Opinie: “Alleen nog een naam­bordje op de stal en u mag uitbreiden”


18 december 2015

Over de onzin van de ‘Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij’

De Brabantse Zorgvuldigheidscore Veehouderij (BZV) is een instrument waarmee Brabant over vier jaar een zorgvuldige veehouderij zou moeten hebben. Hoe dit gerealiseerd wordt? Door bedrijven te laten uitbreiden met zelf gekozen verbeteringen, zoals het plaatsen van een naambordje op de stal.

De Brabantse vee-industrie is door de BZV over vier jaar niet duurzaam. Het scoresysteem is een middel tot greenwashing van de vee-industrie. De schijn wordt gewekt dat het beter is voor de dieren, de natuur, het milieu en de omwonenden. Terwijl het scoresysteem in praktijk de dieronvriendelijke, ongezonde en natuurbelastende industrie verder laat uitdijen.

Voor elke veehouderij is een BZV-score te berekenen. Als aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan wordt sowieso een 6 gescoord. Met aanpassingen kunnen extra punten verdiend worden op thema’s als gezondheid, dierenwelzijn, geur, fijnstof, energie en verbinding met de omgeving. Op het laatste thema kan een veehouder bijvoorbeeld ook punten scoren door, naast het eerder genoemde naambordje, mensen op afspraak de stal te laten bekijken.

Makkelijk scoren
Als er minstens een 7 wordt gescoord mag de veehouderij als beloning uitgebreid worden met nog meer dieren. Er zijn veel mogelijkheden om punten te scoren en die stellen lang niet altijd wat voor. Aangezien veehouders zelf mogen kiezen hoe ze punten verdienen, is het een kwestie van zo gemakkelijk mogelijk punten scoren om de uitbreiding binnen te slepen. Varkenshouders halen 80% van de punten met luchtwassers, niet echt duurzaam.

Op het thema gezondheid kan er onder meer gescoord worden wanneer de afstand tot een ander veebedrijf minimaal 100 meter is. Dat is een steenworp afstand tussen bedrijven waarin tienduizenden dieren staan, waarbij de kans op nieuwe uitbraken van infectieziekten ‘onzorgvuldig’ groot blijft. De GGD bepleitte daarom ook landelijk voor een minimale afstand van 1 kilometer. Waarom de GGD dan toch instemt met 100 meter is voor mij een raadsel.

Binnen het thema energie kunnen veehouders punten scoren door energie op te wekken met mestvergisters. Mestvergisters zijn zwaar gesubsidieerde stankfabrieken die als paddenstoelen uit de grond schieten om zogenaamd iets nuttigs te doen met de enorme mesthoop in Brabant. Zowel economisch als ecologisch zijn mestvergisters niet duurzaam, maar veehouders krijgen er wel punten voor om mee uit te breiden. Met nog meer mestproductie tot gevolg.

Niet onbelangrijk is de vraag: wat schieten de miljoenen dieren in Brabant er mee op? Komen de kippen nu buiten? Wroeten de varkens in de modder? Worden de ijzeren stangen waar zeugen tussen worden geklemd uitgebannen? Nee, voor de dieren wordt bitter weinig gedaan. Zij werden niet vertegenwoordigd bij het opstellen van de BZV-richtlijnen.

Er moeten weliswaar verbeteringen op het gebied van dierenwelzijn doorgevoerd worden om te mogen uitbreiden, maar die verbeteringen zijn minimaal en gelden ook niet voor alle dieren op één bedrijf. Een veehouder kan uitbreiden met nieuwe stallen zonder dat de dieren in de oude stallen er ook maar een centimeter op vooruitgaan. Ondertussen groeit de Brabantse veestapel vrolijk door.

Het meest stuitend is misschien nog wel dat de omrekenfactoren waarmee de BZV-score uiteindelijk wordt berekend, bewust zo zijn bepaald dat de helft van alle bedrijven nu al een 7 scoort. Oftewel, de helft van alle veehouders mag nu al uitbreiden met nog meer dieren. Elke tweede veehouder krijgt van de provincie een schot voor open doel om gratis te kunnen scoren.

Brabant betaalt een dure prijs voor goedkoop vlees
Met de BZV gaan we door op de ingeslagen, doodlopende weg van verdere intensivering van de vee-industrie. De kern van het probleem, de uit de kluiten gewassen Brabantse veestapel, wordt hiermee volledig genegeerd. Alsof we ons als burgers erbij neer moeten leggen dat we het meest veedichte gebied van Europa zijn en blijven, met meer dan 30 miljoen koeien, varkens en kippen op 2,5 miljoen mensen.

We blijven deze weg betalen met enorme maatschappelijke kosten in de vorm van gezondheidsklachten en -risico’s, natuurverwoesting, subsidies en andere kosten die op de maatschappij worden afgewenteld en waar de overheden een zorgplicht voor hebben. Dus terwijl we dweilen met belastinggeld, mag de vee-industrie de dierenkraan nog verder opendraaien. In Brabant noemen we dat blijkbaar ‘zorgvuldig’.

De provincie zou de immens grote aantallen vee in Brabant moeten aanpakken: geen uitbreidingen maar een groeistop en uiteindelijk een krimp van de veestapel. De vee-industrie wentelt haar verantwoordelijkheid graag af op de consument, die nou eenmaal goedkoop vlees wil. Maar terwijl het overgrote deel van het goedkope vlees naar het buitenland verdwijnt, zit Brabant letterlijk in de stof en de stank.

Alleen door een visie neer te leggen waarbij we de kern van het probleem aanpakken kunnen we de problemen structureel oplossen. Dat betekent sturen op minder dieren en meer dierenwelzijn.


Marco van der Wel is fractievoorzitter van de Partij voor de Dieren in Noord-Brabant