
Er is inmiddels een last onder dwangsom opgelegd aan Jennissen om te voorkomen dat Jennissen de geldende vergunning gaat overtreden voor de in te nemen hoeveelheid mest. Op dit moment heeft Jennissen de jaarlijks vergunde hoeveelheden nog niet bereikt. Er wordt regelmatig op gecontroleerd, en zodra Jennissen de vergunde hoeveelheid overschrijdt verbeurt er een dwangsom. Het dwangsombedrag bedraagt €1.500,- per teveel ingenomen vracht, met een maximum van € 150.000,-.


6. De omwonenden en de gemeente uiten in de media hun teleurstelling over het handelen van de provincie. Welke overleggen zijn er na de uitspraak van 19 maart geweest tussen de gedeputeerde, de omgeving, betrokkenen en verantwoordelijk wethouder Wijdeven? Wat zijn de uitkomsten geweest van deze overleggen?

Antwoord:
Er zijn eerder bewonersbijeenkomsten georganiseerd ter voorbereiding op het laatste vergunningsverleningstraject. Verder is een poging gedaan om een mediationtraject te starten. Zowel voor als na de uitspraak hebben wij ambtelijk (ODBN en provincie) diverse malen per mail contact gehad met de omgeving. Ook hebben wij overleg gehad met het bedrijf over de toekomstplannen van het bedrijf. Zowel wij als het bedrijf willen graag in overleg met de omgeving. Daar willen wij de gemeente bij betrekken. Op 18 juni a.s. is daarvoor een eerste overleg met de wethouder van Bernheze en Gedeputeerde Lemkes- Straver.
Op dit moment wordt een nieuwe bewonersbijeenkomst voorbereid. Naar een geschikte datum wordt nog met eenieder gezocht. De Gedeputeerde neemt ook contact op met de vertegenwoordiging van de bewoners om input te krijgen voor een dialoog. Wel kan een overweging zijn om na de bewonersbijeenkomst opnieuw een mediaton traject te starten, als alle partijen daaraan mee willen werken.


7. Er zijn door de omwonenden handhavingsverzoeken ingediend. Hoe snel krijgen omwonenden antwoord op deze verzoeken en wat is de reactie geweest van de provincie op handhavingsverzoeken voor Jennissen Nistelrode B.V.?

Antwoord:
Op 7 april 2021 is door een aantal omwonenden een handhavingsverzoek ingediend. De indieners hebben binnen de wettelijke termijn (2 juni 2021) een besluit hierop ontvangen.
Daarnaast is er op 22 april 2020 een handhavingsverzoek ingediend door een omwonende. Dit heeft geleid tot het sturen van een voornemen om een last onder dwangsom op te leggen. Daarnaast zijn er een aantal overtredingen aangedragen waarvoor wij al een handhavingstraject waren gestart.


8. Bent u voornemens om de situatie rond Jennissen Nistelrode B.V. voor te leggen aan het coördinatiepunt mestbewerking? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het coördinatiepunt mestbewerking is een samenwerking tussen de drie omgevingsdiensten en ons. Het doel van het coördinatiepunt is afstemming van VTH-taken met betrekking tot mestbewerking waardoor er uniformiteit is in de behandeling van casussen. Daarnaast draagt het bij aan kennisuitwisseling en –ontwikkeling tussen de deelnemende partijen. Het coördinatiepunt is niet bedoeld als intermediair.
De casus Jennissen is dan ook niet in het coördinatiepunt mestbewerking besproken.


Voor zowel de situatie in Asten als in Nistelrode geldt dat omwonenden en belanghebbenden (meerdere malen) bij de rechter gelijk hebben gekregen, en dat een verleende vergunning voor (meer) mestverwerking moest worden vernietigd. Toch zijn beide mestverwerkingsinstallaties in bedrijf gebleven.

9. Bent u het met onze fracties eens dat, indien een rechtbank omwonenden en belanghebbenden in het gelijk stelt, GS recht dient te doen aan deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, wij doen ook altijd recht aan uitspraken. Wel kan het zijn dat we het niet eens zijn met een uitspraak van een lagere rechter. In dat geval zullen wij afwegen of wij onze ter beschikking staande instrumenten zullen gebruiken, zoals hoger beroep. Daarnaast kan het zijn dat na de uitspraak de situatie wijzigt, bv door het indienen van een nieuwe aanvraag.


10. Bent u het met de fracties eens dat het niet opvolgen van rechterlijke uitspraken het vertrouwen in de overheid kan schaden?

Antwoord:
Ja, maar wat ons betreft is dat, in casu, niet aan de orde. Zie ook de beantwoording op vraag 9.


11. In welke mate heeft uw college bij dergelijke rechterlijke uitspraken, waarbij vergunningen worden vernietigd, beleidsvrijheid om te bepalen in welke mate handhavend wordt opgetreden richting de betreffende bedrijven?

Antwoord:
Elke overheid heeft een beginselplicht tot handhaven. Dat houdt in dat het gezag dat bevoegd is handhavend op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moet maken wanneer een wettelijk voorschrift wordt overtreden. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag het bevoegd gezag afzien van handhaving.
In de rechtspraak is een aantal bijzondere omstandigheden aangenomen:
> Wanneer de situatie binnenkort legaal wordt;
> Wanneer handhavend optreden onredelijk is;
> Wanneer in andere gelijke gevallen niet handhavend wordt opgetreden;
> Wanneer er een aan het bevoegd gezag toe te rekenen toezegging ligt dat er niet handhavend zal worden opgetreden.
Wij hanteren als handhavingsbeleid de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS).
Op de werking van de LHS wordt onder vraag 12 dieper ingegaan.


12. Heeft u in beide gevallen (Asten en Nistelrode) de (juridische) de mogelijkheid gehad om beide bedrijven tot stoppen te dwingen, in ieder geval tot de benodigde vergunningen daadwerkelijk in orde zijn? Zo nee, wat is het concreet dat u hierin heeft belemmerd?

Antwoord:
Nee. Bij beide bedrijven lopen handhavingstrajecten. Wij hanteren de LHS, bij het uitvoeren van het toezicht en de handhaving van omgevingsvergunningen. Eén van de pijlers van de LHS is de ‘interventiematrix’. Daarin staat welke interventies aangewezen zijn bij bepaalde zwaartes van overtredingen. Om de zwaarte van een overtreding te beoordelen worden de mogelijke gevolgen van een overtreding afgezet tegen het gedrag van de overtreder. Een tweede pijler van de LHS is dat in principe zo licht mogelijk wordt gestart met het inzetten van interventies, en dat vervolgens zwaardere interventies snel worden ingezet als naleving uitblijft.
Conform de LHS is bij beide bedrijven gestart met het sturen van een voornemen om een last onder dwangsom op te leggen, gevolgd door een last onder dwangsom. De gestelde begunstigingstermijnen lopen nog. Het stilleggen van de inrichtingen is daarom nog niet aan de orde.