Vragen over onthef­fingen op de Wet natuur­be­scherming (ganzen en wilde zwijnen)


Indiendatum: jul. 2017

Schriftelijke vragen van de Statenfracties van de Partij voor de Dieren en de Partij van de Arbeid aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende ontheffingen op de Wet natuurbescherming.


Geacht college,

Recent heeft u een aantal ontheffingen verleend op de Natuurbeschermingswet. Het gaat om ontheffingen voor het doden van Grauwe Ganzen, Kolganzen, Brandganzen en Wilde Zwijnen:

  • Ontheffing voor het vangen met vangkooien en doden van Wilde Zwijnen (30 juni, Z/049666)
  • Ontheffing voor het mogen toepassen van diverse middelen t.b.v. de nulstand van Wilde Zwijnen (4 juli, Z/049704)
  • Ontheffing voor het doden van Grauwe Ganzen (6 juli, Z/050343)
  • Ontheffing voor het doden van Grauwe Ganzen en Kolganzen in de winterperiode (6 juli, Z/049863)
  • Ontheffing voor het doden van Grauwe Ganzen, Kolganzen en Brandganzen in de zomerperiode (6 juli, Z/050723)
  • Ontheffing voor het verjagen, doden en wegnemen en elders uitzetten van dieren die een gevaar vormen voor vliegverkeersveiligheid op militaire vliegbases (10 juli, Z/050612)
  • Ontheffing voor het doden van Grauwe Ganzen, Kolganzen en Brandganzen t.b.v. de bescherming van flora & fauna (17 juli, Z/050336)

Wij hebben hierover een aantal vragen.

Ontheffing Z/049666
Onder ‘Nota faunabeheer Noord-Brabant’ staat dat het nulstandbeleid in de gebieden met regionaal gebiedsplan wordt ingevuld als ‘nulschade’-aanpak.

1. Wat betekent het verschil tussen het nulstandbeleid en de nulschade-aanpak voor het afschieten van wilde zwijnen?

Onder het kopje ‘Faunabeheerplan Noord-Brabant 2017-2023’ staat dat “ondanks het toegenomen afschot” o.a. “het aantal aanrijdingen nog verder toeneemt” (ook in ontheffing Z/049704).

2. Hoe is de weergave van 20 aanrijdingen in 2014, 19 in 2015 en 12 in 2016 te rijmen met de opmerking dat “het aantal aanrijding nog verder toeneemt”?

3. Bent u het met ons eens dat het heel goed mogelijk is dat de veronderstelde toename in het aantal aanrijdingen juist is toe te kennen aan het toegenomen afschot, doordat wilde zwijnen nu meer in paniek vluchten en daarbij ook wegen oversteken? Zo nee, met welke feiten onderbouwt u dat een toename in afschot geen oorzaak kan zijn van een toename in het aantal aanrijdingen?

Er wordt aangegeven dat de getaxeerde schade niet afneemt ondanks de toename van het aantal afgeschoten zwijnen. Geconcludeerd wordt dat dit aantoont dat de populatie nog steeds toeneemt.

4. Bent u het met ons eens dat de relatie tussen het uitblijven van afname van schade en toename van afschot ook kan wijzen op de ineffectiviteit van afschot voor schadebeperking? Zo nee, met welke feiten onderbouwt u dit?

Onder ‘Inzet kaliber .22 en geluiddemper’ wordt als argument voor gebruik van geluiddempers aangegeven dat de aanwezigheid van ‘nieuwsgierigen’ “mogelijk niet wordt opgemerkt door de uitvoerders.

5. Bent u het met ons eens dat zich onbewust ook o.a. wandelaars, vogelaars en hondenuitlaters aan het omgevingsgevaar bloot kunnen stellen en dat de kans hierop groter is indien er geen sprake is van luide knallen bij het afschot? Zo ja, erkent u hiermee het risico dat mensen worden aan- of afgeschoten door de uitvoerders? Zo nee, waarom niet?

