Vragen over vergun­ning­ver­lening in de veehou­derij, het gebruik van de depo­si­tiebank en de door RIVM gemeten ammoniak waarden in de Brabantse Natuur


Indiendatum: mei 2014

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende vergunningverlening in de veehouderij, het gebruik van de depositiebank en de door RIVM gemeten ammoniak waarden in de Brabantse Natuur.


Geacht college,

Op 7 mei 2014 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) beslist dat de door uw college verleende vergunningen op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) aan vier Brabantse veehouderijen worden vernietigd. De reden hiervoor was, dat niet kon worden uitgesloten dat de voor de vergunning benodigde in de depositiebank opgenomen saldi, toebehoorden aan milieuvergunningen die voor de oprichting van de depositiebank al waren ingetrokken, of dat in de depositiebank saldi waren opgenomen van bedrijven, die op het moment van het intrekken van de milieuvergunning feitelijk niet meer aanwezig waren. Dit heeft bij ons opgeroepen tot de volgende vragen.

1. Erkent u dat er fouten zijn gemaakt tijdens het werken met de depositiebank?

2. Kunt u aan ons inzichtelijk maken hoeveel veehouderijen sinds 29 september 2009 hebben kunnen uitbreiden door een salderingsbesluit dat, zo blijkt nu, helemaal niet bij de vergunningverlening mocht worden betrokken? Zo nee, waarom niet?

3. Bent u met ons van mening dat er in bovenstaande gevallen sprake is van een onrechtmatige situatie? Zo nee waarom niet?

4. Op welke wijze bent u voornemens om de bestaande situaties waarin onterecht een vergunning tot oprichting of uitbreiding is verleend, uit de onrechtmatige sfeer te halen?

5. Bent u het met ons eens dat, de onrechtmatige situaties die zijn ontstaan op het gebied van stikstofemissie door onjuist gebruik van de depositiebank, toevoegt aan het aantal (nog te legaliseren) onrechtmatige situaties in de veehouderij dat in het verleden is ontstaan door de verlaat geïmplementeerde Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn (de zogenoemde interimmers)?1 Zo nee, waarom niet?

6. Bent u van plan het herstel van onrechtmatige situaties als gevolg van onjuist gebruik van de depositiebank op eenzelfde wijze aan te pakken als hoe u de onrechtmatige situaties die zijn ontstaan door het niet juist interpreteren en toepassen van de referentiedatum wat betreft stikstofdepositie van 7 december 2004 gaat herstellen? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen voor deze laatstgenoemde groep vergunninghouders?

7. Hoe ziet u deze uitvoering van achterstallig onderhoud wat betreft stikstofrechten in het licht van de PAS? Denkt u dat er nog zogeheten ontwikkelruimte over blijft om uit te delen aan veehouderijen die voornemens zijn een nieuw bedrijf op te richten of het bestaande bedrijf uit te breiden zonder dat de doelstellingen wat betreft Natura 2000 verder in het slop raken? Zo ja, waarom?

De ammoniakconcentratie in Brabant is bij lange na niet op een dergelijk nivo dat de achteruitgang van de biodiversiteit zelfs maar tot een stilstand kan worden gebracht. In de Groote Peel, Mariapeel, de Strabrechtse Heide, Kampina en de Brabantse Wal, is er gemeten dat de ammoniakconcentraties gelijk zijn gebleven of zelfs zijn toegenomen sinds 2005.2 Dit vinden wij een zorgelijke ontwikkeling.

8. Bent u het met ons eens dat de metingen die door RIVM zijn verricht in de bovengenoemde natuurgebieden aantonen dat er geen verbetering zichtbaar is sinds 2005 met betrekking tot de ammoniakconcentraties? Zo nee, waarom niet?

9. Hoe verklaart u het feit dat de ammoniakconcentraties in de RIVM gemeten natuurgebieden sinds 2005 niet zijn afgenomen? Bent u met ons van mening dat het door u gevolgde beleid voor ammoniak emissiereductie niet heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?

10. Daar er op dit moment blijkbaar nog geen constructieve reductie is van de ammoniakuitstoot op de Brabantse natuur, en er nog zoveel achterstallig onderhoud wat betreft onterecht vergunde stikstofrechten is: kunt u aan ons verduidelijken hoe u kunt spreken van ontwikkelruimte in de veehouderij?

