Vragen over zeearenden en wind­tur­bines


Indiendatum: 7 feb. 2022

Op 31 januari 2022 verongelukte een in 2020 als nestjong gezenderde Zeearend uit Biddinghuizen door een aanvaring met een Nederlandse windturbine in Flevoland. In 2019, 2020 en 2021 zijn in Nederland vijftien jonge Zeearenden van GPS-zenders voorzien met als doel kennis over de dispersie en overleving van vogels uit de Nederlandse broedpopulatie te verkrijgen. Inmiddels zijn drie vogels gestorven; twee als gevolg van aanvaringen met windturbines en één als gevolg van een botsing met een trein. Dat betekent dat binnen enkele jaren na de geboorte twintig procent stierf, in alle gevallen toe te schrijven aan onnatuurlijke oorzaken. Behalve de bekende slachtoffers van Zeearenden door windturbines in de Flevopolder en een vogel die tegen een trein is gevlogen, zijn er nog andere Zeearenden vroegtijdig omgekomen waarbij de doodsoorzaak niet is vastgesteld. Zeearenden zijn grote vogels met een grote actieradius waardoor zij zich in veel gebieden in ons land en dus ook in Noord-Brabant begeven. Zo worden er bijvoorbeeld met regelmaat Zeearenden waargenomen in het Markiezaat. Dergelijke aanvaringen kunnen dus ook in Noord-Brabant gebeuren. Het is bekend dat Zeearenden vaak in gezelschap van Raven vliegen en dan ook de grote en drogere (bos)gebieden bezoeken om te eten van kadavers. Het specifieke gedrag van Zeearenden houdt in dat zij minder reageren op visuele prikkels van windturbines en dat zij dan ook op rotorhoogte vliegen en turbines niet vermijden.

Behalve Zeearenden lopen ook andere grote vogelsoorten het risico aanvaringsslachtoffer te worden van windturbines, zoals Oehoes, Raven en Wespendieven. Voor alle dergelijke soorten wordt de 1% norm meteen overschreden zodra er een individu vroegtijdig omkomt door menselijk handelen. Afhankelijk van het soortspecifieke gedrag zijn voor windturbines verschillende mitigerende maatregelen mogelijk zoals specifieke stilstandsvoorziening op basis van detectie met bv camera, radar of infrarood.

Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u bekend met het bericht over de Zeearenden?

2. Bent u het met ons eens dat een dergelijk hoog sterftepercentage door niet natuurlijke oorzaken veel hoger is dan de 1% norm en dat er dus aanvullende maatregelen nodig zijn om het aantal slachtoffers te verminderen? Zo nee, waarom niet?

Dankzij veel informatie zowel van gezenderde Zeearenden als van visuele waarnemingen is het mogelijk bepaalde hotspots aan te wijzen waar zeer vaak activiteit voorkomt.

3. Bent u met ons eens dat, gezien het specifieke gedrag van de Zeearenden, het plaatsen van windturbines binnen dergelijke hotspots niet toelaatbaar zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?

4. Indien nee bij de vorige vraag: Hoeveel Zeearenden mogen wat uw college betreft jaarlijks een aanvaring hebben met een windturbine?

5. Bent u bereid mee te werken aan maatregelen waardoor Zeearenden en andere grotere vogelsoorten dit risico niet lopen? Zo nee, waarom niet?

Wanneer desondanks toch wordt besloten om turbines toe te laten op dergelijke ongewenste locaties, dan is het absoluut noodzakelijk om strikte mitigerende maatregelen verplicht te stellen teneinde aanvaringsslachtoffers te voorkomen. Hierbij moet gebruik gemaakt worden van de best beschikbare technieken. Afhankelijk van de vogelsoort zijn specifieke maatregelen noodzakelijk, zoals stilstandsvoorziening met detectie.

6. Welke mogelijkheden heeft de provincie om deze maatregelen verplicht te stellen voor alle turbines die een risico kunnen vormen voor kwetsbare vogelsoorten zoals Zeearend, Raaf of Oehoe?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Indiendatum: 7 feb. 2022
Antwoorddatum: 7 mrt. 2022

