Tech­nische vragen over de ontwik­ke­lingen op het gebied van mest­ver­werking


Indiendatum: jan. 2016

Technische vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de ontwikkelingen op het gebied van mestverwerking.


Geacht college,

Naar aanleiding van uw Statenmededeling ‘Mestbewerking in Noord-Brabant’ van 27 november jl. is bij onze fractie een aantal vragen gerezen.

In de bijlage bij Statenmededeling ‘Mestbewerking in Noord-Brabant’, ‘overzicht mestverwerkingscapaciteit’, geeft u aan dat de capaciteit van aanvragen tot uitbreiding op bestaande bedrijven en nieuwe initiatieven (beide al in procedure) kan leiden tot een verdubbeling van de huidige vergunde capaciteit, indien deze initiatieven vergund worden. Ook geeft u aan dat het aannemelijk is dat er binnen de provincie Noord-Brabant voldoende capaciteit voor mestverwerking is vergund om te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.

In de Statenmededeling geeft u ook aan “met alle relevante partners” in de regio’s met een hoge veedichtheid, een aanpak uit te werken om in deze regio’s “waar nodig” te borgen dat de veestapel niet verder toeneemt.


1. Hoeveel mestverwerkingsinitiatieven (zowel operationeel als nog niet gerealiseerd) zijn er op dit moment bij u bekend?

2. Wat zijn de locaties en geplande omvang van te verwerken mest van deze gerealiseerde en geplande initiatieven?

3. Aangezien er waarschijnlijk aan de wettelijke verplichting wordt voldaan, zullen nu alle nieuwe initiatieven (met uitzondering van de vergevorderde plannen, zie vraag 5) niet vergund worden, in overeenstemming met artikel 4.7 van de Verordening ruimte 2014 (Vr2014)?

4. Komen initiatieven waarvan een aanvraag wordt afgewezen op basis van artikel 4.7 van de Vr2014 later alsnog in aanmerking om vergund te worden? Zo ja, hoe verloopt dit proces?

5. U geeft aan dat u concrete initiatieven, die nu al in een “vergevorderd stadium van planvorming” zijn, vanuit rechtszekerheid en behoorlijk bestuur wilt afhandelen. Wanneer is er volgens u sprake van een ‘vergevorderd stadium van planvorming’?

6. Hebt u, in het belang van rechtszekerheid, bepaalt wanneer een plan concreet en objectief in een ‘vergevorderd stadium van planvorming’ verkeert? Welke objectieve maatstaven hanteert u hiervoor?

7. Wie behoren tot de relevante partners waarmee u een aanpak uit gaat werken om in de genoemde regio’s “waar nodig” te borgen dat de veestapel niet verder toeneemt?

8. Wat zijn de criteria waarmee wordt bepaald waar een stop op de groei van de veestapel nodig is (“waar nodig”)?

9. Welke middelen heeft u theoretisch/bestuursrechtelijk en los van instemming van de partners tot uw beschikking om de groei van de veestapel in bepaalde gebieden te stoppen?

10. Indien dierrechten worden afgeschaft, betekent dat een groei van het aantal dieren in Brabant?

11. Indien “de noodzaak aanwezig is vanwege de wettelijke plicht tot mestverwerking van het mestoverschot in Noord-Brabant” (Vr2014, art. 4.7, lid 2.a), moet u dan een WABO-vergunning verlenen wanneer een gemeente een verklaring van geen bedenkingen verleent?

12. Indien niet aan artikel 4.7, lid 2.a wordt voldaan, kan dan alsnog sprake zijn van een initiatief met een ‘vergevorderd stadium van planvorming’, doordat er al een gemeentelijk proces is doorlopen (met de verklaring van geen bedenkingen als uitkomst)?

13. Kan een uitzondering voor “concrete initiatieven, die nu al in een vergevorderd stadium van planvorming zijn” zorgen voor een wildgroei aan mestverwerkingsinitiatieven?

14. Als n.a.v. de MER de conclusie getrokken moet worden dat MACE niet op de geplande locatie in Landhorst terecht kan en het bestuur van MACE een andere locatie uitkiest, is er dan sprake van een nieuw initiatief? Zo ja, wat betekent dat voor de mogelijkheid om MACE te realiseren (in het kader van artikel 4.5 van de Vr2014)? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie.

Met vriendelijke groet,

ir. Marco van der Wel
Partij voor de Dieren

Indiendatum: jan. 2016
Antwoorddatum: 15 jan. 2016

1. Hoeveel mestverwerkingsinitiatieven (zowel operationeel als nog niet gerealiseerd) zijn er op dit moment bij u bekend?