11. Bent u van mening dat er door de komst van de PAS daadwerkelijk meer stikstofrechten kunnen worden verleend omdat de natuur door de systematiek van de PAS minder wordt belast? Zo ja, waarop baseert u dat?

12. Bent u met ons van mening dat de PAS enkel op papier zou kunnen zorgen voor meer ontwikkelruimte omdat er onder andere een drempelwaarde voor stikstofemissie komt, die een deel van de oprichtingen en uitbreidingen in de veehouderij (en daarmee verdere belasting van natuur) vergunningvrij maakt? Zo nee, waarom niet?

13. De onherroepelijk vergunde uitbreidingen waaraan een, zo blijkt nu, onterecht positief salderingsbesluit ten grondslag heeft gelegen, zijn niet meer terug te draaien. Nu echter blijkt dat er, door een vergissing van uw college, hierdoor meer stikstofbelasting heeft plaatsgevonden dan was toegestaan: Vindt u het toch niet uw (Europese) plicht om de extra ontstane stikstofbelasting te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat de stikstofgevoelige habitats niet nog extra worden belast door de onterecht verleende vergunningen?

Sinds 22 maart 2013 is, na de vaststelling van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 het Gecorrigeerd Emissieplafond (GEP) losgelaten. Dat betekent dat vrijgekomen emissierechten na emissiearme maatregelen niet meer worden afgeroomd. Daardoor is een einde gekomen aan de hoogst noodzakelijke beperking van de ammoniakuitstoot en kan er weer meer worden uitgestoten.

14. Bent u met ons van mening dat het herintroduceren van het GEP noodzakelijk is voor het legaliseren van de beide in vraag 5 genoemde situaties? Zo ja, gaat u hier tot over? Zo nee, waarom niet?

Sinds 22 maart 2013 is, na de vaststelling van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013, de reservering van emissierechten in de depositiebank voor interimmers (bedrijfsontwikkelingen sinds 7 december 2004 met een toename van ammoniakemissie) vervallen. Daardoor is een einde gekomen aan de hoogst noodzakelijke beperking van de ammoniakuitstoot en kan er weer meer worden uitgestoten.

15. Wat lag er aan deze beslissing ten grondslag? Betekent dit dat het legaliseren van deze situaties nu ook minder gestaag gaat dan voordat de nieuwe verordening werd vastgesteld? Zo nee, waarom niet?

Graag vernemen wij uw reactie.


Met vriendelijke groet,

Ir. Marco van der Wel
Partij voor de Dieren

Indiendatum: mei 2014
Antwoorddatum: 27 mei 2014

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Erkent u dat er fouten zijn gemaakt tijdens het werken met de depositiebank?

Antwoord: Nee, wij hebben gehandeld conform de destijds vigerende wetgeving, inclusief de jurisprudentie op dat moment.


2. Kunt u aan ons inzichtelijk maken hoeveel veehouderijen sinds 29 september 2009 hebben kunnen uitbreiden door een salderingsbesluit dat, zo blijkt nu, helemaal niet bij de vergunningverlening mocht worden betrokken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: In totaal 531 bedrijven hebben een salderingsbesluit op grond van de verordening/ depositiebank ontvangen. Hiervan hebben 135 bedrijven ook een onherroepelijke Nbwet-vergunning op basis van dit salderingsbesluit. Deze 135 bedrijven kunnen hun uitbreiding dan ook realiseren.


3. Bent u met ons van mening dat er in bovenstaande gevallen sprake is van een onrechtmatige situatie? Zo nee waarom niet?

Antwoord: Nee, er is geen sprake van een onrechtmatige situatie. De vergunningen zijn verleend op grond van de destijds vigerende wet- en regelgeving en zijn onherroepelijk.


4. Op welke wijze bent u voornemens om de bestaande situaties waarin onterecht een vergunning tot oprichting of uitbreiding is verleend, uit de onrechtmatige sfeer te halen?

Antwoord: zie het antwoord op vraag 3.


5. Bent u het met ons eens dat, de onrechtmatige situaties die zijn ontstaan op het gebied van stikstofemissie door onjuist gebruik van de depositiebank, toevoegt aan het aantal (nog te legaliseren) onrechtmatige situaties in de veehouderij dat in het verleden is ontstaan door de verlaat geïmplementeerde Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn (de zogenoemde interimmers)? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee, er is geen sprake van onrechtmatige situaties. Wel dienen de bedrijven die een salderingsbesluit hebben ontvangen, maar nog niet over een onherroepelijke Nbwet-vergunning beschikken hun beoogde uitbreiding op een andere wijze ecologisch te onderbouwen.