Over het vangkooi-protocol wordt o.a. aangegeven dat andere diersoorten (dan wilde zwijnen) zo snel mogelijk worden vrijgelaten.

6. Betekent dit dat de andere diersoorten ook ’s nachts vrijgelaten worden, waarmee zij niet tot ‘direct na zonsopkomst’ hoeven te wachten en niet – in het geval van nachtdieren – een dag/nacht zonder voedselvergaring komen te zitten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat voor tijdsindicatie past bij ‘zo snel mogelijk’?

7. Kunt u aangeven hoe vaak andere diersoorten gevangen worden in een vangkooi voor wilde zwijnen en welke soorten het betreft en hoe lang deze dieren doorgaans gevangen zitten voordat ze worden bevrijd? Zo nee, waarom niet?

Ontheffing Z/049704
Onder ‘Overwegingen en toetsingen’ worden als argumenten voor het gebruik van de geluiddemper aangedragen dat geweerschoten tot onrust bij omwonenden leiden en de zwijnen leren waar het gevaarlijk is.

8. Bent u het met ons eens dat de aanname dat zwijnen door geweerschoten leren waar ze niet moeten komen, wijst op een bevredigend alternatief waardoor afschot niet aan de orde is? Zo ja, bent u bereid om de ontheffing voor het gebruik van geluidsdempers terug te nemen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dit?

Wilde zwijnendeskundige Groot Bruinderink stelt dat je wilde zwijnen het beste verjaagt door specifiek op plaatsen waar ze niet mogen komen, jaarrond, op onregelmatige tijden, zowel 's nachts als overdag, zowel op volwassen dieren als op biggen, te schieten. Daarentegen dienen ze met rust gelaten te worden in gebieden waar ze geen kwaad kunnen.

9. Waarom volgt de FBE het advies van Groot Bruinderink niet?

Ontheffing Z/050343
In de overwegingen staat dat als voorschrift is gesteld dat minimaal twee preventieve middelen gebruikt moeten worden, voordat het geweer gebruikt mag worden. Om welke middelen het gaat, zou staan in de voorschriften. In de daadwerkelijke voorschriften bij het besluit is daar echter niets over terug te vinden.

10. Om welke preventieve middelen gaat het?

De ontheffing geldt voor een behoorlijk deel van Brabants grondgebied.

11. Op welk niveau geldt de voorwaarde van minimaal twee preventieve middelen? M.a.w., hoe vaak en op welke schaal moeten preventieve middelen worden ingezet voordat ganzen mogen worden afgeschoten?

Over het wettelijk kader en beleidskader wordt o.a. het volgende gesteld:
"Ondanks de exponentiële toename van het aantal grauwe ganzen in de provincie is het totaal aan getaxeerde landbouwschade in dezelfde periode afgenomen. Het beheer door middel van afschot lijkt hiermee doeltreffend te zijn."

12. Hoe is de relatie tussen de toename van het aantal ganzen en de afname van de landbouwschade te rijmen met een quotum van 15.000 dood te schieten ganzen in 2017?

13. Bent u het met ons eens dat het instellen van een quotum van 15.000 Grauwe Ganzen de structurele afname van de landbouwschade door Grauwe Ganzen hoogstwaarschijnlijk zal keren (doordat de ganzen vanwege het meer opgejaagd worden, meer energie verbruiken en daardoor meer gaan foerageren)? Zo ja, waarom is het afschotquotum ingesteld? Zo nee, waarom niet?

14. Hoe verhoudt het quotum zich tot het besluit van Provinciale Staten dat er wordt gestreefd naar schadebeperking waarbij aantalsreductie geen doel op zich is?

15. Waarom wordt de afname van de landbouwschade alleen toegerekend aan het afschotbeleid en worden andere factoren die schade beïnvloeden, zoals het weer, andere gewaskeuze of betere preventie op zeer schadegevoelige percelen, niet genoemd?