Antwoord:
Bij ons zijn 43 initiatieven (excl. pluimvee) bekend die reeds vergund zijn. Hiervan zijn er 10 nog niet gerealiseerd. Daarnaast zijn bij ons 24 initiatieven bekend die lopen, maar nog niet zijn vergund; in het merendeel van de gevallen gaat het daarbij om uitbreiding (van capaciteit) van bestaande mestbewerkende bedrijven. In 10 gevallen betreft het nieuwe mestbewerkingsinitiatieven. Wij sluiten overigens niet uit dat er meer initiatieven zijn. Wij hebben de niet vergunde initiatieven nog niet beoordeeld en/of getoetst aan de uitgangspunten die wij hanteren voor ‘concrete initiatieven’ zoals genoemd in de statenmededeling.


2. Wat zijn de locaties en geplande omvang van te verwerken mest van deze gerealiseerde en geplande initiatieven?

Antwoord:
Zoals wij onder vraag 1 hebben aangegeven zijn de nog niet vergunde initiatieven nog niet door ons beoordeeld. Wij kunnen u daarom geen informatie over die initiatieven verschaffen.

Voor de vergunde initiatieven verwijzen wij naar bijgaand overzicht.


3. Aangezien er waarschijnlijk aan de wettelijke verplichting wordt voldaan, zullen nu alle nieuwe initiatieven (met uitzondering van de vergevorderde plannen, zie vraag 5) niet vergund worden, in overeenstemming met artikel 4.7 van de Verordening ruimte 2014 (Vr2014)?

Antwoord:
Zolang er voldoende capaciteit is vergund om te voldoen aan de wettelijke plicht tot verwerking van het Brabantse mestoverschot worden er geen nieuwe ruimtelijke initiatieven vergund, de concrete initiatieven uitgezonderd. Wij benadrukken wederom dat initiatieven die voor uitbreiding alleen een omgevingsvergunning milieu nodig hebben, niet door de kaders uit de Vr2014 geraakt worden. Die vergunningen moeten, indien zij voldoen aan de wet- en regelgeving, verleend worden.


4. Komen initiatieven waarvan een aanvraag wordt afgewezen op basis van artikel 4.7 van de Vr2014 later alsnog in aanmerking om vergund te worden? Zo ja, hoe verloopt dit proces?

Antwoord
Dat is afhankelijk van twee aspecten, namelijk:
- Of er voldoende mestverwerkingscapaciteit in Brabant aanwezig is. Zo, nee dan is het mogelijk dat een eerder afgewezen initiatief alsnog vergund kan worden. Indien er weer ruimte ontstaat om nieuwe initiatieven in behandeling te nemen, maken wij dit bekend.
- Als een afgewezen initiatief aan nieuw beleid voldoet, kan de aanvraag opnieuw ingediend worden.


5. U geeft aan dat u concrete initiatieven, die nu al in een “vergevorderd stadium van planvorming” zijn, vanuit rechtszekerheid en behoorlijk bestuur wilt afhandelen. Wanneer is er volgens u sprake van een ‘vergevorderd stadium van planvorming’?

Antwoord:
Zoals wij ook in de statenmedeling hebben aangegeven zijn hiervoor concrete voorwaarden opgenomen in Provinciaal Blad nummer 143/15, waarnaar wij u verwijzen.


6. Hebt u, in het belang van rechtszekerheid, bepaalt wanneer een plan concreet en objectief in een ‘vergevorderd stadium van planvorming’ verkeert? Welke objectieve maatstaven hanteert u hiervoor?

Antwoord:
Zie antwoord vraag 5.


7. Wie behoren tot de relevante partners waarmee u een aanpak uit gaat werken om in de genoemde regio’s “waar nodig” te borgen dat de veestapel niet verder toeneemt?

Antwoord:
De relevante partners kunnen per regio verschillen en worden in samenspraak met de regio bepaald. Partijen waar wij in elk geval aan denken zijn boeren, milieuorganisaties, burgercomités, gezondheidsinstanties, gemeenten, waterschappen en kennisinstellingen. Wij wijzen tevens op het memo van gedeputeerde Spierings dat u hierover hebt ontvangen.


8. Wat zijn de criteria waarmee wordt bepaald waar een stop op de groei van de veestapel nodig is (“waar nodig”)?

Antwoord:
Wij werken in de regio samen met relevante partners een aanpak uit. De criteria om te bepalen waar borging van de omvang van de veestapel nodig is, zijn daarmee een uitkomst van de dialoog met de regio. De maatregelen en afspraken om de omvang van de veestapel te borgen kunnen dan ook per (deel)regio verschillen.


9. Welke middelen heeft u theoretisch/bestuursrechtelijk en los van instemming van de partners tot uw beschikking om de groei van de veestapel in bepaalde gebieden te stoppen?

