Vragen over schade door ganzen aan grasland in Friesland én Noord-Brabant


Indiendatum: 7 jul. 2021

De Provincie Fryslân en BIJ12 hebben Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek en Sovon Vogelonderzoek Nederland opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren met de volgende vier doelstellingen:

  1. In beeld brengen wat de effecten zijn van intensivering van verjaging buiten ganzenfoerageergebieden in de winterperiode (januari tot 1 april) op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden;
  2. In beeld brengen wat de effecten zijn van verjaging vanaf 1 april in de gebieden die tot 1 april functioneerden als ganzenfoerageergebieden op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden;
  3. In beeld brengen wat de effecten zijn van vervroeging van het verjagingsmoment op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden.
  4. Naast het ganzenonderzoek is er ook onderzoek gedaan naar de effecten van verjaging op de aanwezigheid en het broedsucces van weidevogels buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden.

Het blijkt dat, aangezien gras pas in april echt begint te groeien, begrazing van graslanden in de winter nauwelijks enige invloed heeft op de groei in het voorjaar. In 80% van de proefveldjes was de hoogte van het gras op het moment van de eerste “snede” niet significant verschillend voor veldjes waarop ganzen hadden gegraasd en veldjes waarop dat niet zo was. In slechts 20% van de gevallen was enige vertraging van de grasgroei waar te nemen, met een week “verlies” in tijd voor de eerste snede. Verder bleek dat de door beëdigde taxateurs getaxeerde schade op geen enkele manier in relatie stond tot de door Altenburg & Wymenga gemeten waardes van de hoogte van het gras.

De omvang van de schade wordt volgens de onderzoekers te vroeg geschat. Grasland dat in de winter en het vroege voorjaar door ganzen is bezocht, herstelt zich in korte tijd volledig. De onderzoekers stellen vast dat de grasgroei in april en mei zowel op begraasde als op niet-begraasde landerijen gelijk is. Gras maakt in april tot aan ‘de eerste snede’ een groeistuip door en wordt dan alsnog bijna net zo lang als gras dat niet door ganzen is bezocht.

Maar de schadetaxaties beginnen doorgaans al eind maart, als de groeispurt nog moet beginnen. “Daardoor wordt de schade mogelijk te hoog ingeschat”, aldus het onderzoeksverslag van ecologisch bureau Altenburg & Wymenga en vogelonderzoekers van Sovon.

Uit het rapport kan geconcludeerd worden dat schade door ganzen aan 80% van het grasland niet bestaat. In 20% van de gevallen is er wel enige schade, maar zo weinig dat daar geen afschot van ganzen op gebaseerd kan worden. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u bekend met het onderzoek?

2. In hoeverre komt de werkwijze van de provincie Friesland overeen met de werkwijze van de FBE in Noord-Brabant?

In Noord-Brabant bemest Staatsbosbeheer een aantal gebieden om er voor te zorgen dat er voldoende eiwit voor de ganzen beschikbaar is (o.a, bij St. Antoniegorzen en Buitengorzen). Bij de St. Antoniegorzen is er de afgelopen jaren extra geïnvesteerd om het gras van voldoende kwaliteiten te laten zijn. Brabants Landschap doet ditzelfde rond het Markiezaat.

3. Bent u van mening dat Noord-Brabant over voldoende ganzenfoerageergebieden beschikt? Zo nee, waar ziet u mogelijkheid om nog meer ganzenfoerageergebieden in te richten?

4. Bent u bereid om het rapport van bureau Altenburg & Wymenga onder de aandacht van de FBE en de relevante schadetaxateurs te brengen? Zo nee, waarom niet?

Een van de aanbevelingen uit het rapport is om het onderzoek in een ander gebied (andere provincie) te herhalen, ter toetsing van de ruimtelijke schaal van de geconstateerde bevindingen.

5. Bent u met ons van mening dat de uitkomsten van het rapport aanleiding is om het beleid te heroverwegen of aan te passen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?