De landbouwschade door ganzen neemt al jaren af, ondanks dat de populatie ganzen toeneemt. Terwijl jaarlijks 20 procent van de populatie wordt afgeschoten, neemt de populatie niet af. Afschot heeft een verjagend effect, maar een afschotquotum heeft geen effect op de totale populatie; bij voldoende voedsel zal het aantal ganzen gelijk blijven (door influx van elders of extra broedsucces).

16. Hoe wordt het quotum van 15.000 ganzen in dit kader onderbouwd?

Ontheffing Z/050612
Kraaiachtigen worden gevangen met een vangkooi en daarna gedood.

17. Waarom is het elders uitzetten van kraaiachtigen of andere preventieve middelen geen bevredigende oplossing?

18. Geldt dit ook voor beschermde soorten als de Roek en de Raaf?

Over preventieve maatregelen is vermeld dat op bases met een rondom gesloten hekwerk van tenminste 2,30 meter een nulstand voor reeën geldt.

19. Welke bases hebben geen rondom gesloten hekwerk van minstens 2,30 meter?

20. Zijn er op de bases met een rondom gesloten hekwerk van minstens 2,30 meter inderdaad geen reeën aanwezig? Zo nee, waarom lukt het niet om in een afgesloten gebied een nulstand te realiseren?

Ontheffing Z/050336
Het regionale gebieds-/beheerplan gaat uit van beheer dat is gebaseerd op inrichtingsmaatregelen, diervriendelijke preventieve maatregelen en reducerende maatregelen.

21. Zijn er al plannen voor inrichtingsmaatregelen en/of diervriendelijke preventieve maatregelen om ganzen te weren in de gevoelige gebieden? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

U verleent toestemming voor het gebruik van het geweer gedurende één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang.

22. Waarom is deze ontheffing verleend, terwijl de Raad van State heeft bevestigd dat dit niet is toegestaan?

23. Hoe kan het dat het bestuur van de FBE van deze uitspraak niet op de hoogte is, dan wel deze bewust heeft genegeerd?

24. Wordt een aanvraag door de betreffende omgevingsdienst getoetst aan vigerende regelgeving? Zo ja, hoe heeft deze ontheffing dan toch verleend kunnen worden? Zo nee, waarom niet?

Wij zien de beantwoording graag tegemoet, waarvoor bij voorbaat dank.


Met vriendelijke groet,

Paranka Surminski
Partij voor de Dieren

Martijn de Kort
PvdA

Indiendatum: jul. 2017
Antwoorddatum: 29 aug. 2017

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


Ontheffing Z/049666
Onder ‘Nota faunabeheer Noord-Brabant’ staat dat het nulstandbeleid in de gebieden met regionaal gebiedsplan wordt ingevuld als ‘nulschade’-aanpak.

1. Wat betekent het verschil tussen het nulstandbeleid en de nulschade-aanpak voor het afschieten van wilde zwijnen?

Antwoord:
Buiten de gebieden met een regionaal gebiedsplan is het beleid dat alle wilde zwijnen worden afgeschoten. Binnen de gebieden met een regionaal gebiedsplan is het beleid dat de door wilde zwijnen veroorzaakte schade wordt teruggebracht naar nul. Ook hier wordt de populatie wilde zwijnen gereguleerd door afschot, maar dit hoeft niet tot het laatste individu.


Onder het kopje ‘Faunabeheerplan Noord-Brabant 2017-2023’ staat dat “ondanks het toegenomen afschot” o.a. “het aantal aanrijdingen nog verder toeneemt” (ook in ontheffing Z/049704).

2. Hoe is de weergave van 20 aanrijdingen in 2014, 19 in 2015 en 12 in 2016 te rijmen met de opmerking dat “het aantal aanrijdingen nog verder toeneemt”?