Antwoord:
Het rapport Regionaal hand aan de kraan (dat in 2014 ook is toegestuurd aan PS) gaat hier uitgebreid op in. In hoofdstuk 4 noemt dit rapport emissie- en depositiebeleid (stikstof), ruimtelijke ordening, provinciaal dierrechtensysteem, mestbeleid, geurbeleid. stimulering multifunctionele landbouw en handhaving. Het rapport gaat in op de mogelijkheden en beperkingen van deze opties. Het rapport is nog steeds actueel met uitzondering van het onderdeel stikstof, waar de situatie met de komst van de PAS gewijzigd is.


10. Indien dierrechten worden afgeschaft, betekent dat een groei van het aantal dieren in Brabant?

Antwoord:
Naast dierrechten bepalen andere factoren de omvang van de Brabantse veestapel, zoals de markt, de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden, beleid ten aanzien van geur, stikstof, fijn stof, etc. Ook in de huidige situatie is groei niet uitgesloten. Het is moeilijk te voorspellen in welke mate dit verandert bij het afschaffen van dierrechten.


Op 21 december 2015 stelden wij u vragen over de Raad van State-uitspraak over een MER voor MACE. Wij vroegen u daarbij naar de mogelijkheid van gemeenten om met een verklaring van geen bedenkingen hun bestemmingsplannen te omzeilen. Wij hebben hierop aanvullende vragen, die horen in het kader van deze set vragen over het Brabantse mestbeleid.

In de memo van gedeputeerde Spierings met onderwerp ‘technische informatie Mineralen Afzet Coöperatie Elsendorp (MACE)’ geeft u het volgende aan: “Onderdeel van de WABO vergunning is een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) van de gemeente voor het afwijken van het bestemmingsplan. Zonder Vvgb van de gemeente moet de WABO vergunning geweigerd worden.”

11. Indien “de noodzaak aanwezig is vanwege de wettelijke plicht tot mestverwerking van het mestoverschot in Noord-Brabant” (Vr2014, art. 4.7, lid 2.a), moet u dan een WABO-vergunning verlenen wanneer een gemeente een verklaring van geen bedenkingen verleent?

Antwoord:
De vraag lijkt er van uit te gaan dat de gemeente zelfstandig een verklaring van geen bedenkingen verleent. Dat is niet het geval. Indien bij ons een aanvraag ligt voor een omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan, beoordelen wij eerst zelfstandig of de mogelijkheid bestaat om deze vergunning, gelet op vigerende wet- en regelgeving waaronder de voorwaarden in de Vr2014, te verlenen. Indien een initiatief past binnen de voorwaarden en er een voornemen bestaat om medewerking te verlenen, verzoeken wij de raad van de gemeente om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Als de raad geen verklaring van geen bedenkingen afgeeft , moeten wij de omgevingsvergunning weigeren.
Indien wij het voornemen hebben om het initiatief te weigeren, wordt geen verklaring van geen bedenkingen aan de raad gevraagd.


12. Indien niet aan artikel 4.7, lid 2.a wordt voldaan, kan dan alsnog sprake zijn van een initiatief met een ‘vergevorderd stadium van planvorming’, doordat er al een gemeentelijk proces is doorlopen (met de verklaring van geen bedenkingen als uitkomst)?

Antwoord:
Ja, mits er is voldaan aan de voorwaarden zoals verwoord in voornoemd provinciaal blad, bijvoorbeeld als er voor 25 november 2015 een formele publicatie heeft plaatsgehad dat er een wijziging van het bestemmingsplan is aangevraagd voor een bepaald initiatief. Hierbij ligt er geen relatie tot de door u genoemde verklaring van geen bedenkingen.


13. Kan een uitzondering voor “concrete initiatieven, die nu al in een vergevorderd stadium van planvorming zijn” zorgen voor een wildgroei aan mestverwerkingsinitiatieven?

Antwoord:
Nee, zoals wij al eerder hebben aangegeven betreft het gros van de bij ons bekend zijnde initiatieven uitbreidingen op bestaande mestbewerkingslocaties.


14. Als n.a.v. de MER de conclusie getrokken moet worden dat MACE niet op de geplande locatie in Landhorst terecht kan en het bestuur van MACE een andere locatie uitkiest, is er dan sprake van een nieuw initiatief? Zo ja, wat betekent dat voor de mogelijkheid om MACE te realiseren (in het kader van artikel 4.5 van de Vr2014)? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zoals bekend heeft de voorlopige voorzieningen rechter bepaald dat er –vooralsnog- geen MER voor MACE hoeft te worden opgesteld.

Vanuit de voorwaarden die in het Provinciaal Blad zijn gepubliceerd betekent een nieuwe locatie voor MACE dat dit, voor zover bij ons bekend, een nieuw initiatief betreft. Indien zo’n initiatief zich aandient, bezien wij op grond van de voorwaarden en bevoegdheden die in de Verordening ruimte staan of daaraan wel/geen medewerking verleend kan worden.