Op 31 januari 2022 verongelukte een in 2020 als nestjong gezenderde Zeearend uit Biddinghuizen door een aanvaring met een Nederlandse windturbine in Flevoland. In 2019, 2020 en 2021 zijn in Nederland vijftien jonge Zeearenden van GPS-zenders voorzien met als doel kennis over de dispersie en overleving van vogels uit de Nederlandse broedpopulatie te verkrijgen. Inmiddels zijn drie vogels gestorven; twee als gevolg van aanvaringen met windturbines en één als gevolg van een botsing met een trein. Dat betekent dat binnen enkele jaren na de geboorte twintig procent stierf, in alle gevallen toe te schrijven aan onnatuurlijke oorzaken. Behalve de bekende slachtoffers van Zeearenden door windturbines in de Flevopolder en een vogel die tegen een trein is gevlogen, zijn er nog andere Zeearenden vroegtijdig omgekomen waarbij de doodsoorzaak niet is vastgesteld. Zeearenden zijn grote vogels met een grote actieradius waardoor zij zich in veel gebieden in ons land en dus ook in Noord-Brabant begeven. Zo worden er bijvoorbeeld met regelmaat Zeearenden waargenomen in het Markiezaat. Dergelijke aanvaringen kunnen dus ook in Noord-Brabant gebeuren. Het is bekend dat Zeearenden vaak in gezelschap van Raven vliegen en dan ook de grote en drogere (bos)gebieden bezoeken om te eten van kadavers. Het specifieke gedrag van Zeearenden houdt in dat zij minder reageren op visuele prikkels van windturbines en dat zij dan ook op rotorhoogte vliegen en turbines niet vermijden.

Behalve Zeearenden lopen ook andere grote vogelsoorten het risico aanvaringsslachtoffer te worden van windturbines, zoals Oehoes, Raven en Wespendieven. Voor alle dergelijke soorten wordt de 1% norm meteen overschreden zodra er een individu vroegtijdig omkomt door menselijk handelen. Afhankelijk van het soortspecifieke gedrag zijn voor windturbines verschillende mitigerende maatregelen mogelijk zoals specifieke stilstandsvoorziening op basis van detectie met bv camera, radar of infrarood.

Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Bent u bekend met het bericht over de Zeearenden?

Antwoord:
Ja.


2. Bent u het met ons eens dat een dergelijk hoog sterftepercentage door niet natuurlijke oorzaken veel hoger is dan de 1% norm en dat er dus aanvullende maatregelen nodig zijn om het aantal slachtoffers te verminderen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, deze conclusie vinden wij voorbarig. U verwijst naar een onderzoek waarin vijftien zeearenden in Nederland voorzien zijn van GPS-zenders en waarvan de afgelopen drie jaar 3 zeearenden zijn gestorven (één na een aanvaring met een trein in de Betuwe, één na een aanvaring met een windturbine in Duitsland en recent één na een aanvaring met een windturbine in Flevoland). Dit onderzoek loopt nog. Wij vinden het daarom voorbarig hier de conclusie aan te verbinden dat aanvullende maatregelen nodig zijn om het aantal slachtoffers te verminderen. Overigens heeft geen van de genoemde aanvaringen plaatsgevonden in Noord-Brabant.
Op grond van de Wet natuurbescherming zijn initiatiefnemers van windturbines verantwoordelijk voor het in het beeld brengen van de ecologische effecten van de aanleg en exploitatie van een windturbine(park) en het aanvragen van een ontheffing. Hierbij wordt de door u genoemde 1%-norm toegepast (ook wel het ORNIS-criterium genoemd). Dit houdt in dat als het effect van een activiteit, zoals de aanleg en exploitatie van een windturbine(park), leidt tot minder dan 1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte van een beschermde (vogel)soort er geen aantoonbaar effect is op de populatieomvang van deze vogelsoort soort en er daardoor ook geen aantasting is van de gunstige staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Is het effect van een activiteit groter dan 1% dan is aantasting van de staat van instandhouding niet zonder meer uitgesloten. De initiatiefnemer moet dan op een andere manier onderbouwen dat de activiteit de staat van instandhouding niet aantast. Dit kan door het nemen van bewezen effectieve mitigerende maatregelen (een stilstandvoorziening) waarmee aanvaringsslachtoffers worden voorkomen.


Dankzij veel informatie zowel van gezenderde Zeearenden als van visuele waarnemingen is het mogelijk bepaalde hotspots aan te wijzen waar zeer vaak activiteit voorkomt.

3. Bent u met ons eens dat, gezien het specifieke gedrag van de Zeearenden, het plaatsen van windturbines binnen dergelijke hotspots niet toelaatbaar zou moeten zijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Het is voorbarig om op basis van de tussenresultaten van het nog lopende onderzoek de conclusie te trekken dat er hotspots zijn aan te wijzen. Ook indien en nadat zou blijken dat er hotspots zijn aan te wijzen, hoeft dit niet automatisch tot gevolg te hebben dat windturbines niet toelaatbaar zijn. Vanuit de Wet natuurbescherming is relevant of bij de aanleg en exploitatie van windturbines sprake is van aantasting van de staat van instandhouding van de betreffende beschermde (vogel)soort. Aantasting kan ook voorkomen worden door het treffen van mitigerende maatregelen.