Antwoord:
De opmerking die u citeert wordt vooraf gegaan door “Uit de evaluatie van de beheerperiode 2011 – 2016 is gebleken”. Deze evaluatie is gebaseerd op de cijfers van 2009 t/m 2015. Deze laten een stijgende lijn zien (2009: 2, 2010: 1, 2011: 3, 2012: 10, 2013: 6, 2014: 20, 2015: 19: zie ook grafiek 7.34.3 uit het FBP). Het aantal van 12 aanrijdingen in 2016 wijkt inderdaad af van deze stijgende lijn. Op dit moment is nog niet te zeggen of dit eenmalig is of dat een dalende lijn is ingezet.


3. Bent u het met ons eens dat het heel goed mogelijk is dat de veronderstelde toename in het aantal aanrijdingen juist is toe te kennen aan het toegenomen afschot, doordat wilde zwijnen nu meer in paniek vluchten en daarbij ook wegen oversteken? Zo nee, met welke feiten onderbouwt u dat een toename in afschot geen oorzaak kan zijn van een toename in het aantal aanrijdingen?

Antwoord:
Of sprake is van een verband tussen afschot en het aantal aanrijdingen is door ons niet te beantwoorden. Alterra heeft onderzoek gedaan naar aanrijdingen met wilde hoefdieren op de Veluwe1. Hieruit bleek dat de aanrijdingen een weerspiegeling zijn van de dichtheid aan hoefdieren, hun seizoen- en dagritmen en de daarmee samenhangende voedseltochten. Ook hangt het risico van een aanrijding samen met de aanwezigheid van bos in de nabijheid van de weg, met de breedte van de weg en met het verkeersvolume. Een verband met de verkeerssnelheid en de jachtdruk kon niet worden aangetoond.


Er wordt aangegeven dat de getaxeerde schade niet afneemt ondanks de toename van het aantal afgeschoten zwijnen. Geconcludeerd wordt dat dit aantoont dat de populatie nog steeds toeneemt.

4. Bent u het met ons eens dat de relatie tussen het uitblijven van afname van schade en toename van afschot ook kan wijzen op de ineffectiviteit van afschot voor schadebeperking? Zo nee, met welke feiten onderbouwt u dit?

Antwoord:
Ja, dit is theoretisch mogelijk. De toename van de populatie wilde zwijnen kan echter niet worden ontkend. De reproductie is groter dan de afname door afschot. Vooral het verschijnsel van vier mastjaren achtereen heeft bijgedragen aan een verdere populatiegroei.


Onder ‘Inzet kaliber .22 en geluiddemper’ wordt als argument voor gebruik van geluiddempers aangegeven dat de aanwezigheid van ‘nieuwsgierigen’ “mogelijk niet wordt opgemerkt door de uitvoerders”.

5. Bent u het met ons eens dat zich onbewust ook o.a. wandelaars, vogelaars en hondenuitlaters aan het omgevingsgevaar bloot kunnen stellen en dat de kans hierop groter is indien er geen sprake is van luide knallen bij het afschot? Zo ja, erkent u hiermee het risico dat mensen worden aan- of afgeschoten door de uitvoerders? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Bij het gebruik van een geweer, al dan niet voorzien van een geluiddemper, wordt veel aandacht aan de veiligheid geschonken. Dit is ook een belangrijk onderdeel van het jachtexamen (Regeling natuurbescherming, artikel 3.9 lid 2c.). Er wordt geschoten van hoog naar laag, zodat de kogels bij het uittreden van het dier in de grond slaan. Bij het gebruik van kaliber .22 blijft de kogel meestal achter in het dier en is de kans op ricochet en daarmee omgevingsgevaar erg klein.


Over het vangkooi-protocol wordt o.a. aangegeven dat andere diersoorten (dan wilde zwijnen) zo snel mogelijk worden vrijgelaten.

6. Betekent dit dat de andere diersoorten ook ’s nachts vrijgelaten worden, waarmee zij niet tot ‘direct na zonsopkomst’ hoeven te wachten en niet – in het geval van nachtdieren – een dag/nacht zonder voedselvergaring komen te zitten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat voor tijdsindicatie past bij ‘zo snel mogelijk’?