6. Bent u van plan het herstel van onrechtmatige situaties als gevolg van onjuist gebruik van de depositiebank op eenzelfde wijze aan te pakken als hoe u de onrechtmatige situaties die zijn ontstaan door het niet juist interpreteren en toepassen van de referentiedatum wat betreft stikstofdepositie van 7 december 2004 gaat herstellen? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen voor deze laatstgenoemde groep vergunninghouders?

Antwoord: Nee, zie het antwoord op de vragen 3,4 en 5.


7. Hoe ziet u deze uitvoering van achterstallig onderhoud wat betreft stikstofrechten in het licht van de PAS? Denkt u dat er nog zogeheten ontwikkelruimte over blijft om uit te delen aan veehouderijen die voornemens zijn een nieuw bedrijf op te richten of het bestaande bedrijf uit te breiden zonder dat de doelstellingen wat betreft Natura 2000 verder in het slop raken? Zo ja, waarom?

Antwoord: De bedrijven die een salderingsbesluit op grond van de verordening/ depositiebank hebben ontvangen, maar nog niet beschikken over een onherroepelijke Nbwet-vergunningen zullen (deels) een beroep doen op de ontwikkelingsruimte uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hoe de ontwikkelingsruimte uit de PAS zich verhoudt tot de zogenaamde ontwikkelbehoefte in de veehouderij is nog niet bekend. Dit moet blijken uit berekeningen op grond van AERIUS versie 1.7/ AERIUS Monitor. Naar verwachting zijn de berekeningen in juli 2014 afgerond.


De ammoniakconcentratie in Brabant is bij lange na niet op een dergelijk nivo dat de achteruitgang van de biodiversiteit zelfs maar tot een stilstand kan worden gebracht. In de Groote Peel, Mariapeel, de Strabrechtse Heide, Kampina en de Brabantse Wal, is er gemeten dat de ammoniakconcentraties gelijk zijn gebleven of zelfs zijn toegenomen sinds 2005. Dit vinden wij een zorgelijke ontwikkeling.

8. Bent u het met ons eens dat de metingen die door RIVM zijn verricht in de bovengenoemde natuurgebieden aantonen dat er geen verbetering zichtbaar is sinds 2005 met betrekking tot de ammoniakconcentraties? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Ja, op grond van de metingen van de jaargemiddelde ammoniakconcentraties in deze natuurgebieden lijkt er inderdaad weinig verbetering te zijn opgetreden sinds 2005. Het gemiddelde in Nederland toont hetzelfde beeld.


9. Hoe verklaart u het feit dat de ammoniakconcentraties in de RIVM gemeten natuurgebieden sinds 2005 niet zijn afgenomen? Bent u met ons van mening dat het door u gevolgde beleid voor ammoniak emissiereductie niet heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Met u hebben wij grote zorgen over het verloop van de door het RIVM gemeten ammoniakconcentraties. Na een aanvankelijke daling in de periode 2005-2008 blijken de concentraties vervolgens tot 2012 weer te zijn gestegen tot (bijna) het niveau van 2005 of, in het geval van de Brabantse Wal, boven dat niveau. Het RIVM-rapport gaat niet in op de mogelijke oorzaken van deze ontwikkeling. Een nadere duiding is noodzakelijk om te bepalen in hoeverre het gevoerde Rijk- en provinciaal beleid toereikend is (geweest) en of aanvullende acties nodig zijn.
Wij zullen daarom het RIVM op korte termijn actief benaderen voor een nadere duiding van de resultaten en onze zorgen hierover aan de orde stellen in een bestuurlijk overleg met de betrokken partijen in Brabant. Dit bestuurlijk overleg zal voor de zomer worden georganiseerd.


10. Daar er op dit moment blijkbaar nog geen constructieve reductie is van de ammoniakuitstoot op de Brabantse natuur, en er nog zoveel achterstallig onderhoud wat betreft onterecht vergunde stikstofrechten is: kunt u aan ons verduidelijken hoe u kunt spreken van ontwikkelruimte in de veehouderij?

Antwoord: Wij zijn van mening dat ammoniakreductie het beste kan worden bereikt door duurzame ontwikkeling van bedrijven conform de Brabantse Zorgvuldigheidsmonitor Veehouderij (BZV). Hiervoor is ontwikkelingsruimte nodig. Voorwaarde hierbij is wel dat de omvang van de veestapel regionaal niet toeneemt.