6. Bent u bereid om in Noord-Brabant dit onderzoek te herhalen? Zo nee, waarom niet, daar het mogelijk een oplossing biedt voor de jaarlijks uitgekeerde schade aan grasland?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Indiendatum: 7 jul. 2021
Antwoorddatum: 3 aug. 2021

De Provincie Fryslân en BIJ12 hebben Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek en Sovon Vogelonderzoek Nederland opdracht gegeven om onderzoek uit te voeren met de volgende vier doelstellingen:

  1. In beeld brengen wat de effecten zijn van intensivering van verjaging buiten ganzenfoerageergebieden in de winterperiode (januari tot 1 april) op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden;
  2. In beeld brengen wat de effecten zijn van verjaging vanaf 1 april in de gebieden die tot 1 april functioneerden als ganzenfoerageergebieden op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden;
  3. In beeld brengen wat de effecten zijn van vervroeging van het verjagingsmoment op de aanwezigheid van ganzen, de vraat door ganzen, de fysieke schade aan het gras en de economische schade die dit veroorzaakt buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden.
  4. Naast het ganzenonderzoek is er ook onderzoek gedaan naar de effecten van verjaging op de aanwezigheid en het broedsucces van weidevogels buiten en binnen de ganzenfoerageergebieden.

Het blijkt dat, aangezien gras pas in april echt begint te groeien, begrazing van graslanden in de winter nauwelijks enige invloed heeft op de groei in het voorjaar. In 80% van de proefveldjes was de hoogte van het gras op het moment van de eerste “snede” niet significant verschillend voor veldjes waarop ganzen hadden gegraasd en veldjes waarop dat niet zo was. In slechts 20% van de gevallen was enige vertraging van de grasgroei waar te nemen, met een week “verlies” in tijd voor de eerste snede. Verder bleek dat de door beëdigde taxateurs getaxeerde schade op geen enkele manier in relatie stond tot de door Altenburg & Wymenga gemeten waardes van de hoogte van het gras.

De omvang van de schade wordt volgens de onderzoekers te vroeg geschat. Grasland dat in de winter en het vroege voorjaar door ganzen is bezocht, herstelt zich in korte tijd volledig. De onderzoekers stellen vast dat de grasgroei in april en mei zowel op begraasde als op niet-begraasde landerijen gelijk is. Gras maakt in april tot aan ‘de eerste snede’ een groeistuip door en wordt dan alsnog bijna net zo lang als gras dat niet door ganzen is bezocht.

Maar de schadetaxaties beginnen doorgaans al eind maart, als de groeispurt nog moet beginnen. “Daardoor wordt de schade mogelijk te hoog ingeschat”, aldus het onderzoeksverslag van ecologisch bureau Altenburg & Wymenga en vogelonderzoekers van Sovon.

Uit het rapport kan geconcludeerd worden dat schade door ganzen aan 80% van het grasland niet bestaat. In 20% van de gevallen is er wel enige schade, maar zo weinig dat daar geen afschot van ganzen op gebaseerd kan worden. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u bekend met het onderzoek?

Antwoord:
Ja.


2. In hoeverre komt de werkwijze van de provincie Friesland overeen met de werkwijze van de FBE in Noord-Brabant?

Antwoord:
BIJ12 behandelt, in opdracht van de 12 provincies, aanvragen om tegemoetkoming in schade aan landbouwgewassen veroorzaakt door beschermde inheemse diersoorten, waaronder schade veroorzaakt door ganzen. Na een aanvraag door grondgebruikers wordt de hoogte van de schade vastgesteld door een erkend, onafhankelijk taxatiebureau. Deze bureaus gaan te werk volgens door BIJ12 vastgestelde richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgesteld in samenspraak met experts op het gebied van grasgroei, faunaschade en taxatiemethodes van onder andere Wageningen University & Research. Het taxatieproces wordt op basis van de vastgestelde richtlijnen landelijk, en dus ook in Friesland en Noord-Brabant, op dezelfde wijze uitgevoerd. De in Noord-Brabant getaxeerde schade gebruikt de Faunabeheereenheid vervolgens voor de onderbouwing van het Faunabeheerplan en het aanvragen van ontheffingen. De Faunabeheereenheid is geen partij bij het uitvoeren van de taxaties.


In Noord-Brabant bemest Staatsbosbeheer een aantal gebieden om er voor te zorgen dat er voldoende eiwit voor de ganzen beschikbaar is (o.a, bij St. Antoniegorzen en Buitengorzen). Bij de St. Antoniegorzen is er de afgelopen jaren extra geïnvesteerd om het gras van voldoende kwaliteiten te laten zijn. Brabants Landschap doet ditzelfde rond het Markiezaat.

3. Bent u van mening dat Noord-Brabant over voldoende ganzenfoerageergebieden beschikt? Zo nee, waar ziet u mogelijkheid om nog meer ganzenfoerageergebieden in te richten?