4. Indien nee bij de vorige vraag: Hoeveel Zeearenden mogen wat uw college betreft jaarlijks een aanvaring hebben met een windturbine?

Antwoord:
Wij vinden elke aanvaring van een zeearend met een windturbine onwenselijk. Dit betekent echter niet dat aanvaringen volledig zijn te voorkomen of tegen elke prijs voorkomen moeten worden. De staat van instandhouding van de zeearend in Nederland als broedvogel en als niet-broedvogel is gunstig. Uitgangspunt in de Wet natuurbescherming is dat de staat van instandhouding niet verslechtert. Zie ook ons antwoord op vraag 2.


5. Bent u bereid mee te werken aan maatregelen waardoor Zeearenden en andere grotere vogelsoorten dit risico niet lopen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. Echter, het nemen van maatregelen om te voorkomen dat beschermde (vogel)soorten in aanvaring komen met windturbines is de verantwoordelijkheid van initiatiefnemers.
Wel dragen wij bij aan het onderzoek naar de effecten van het zwart verven van een wiek van een windturbine in de Eemshaven. Als de wieken van een windturbine snel draaien, zien (roof)vogels de drie afzonderlijke wieken als één wazige schijf en denken ze dat het een veilig gebied is om doorheen te vliegen. Door één wiek zwart te verven wordt het patroon doorbroken en vloeit het beeld van de drie wieken minder snel samen. In een Noors onderzoek is aangetoond dat dit leidt tot een forse reductie (70%) van het aantal aanvaringsslachtsoffers.
Er wordt nu onderzocht of dit ook voor de situatie in Nederland geldt. Als de zwarte wiek ook in Nederland werkt, is dit een aantrekkelijke optie omdat, anders dan bij een stilstandvoorziening, dan niet alleen aanvaringsslachtoffers voorkomen kunnen worden, maar dat dit voorkomen kan worden tegen eenmalige kosten en zonder rendementsverlies. Het onderzoek loopt tot 2024 en is een initiatief van de provincie Groningen en energieleverancier RWE in samenwerking met het rijk (ministerie van Economische Zaken en Klimaat), de provincies Flevoland, Gelderland, Overijssel, Limburg, Zuid-Holland en Noord-Brabant, de Vogelbescherming en een aantal private partijen in de windsector (Eneco, Vattenfall, Pure Energie, Statkraft en Groningen.nl Energy).


Wanneer desondanks toch wordt besloten om turbines toe te laten op dergelijke ongewenste locaties, dan is het absoluut noodzakelijk om strikte mitigerende maatregelen verplicht te stellen teneinde aanvaringsslachtoffers te voorkomen. Hierbij moet gebruik gemaakt worden van de best beschikbare technieken. Afhankelijk van de vogelsoort zijn specifieke maatregelen noodzakelijk, zoals stilstandsvoorziening met detectie.

6. Welke mogelijkheden heeft de provincie om deze maatregelen verplicht te stellen voor alle turbines die een risico kunnen vormen voor kwetsbare vogelsoorten zoals Zeearend, Raaf of Oehoe?

Antwoord:
Om de grote klimaat- en biodiversiteitsopgave beter met elkaar te verbinden en zo de toekomstige groei in windenergie te realiseren en tegelijkertijd een impuls te geven aan de bescherming van soorten die kwetsbaar zijn werken het rijk, de 12 provincies, de energiesector (de Nederlandse WindEnergie Associatie, TenneT) en natuurbeschermingsorganisaties (Vogelbescherming, Zoogdiervereniging en Natuur- en Milieufederaties) samen in het landelijk traject Natuurinclusieve Energietransitie voor wind en hoogspanning op land. In het kader van dat traject zijn landelijke bouwstenen ontwikkeld met afspraken over onder andere mitigerende maatregelen en onderzoek en monitoring.
Deze afspraken zijn, ter uitvoering van de door uw Staten aangenomen Motie Faunabeschermende maatregelen bij windturbines, ook als instructieregel voor omgevingsplannen opgenomen in het Statenvoorstel 67/21 Omgevingsverordening Noord-Brabant waarover uw Staten op 11 maart a.s. besluiten. Hiermee is geborgd dat wordt voldaan aan het treffen van mitigerende maatregelen om faunaslachtoffers te voorkomen en de daaraan gekoppelde onderzoek- en monitoringplicht, zoals landelijk is afgesproken. Deze zelfde instructieregel is opgenomen in het voorstel tot wijziging van de huidige Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant dat, vanwege het uitstel van inwerkingtreding van de Omgevingswet, aan het Statenvoorstel Omgevingsverordening Noord-Brabant is toegevoegd via een Nota van Wijziging.