Antwoord:
Bij een actieve kooi bestaat er een live-cameraverbinding met de beheerder. Bij het vangen van andere soorten dan het wild zwijn wordt direct actie ondernomen en gaat men op pad om de dieren vrij te laten. Zo staat ook in de voorschriften vermeld. Een tijdsindicatie valt hierbij niet te geven, dit is afhankelijk van de afstand tussen kooi en woning van de beheerder.


7. Kunt u aangeven hoe vaak andere diersoorten gevangen worden in een vangkooi voor wilde zwijnen en welke soorten het betreft en hoe lang deze dieren doorgaans gevangen zitten voordat ze worden bevrijd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
In de in Noord-Brabant vergunde kooien blijkt bij navraag nooit sprake te zijn geweest van bijvangsten. Bij goed gebruik van de vangkooi is de kans hierop ook vrijwel nihil. Immers, de kooi wordt geplaatst op plekken waar al zwijnen zitten, de zwijnen worden eerst gelokt met voer en gewend aan de kooi. Pas als uit camerabeelden blijkt dat dit het geval is, wordt de kooi op scherp gezet.

Omdat de kooi van boven open is, kan bijvoorbeeld een eventueel per abuis gevangen vos er gewoon weer uit.


Ontheffing Z/049704
Onder ‘Overwegingen en toetsingen’ worden als argumenten voor het gebruik van de geluiddemper aangedragen dat geweerschoten tot onrust bij omwonenden leiden en de zwijnen leren waar het gevaarlijk is.

8. Bent u het met ons eens dat de aanname dat zwijnen door geweerschoten leren waar ze niet moeten komen, wijst op een bevredigend alternatief waardoor afschot niet aan de orde is? Zo ja, bent u bereid om de ontheffing voor het gebruik van geluidsdempers terug te nemen? Zo nee, waarom niet en waarop baseert u dit?

Antwoord:
Nee. Het provinciale beleid is gericht op nulstand. Het is niet de bedoeling om de zwijnen te verjagen.

Wilde zwijnendeskundige Groot Bruinderink stelt dat je wilde zwijnen het beste verjaagt door specifiek op plaatsen waar ze niet mogen komen, jaarrond, op onregelmatige tijden, zowel 's nachts als overdag, zowel op volwassen dieren als op biggen, te schieten. Daarentegen dienen ze met rust gelaten te worden in gebieden waar ze geen kwaad kunnen.

9. Waarom volgt de FBE het advies van Groot Bruinderink niet?

Antwoord:
Zie antwoord op vraag 8; het provinciale beleid is gericht op nulstand en niet op verjagen. Verjagen zou ertoe leiden dat de wilde zwijnen in een nog groter gebied schade kunnen veroorzaken.


Ontheffing Z/050343
In de overwegingen staat dat als voorschrift is gesteld dat minimaal twee preventieve middelen gebruikt moeten worden, voordat het geweer gebruikt mag worden. Om welke middelen het gaat, zou staan in de voorschriften. In de daadwerkelijke voorschriften bij het besluit is daar echter niets over terug te vinden.

10. Om welke preventieve middelen gaat het?

Antwoord:
Uw bovenstaande constatering is juist. De ontheffing Z/050343 heeft populatiereductie tot doel. Hierbij is dit voorschrift niet van toepassing. De ontheffing is inmiddels hierop aangepast.


De ontheffing geldt voor een behoorlijk deel van Brabants grondgebied.

11. Op welk niveau geldt de voorwaarde van minimaal twee preventieve middelen? M.a.w., hoe vaak en op welke schaal moeten preventieve middelen worden ingezet voordat ganzen mogen worden afgeschoten?

Antwoord:
In de genoemde ‘Faunaschade Preventie Kit, module ganzen’ staat per middel aangegeven op welke wijze deze gebruikt moeten worden. Als sprake is van schade dienen altijd twee preventieve maatregelen genomen worden, waarvan er ten minste één actief in het veld aanwezig blijft tijdens de looptijd van de machtiging (=afschot).