11. Bent u van mening dat er door de komst van de PAS daadwerkelijk meer stikstofrechten kunnen worden verleend omdat de natuur door de systematiek van de PAS minder wordt belast? Zo ja, waarop baseert u dat?

Antwoord: De PAS is gebaseerd op twee pijlers: het terugdringen van de stikstofbelasting en het uitvoeren van herstelmaatregelen in de Natura2000- gebieden. Deze beide pijlers geven de ecologische onderbouwing voor de ontwikkelingsruimte op basis waarvan o.a. veehouderijen zich kunnen ontwikkelen. Salderen is met inwerkingtreding van de PAS bij nieuwe aanvragen niet meer mogelijk.
In hoeverre door de PAS meer of minder ‘stikstofrechten’ kunnen worden verleend dan in de situatie met salderen is niet bekend.


12. Bent u met ons van mening dat de PAS enkel op papier zou kunnen zorgen voor meer ontwikkelruimte omdat er onder andere een drempelwaarde voor stikstofemissie komt, die een deel van de oprichtingen en uitbreidingen in de veehouderij (en daarmee verdere belasting van natuur) vergunningvrij maakt? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee, door de drempelwaarde komt er niet meer ontwikkelruimte. Voor de economische ontwikkelingen -waaronder de oprichtingen en uitbreidingen van veehouderijen- onder de drempelwaarde wordt op voorhand ontwikkelruimte ‘afgeboekt’ van de totale ontwikkelruimte. De economische ontwikkelingen onder de drempelwaarde worden vervolgens in AERIUS gemonitord.


13. De onherroepelijk vergunde uitbreidingen waaraan een, zo blijkt nu, onterecht positief salderingsbesluit ten grondslag heeft gelegen, zijn niet meer terug te draaien. Nu echter blijkt dat er, door een vergissing van uw college, hierdoor meer stikstofbelasting heeft plaatsgevonden dan was toegestaan: Vindt u het toch niet uw (Europese) plicht om de extra ontstane stikstofbelasting te compenseren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u er voor zorgen dat de stikstofgevoelige habitats niet nog extra worden belast door de onterecht verleende vergunningen?

Antwoord: Nee, zie het antwoord op de vragen 1, 3,4 en 5.


Sinds 22 maart 2013 is, na de vaststelling van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 het Gecorrigeerd Emissieplafond (GEP) losgelaten. Dat betekent dat vrijgekomen emissierechten na emissiearme maatregelen niet meer worden afgeroomd. Daardoor is een einde gekomen aan de hoogst noodzakelijke beperking van de ammoniakuitstoot en kan er weer meer worden uitgestoten.

14. Bent u met ons van mening dat het herintroduceren van het GEP noodzakelijk is voor het legaliseren van de beide in vraag 5 genoemde situaties? Zo ja, gaat u hier tot over? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Nee, de bedrijven die nog niet over een Nbwet-vergunning beschikken zullen een beroep doen op de PAS. Het introduceren van het GEP in de PAS is niet mogelijk.


Sinds 22 maart 2013 is, na de vaststelling van de Verordening Stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013, de reservering van emissierechten in de depositiebank voor interimmers (bedrijfsontwikkelingen sinds 7 december 2004 met een toename van ammoniakemissie) vervallen. Daardoor is een einde gekomen aan de hoogst noodzakelijke beperking van de ammoniakuitstoot en kan er weer meer worden uitgestoten.

15. Wat lag er aan deze beslissing ten grondslag? Betekent dit dat het legaliseren van deze situaties nu ook minder gestaag gaat dan voordat de nieuwe verordening werd vastgesteld? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Op 25 september 2012 hebben wij er voor gekozen prioriteit te geven aan nieuwe bedrijfsontwikkelingen boven administratieve handelingen die gericht zijn op het formaliseren van ontwikkelingen in het verleden (Commissienotitie EH-0176). Omdat duidelijk werd dat deze bedrijfsontwikkelingen integraal worden meegenomen in de PAS, kon de genoemde reservering voor interimmers beschikbaar worden gesteld voor nieuwe ontwikkelingen. Dit was ook conform de toen vigerende jurisprudentie van de Raad van State.In hoeverre het legaliseren van deze situaties nu meer of minder gestaag gaat is moeilijk in te schatten. In beide gevallen is sprake van een forse administratieve handeling.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

Voorzitter, Secretaris