Antwoord:
Ja. De rust- en foerageergebieden in Noord-Brabant zijn aangewezen in de Regeling natuurbescherming Noord-Brabant. Wij zijn van mening dat Noord-Brabant met deze aanwijzing over voldoende gebieden beschikt. Wel is de Faunabeheereenheid voornemens een nieuw Faunabeheerplan Ganzen uit te werken en vast te stellen. Daarnaast heeft de Maatschappelijke Adviesraad Faunaschade in juni 2021 het advies Ganzen zonder grenzen – Advies voor een robuust en gebiedsgericht ganzenbeheer aan de 12 provincies uitgebracht. Provincies beraden zich momenteel over de vraag of en in hoeverre dit advies voor de 12 provincies gezamenlijk dan wel individueel aanleiding is tot aanpassing van het beleid ten aanzien van ganzenbeheer. Het beleid ten aanzien van foerageergebieden is hier onderdeel van. Naar aanleiding van voorgaande kan een beleidsaanpassing in de toekomst aan de orde zijn, maar voor een beleidsaanpassing op dit moment zien wij geen aanleiding.


4. Bent u bereid om het rapport van bureau Altenburg & Wymenga onder de aandacht van de FBE en de relevante schadetaxateurs te brengen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Het rapport ‘Effecten van verjaging op vraatschade door ganzen in Fryslân’ dat in opdracht van de provincie Fryslân en BIJ12 is uitgevoerd door Altenburg & Wymenga en SOVON dateert van 2019 en is reeds bekend bij de in opdracht van BIJ12 werkende schadetaxateurs en eveneens bij de Faunabeheereenheid Noord-Brabant.


Een van de aanbevelingen uit het rapport is om het onderzoek in een ander gebied (andere provincie) te herhalen, ter toetsing van de ruimtelijke schaal van de geconstateerde bevindingen.

5. Bent u met ons van mening dat de uitkomsten van het rapport aanleiding is om het beleid te heroverwegen of aan te passen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord:
Nee, gelet op ons antwoord op vraag 2 zijn wij van mening dat schadetaxaties op een zorgvuldige wijze plaatsvinden. De schadetaxaties bieden daarom voldoende basis voor het huidig beleid ten aanzien van het voorkomen van schade die wordt veroorzaakt door ganzen en de uitvoering hiervan op basis van de verleende ontheffingen. Wij achten het daarom niet nodig om over te gaan tot aanpassingen hiervan.
Voor wat betreft het in de provincie Fryslân uitgevoerde onderzoek merken wij op dat deze is uitgevoerd met een ander oogmerk en daarom met andere methoden dan gebruikt worden voor graslandtaxaties. Een deel van de expertise waarop de graslandtaxaties zijn gebaseerd is daarom niet in het onderzoek betrokken. Daarnaast zijn er diverse factoren van invloed op grasgroei en daarmee ook op de wijze hoe gras zich herstelt van ganzenschade. Dit kan per jaar verschillen, bijvoorbeeld al naar gelang sprake is van een nat voorjaar of een droog en schraal voorjaar. Het resultaat van het in Friesland uitgevoerde onderzoek is daarom te beschouwen als een momentopname.
Wel is het onderzoek aanleiding geweest voor BIJ12 om een vervolgonderzoek uit te laten voeren om de validiteit van de conclusies te verifiëren. Dit zal op een grotere schaal in Nederland en in meerdere provincies (Noord-Holland en Utrecht) en over meerdere jaren worden uitgevoerd. Voor dit onderzoek zal, zoals ook is gebeurd ten aanzien van de huidige taxatierichtlijnen, brede expertise op het gebied van grasgroei, faunaschade en taxatiemethodes worden ingewonnen. Ook worden verschillende taxatiemethodes met elkaar vergeleken om eventuele tekortkomingen in ieder van de methodes te kunnen ondervangen.
De resultaten van het onderzoek worden volgend jaar verwacht. Op basis van de uitkomsten zal worden bezien of er aanleiding is de schadecijfers bij te stellen en zo ja, of dit aanleiding geeft tot aanpassing van beleid en de op basis daarvan verleende ontheffingen. Daarnaast kan, zoals in ons antwoord op vraag 3 is toegelicht, het advies van de Maatschappelijke Adviesraad Faunaschade aanleiding geven tot aanpassing van het beleid.


6. Bent u bereid om in Noord-Brabant dit onderzoek te herhalen? Zo nee, waarom niet, daar het mogelijk een oplossing biedt voor de jaarlijks uitgekeerde schade aan grasland?

Antwoord:
Nee, vanwege de in ons antwoord op vraag 5 gegeven toelichting bij het reeds lopende vervolgonderzoek in opdracht van BIJ12 zien wij hiertoe geen aanleiding.