De ontheffing geldt voor de WBE’s gelegen in de Schaderegulatiezone zoals beschreven in het ganzengebiedsplan. De omvang van deze zone is bepaald aan de hand van het aantal getelde ganzen, het gebruik van de ontheffing om schade te bestrijden en de hoogte van de schades.


Over het wettelijk kader en beleidskader wordt o.a. het volgende gesteld:
"Ondanks de exponentiële toename van het aantal grauwe ganzen in de provincie is het totaal aan getaxeerde landbouwschade in dezelfde periode afgenomen. Het beheer door middel van afschot lijkt hiermee doeltreffend te zijn."

12. Hoe is de relatie tussen de toename van het aantal ganzen en de afname van de landbouwschade te rijmen met een quotum van 15.000 dood te schieten ganzen in 2017?

Antwoord:
Het afschot van grauwe gans in de vorige beheerperiode lag rond de 7.000 per jaar. Desondanks is de populatie sterk gegroeid. De getaxeerde schade is in deze periode inderdaad afgenomen. Gemiddeld ligt deze echter nog ruim boven het niveau van 2005 (ca. €36.000). Bovendien is de afname van de getaxeerde schade voor een deel te wijten aan de invoering van het behandelbedrag en eigen risico. Omdat hiermee de drempel voor een tegemoetkoming in de schade op een bedrag van €600 is komen te liggen, is de bereidheid om schade te melden bij veel agrariërs gering. Sinds de invoering is het aantal dossiers met 2/3 gedaald. Door nu via beheer de populatie gereguleerd (via quota) te verkleinen, verwachten wij de sterke toename van de populatieomvang te stoppen. Daarom is gekozen voor het quotum van 15.000 in 2017. In de toekomst kan de populatie (en daarmee de schade) dan met minder drastische maatregelen (o.a. nestbehandeling, verjaging met ondersteunend afschot) worden gereguleerd.


13. Bent u het met ons eens dat het instellen van een quotum van 15.000 Grauwe Ganzen de structurele afname van de landbouwschade door Grauwe Ganzen hoogstwaarschijnlijk zal keren (doordat de ganzen vanwege het meer opgejaagd worden, meer energie verbruiken en daardoor meer gaan foerageren)? Zo ja, waarom is het afschotquotum ingesteld? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Zie antwoord op vraag 12.


14. Hoe verhoudt het quotum zich tot het besluit van Provinciale Staten dat er wordt gestreefd naar schadebeperking waarbij aantalsreductie geen doel op zich is?

Antwoord:
Wij hebben de ontheffing verleend voor 1 jaar en bepalen jaarlijks of voortzetting of aanpassing noodzakelijk is. De ontwikkeling van de schade is hier leidend in. Er wordt niet gestreefd naar een bepaalde doelstand. Zie antwoord op vraag 12.


15. Waarom wordt de afname van de landbouwschade alleen toegerekend aan het afschotbeleid en worden andere factoren die schade beïnvloeden, zoals het weer, andere gewaskeuze of betere preventie op zeer schadegevoelige percelen, niet genoemd?

Antwoord:
Bij het taxeren van ganzenschade wordt alleen de schade veroorzaakt door ganzen getaxeerd, schade als gevolg van andere factoren wordt hierin niet meegenomen. De afname van de getaxeerde landbouwschade is ook voor een deel te wijten aan de meldingsbereidheid bij agrariërs. Zie ook het antwoord op vraag 12.


De landbouwschade door ganzen neemt al jaren af, ondanks dat de populatie ganzen toeneemt. Terwijl jaarlijks 20 procent van de populatie wordt afgeschoten, neemt de populatie niet af. Afschot heeft een verjagend effect, maar een afschotquotum heeft geen effect op de totale populatie; bij voldoende voedsel zal het aantal ganzen gelijk blijven (door influx van elders of extra broedsucces).

16. Hoe wordt het quotum van 15.000 ganzen in dit kader onderbouwd?

Antwoord:
Wij delen uw opvatting niet. Zie ook het antwoord op vraag 12. In 2018 zal wel extra worden ingezet op nestbehandeling.


Ontheffing Z/050612
Kraaiachtigen worden gevangen met een vangkooi en daarna gedood.

17. Waarom is het elders uitzetten van kraaiachtigen of andere preventieve middelen geen bevredigende oplossing?

Antwoord:
Het doden van vogels is pas aan de orde als de dieren zich niet laten verjagen en structureel terugkomen of als sprake is van een acuut risico voor de luchtverkeersveiligheid. Kraaiachtigen zijn soorten die vaak een eigen territorium hebben en vaak op dezelfde plek nestelen. De kans dat ze terugkomen is groot. Omdat de zwarte kraai en de kauw op de landelijke vrijstellingslijst staan, omdat ze in het hele land schade veroorzaken, worden deze gevangen en gedood.


18. Geldt dit ook voor beschermde soorten als de Roek en de Raaf?

Antwoord:
Het uitvoeringsbeleid van de Koninklijke Luchtmacht is erop gericht om zo veel mogelijk te werken met verplaatsing van beschermde dieren. Pas wanneer individuele dieren blijven terugkeren en een risico vormen voor de luchtverkeersveiligheid worden deze gedood. In de afgelopen periode (2011- 2016) zijn 7 roeken gevangen en zijn er 2 gedood. De raaf is in deze periode niet waargenomen.


Over preventieve maatregelen is vermeld dat op bases met een rondom gesloten hekwerk van ten minste 2,30 meter een nulstand voor reeën geldt.

19. Welke bases hebben geen rondom gesloten hekwerk van minstens 2,30 meter?

Antwoord:
Woensdrecht en Gilze-Rijen. Dit geldt ook voor de Luitenant Generaal Best Kazerne die deels in Noord-Brabant ligt (vroeger de vliegbasis De Peel).


20. Zijn er op de bases met een rondom gesloten hekwerk van minstens 2,30 meter inderdaad geen reeën aanwezig? Zo nee, waarom lukt het niet om in een afgesloten gebied een nulstand te realiseren?

Antwoord:
Ja, hier zijn geen reeën aanwezig.


Ontheffing Z/050336
Het regionale gebieds-/beheerplan gaat uit van beheer dat is gebaseerd op inrichtingsmaatregelen, diervriendelijke preventieve maatregelen en reducerende maatregelen.

21. Zijn er al plannen voor inrichtingsmaatregelen en/of diervriendelijke preventieve maatregelen om ganzen te weren in de gevoelige gebieden? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Terreinbeheerders zien vooralsnog weinig mogelijkheden om specifieke inrichtings- of preventieve maatregelen te treffen om gevoelige natuurgebieden minder aantrekkelijk te maken voor ganzen. Deze maatregelen verdragen zich in het algemeen niet met de beoogde natuurdoelstelling en beheer van degelijke gebieden. Wel wordt door terreinbeheerders bij voorkeur gebruik gemaakt van maatregel ‘behandeling van eieren’. Het is wel een aandachtpunt bij de op te stellen gebiedsafspraken.


U verleent toestemming voor het gebruik van het geweer gedurende één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang.

22. Waarom is deze ontheffing verleend, terwijl de Raad van State heeft bevestigd dat dit niet is toegestaan?

Antwoord:
De uitspraak van de Raad van State heeft betrekking op de (oude) Flora- en Faunawet. De methode van het doden buiten de daglichtperiode was hierin niet expliciet genoemd als toegestaan middel, dus was de rechtbank van oordeel dat de ontheffing ten onrechte was verleend. Dit is inmiddels hersteld in de Wet natuurbescherming.


23. Hoe kan het dat het bestuur van de FBE van deze uitspraak niet op de hoogte is, dan wel deze bewust heeft genegeerd?

Antwoord:
Zie antwoord op vraag 22.


24. Wordt een aanvraag door de betreffende omgevingsdienst getoetst aan vigerende regelgeving? Zo ja, hoe heeft deze ontheffing dan toch verleend kunnen worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. Zie vraag 22.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger