Vragen over uitspraken van gede­pu­teerde Spierings in het programma Buitenhof


Indiendatum: apr. 2017

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende uitspraken van gedeputeerde Spierings in het programma Buitenhof.


Geacht college,

Afgelopen zondag was gedeputeerde Spierings te gast in het Tv-programma Buitenhof. Onder leiding van Paul Witteman werd, samen met opgestapt wethouder Veldhuizen en wethouder d'Haens van Bladel, gesproken over de effecten op de omgeving van intensivering van de veehouderij in Brabant.

Joan Veldhuizen is opgestapt omdat zij, als wethouder verantwoordelijk voor de volksgezondheid, de ingeslagen richting van B&W, om heel grote vee-fabrieken toe te staan nog groter te worden, niet kan verantwoorden.

Wethouder d’Haens schetste een paradox van de maatschappelijke roep naar duurzame veehouderij en de intensivering van de veehouderij die noodzakelijk zou zijn om verduurzaming te kunnen bekostigen. Om verduurzamende maatregelen te financieren, zouden veehouders meer dieren moeten gaan houden. Temeer omdat de markt voor meer duurzame producten, die duurder zijn dan de gangbare (bulk)producten, heel beperkt is.

Gedeputeerde Spierings reageerde hier als volgt op:
Dat dogma, en zo noem ik het heel bewust, van ‘je kunt alleen maar beter presteren op het gebied van milieu en gezondheid door te groeien’, dat is niet waar.
(…)
Het dogma zit in de sector, maar het is niet waar dat het zo moet. Ook gewoon op een bestaand bedrijf kun je maatregelen toepassen zodat het veel schoner wordt en betere productie zonder meer dieren te gaan houden.
(…)
Ik zie boeren in Brabant die echt heel vergaande maatregelen nemen, heel slimme, nieuwe maatregelen, op een bestaand bedrijf zonder er meer dieren bij te gaan houden. De stank neemt af, het wordt veel gezonder voor de dieren en voor de boer zelf in de stal, voor de omgeving en ze verdienen ook nog een goede boterham. Dat zijn echt topspelers.

Als voorbeeld van een instrument om grenzen te stellen aan de hoeveelheid dieren in een gemeente noemde gedeputeerde Spierings het systeem van staldering.

Wij hebben hierover de volgende vragen.

1. Kunt u voorbeelden noemen van de echte topspelers die maatregelen nemen t.b.v. gezondheid en minder stank, zonder meer dieren te nemen?

2. Welke slimme, vergaande maatregelen, waarvoor niet meer dieren gehouden hoeven te worden, betreft het? Worden die volledig door de veehouders bekostigd? Wat zijn de kosten daarvan?

3. Kunt u aangeven wat u heeft gedaan om de retail te laten bijdragen aan de transitie naar een duurzamere veehouderij?

4. Kunt u aangeven welke stappen er vanuit de retail zijn ondernomen om de transitie naar een duurzamere veehouderij mogelijk te maken?

5. Acht u het voor elke veehouder mogelijk om rendabel duurzamer te produceren zonder meer dieren te gaan houden? Zo ja, waarom faciliteert u dan schaalvergroting van de veehouderij? Zo nee, waarom niet, en hoe strookt dit met de uitspraken van gedeputeerde Spierings?

6. Acht u het in het licht van een gelijk speelveld eerlijk om bepaalde gemeentes het instrument van staldering te onthouden? Zo ja, waarom?

Afsluitend stelde gedeputeerde Spierings over de toekomst van de veehouderij in Brabant:
Ik hoop dat we over tien of twintig jaar de kringlopen gesloten hebben en dan krijgen we vanzelf wat minder vee in Brabant. Want als we de kringlopen sluiten en het voer komt van dichtbij en de mest kan dichtblij blijven, dan moeten we gewoon in de hoeveelheid vee een beetje omlaag.

In het Wageningen Livestock Research-rapport ‘Verkenning regionale kringlopen’ wordt over de effecten van het sluiten van de kringlopen op Noordwest-Europese schaal geconcludeerd:
De veestapel in Noordwest-Europa zal krimpen, maar hoogstwaarschijnlijk niet (of veel minder) in Noord-Brabant.”;
De gevolgen van deze veranderingen in productstromen zijn voor de provincie Noord-Brabant naar verwachting beperkt. Er verandert weinig in concentratie van de veehouderij en in de totale dieraantallen.”, en;
Het sluiten van kringlopen op de schaal van Noordwest-Europa (…) is geen geschikt instrument om direct te sturen op dieraantallen en de concentratie van dieren in Noord-Brabant.

7. Bent u bekend met bovenstaande conclusies over het effect van het sluiten van de kringlopen op de omvang van de Brabantse veestapel?

8. Klopt de constatering van de auteurs van het rapport dat een effectieve daling van de Brabantse veestapel niet kan worden bewerkstelligt middels het sluiten van de kringlopen op Noordwest-Europese schaal?

9. Als gedeputeerde Spierings spreekt over “wat minder vee” en “in de hoeveelheid vee een beetje omlaag”, om welke aantallen of percentages gaat het dan? Waarop berust deze overweging?

10. Bent u met ons eens dat er naast staldering en het sluiten van de kringlopen aanvullende maatregelen nodig zijn die direct aansturen op afname van de Brabantse veestapel?


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel
Partij voor de Dieren

Indiendatum: apr. 2017
Antwoorddatum: 16 mei 2017

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Kunt u voorbeelden noemen van de echte topspelers die maatregelen nemen t.b.v. gezondheid en minder stank, zonder meer dieren te nemen?

Antwoord:
Ja, voorbeelden van voorlopers zijn de keten Duurzaam Varkensvlees (KDV) die zich met name richt op gezondheid (antibiotica), dierwelzijn, mineralenefficiency en energie en Smits Pluimvee & Eieren (legkippen) die zich met name richt op ketenverkorting en het sluiten van kringlopen.


2. Welke slimme, vergaande maatregelen, waarvoor niet meer dieren gehouden hoeven te worden, betreft het? Worden die volledig door de veehouders bekostigd? Wat zijn de kosten daarvan?

Antwoord:
De Keten Duurzaam Varkensvlees (KDV) is een 100% Nederlandse keten waarbij meer dan 300 veehouders zijn aangesloten. Het betreft veelal familiebedrijven. Alle veehouders werken volgens strenge eisen voor milieu en dierenwelzijn van KDV. Het betreft een mix van normen en fysieke maatregelen. Via certificering door een onafhankelijke instantie wordt gecontroleerd of de deelnemers daadwerkelijk aan de eisen voldoen. KDV zoekt steeds naar nieuwe manieren om verder te verduurzamen. Deze nieuwe manieren worden bij vijf bedrijven in de praktijk getoetst en bij succes verder uitgerold.

Op één van de proefbedrijven van KDV wordt een innovatief systeem getest. Deze nieuwe stal heeft een water- en mestkanaal, ligvloer en de keldervloer worden gekoeld, de mest wordt verdund en wordt dagelijks uit de stal afgevoerd (dagontmesting). Hierdoor wordt de ammoniakemissie bij de bron verminderd, de verwachting is dat ook de emissie van geur en fijnstof afneemt. Nadat de dagverse mest uit de stal komt, wordt deze vergist.

De kosten worden voornamelijk door KDV zelf gedragen. In de testfase van nieuwe maatregelen wordt wel eens gebruik gemaakt van subsidie (meten, monitoren en evalueren, kinderziektes, enz.). De omvang van de kosten is ons niet bekend. Voor meer informatie verwijzen wij u naar de site van KDV. In januari 2017 heeft KDV de Agrofoodpluim ontvangen.

Smits Pluimvee & Eieren heeft het hele proces van eendagskuiken tot ei in de winkel in eigen beheer. Het bedrijf zoekt niet alleen naar kostenreductie maar vooral naar opbrengstmaximalisatie door bijvoorbeeld ketenverkorting. Het bedrijf heeft haar eigen mestverwaardingsinstallatie ontwikkeld, waarmee het gegarandeerd ziektekiemvrije mestkorrels kan produceren. Hiervoor heeft het bedrijf in 2016 de Agrofoodpluim ontvangen. De omvang van de kosten en of deze volledig door de veehouder worden gedragen is ons niet bekend.


3. Kunt u aangeven wat u heeft gedaan om de retail te laten bijdragen aan de transitie naar een duurzamere veehouderij?

Antwoord:
Wij zijn continu in gesprek met de retail over hun mogelijkheden om bij te dragen aan de transitie. Dit gesprek voeren wij al sinds het Verbond van Den Bosch. Een aantal meer recente voorbeelden is:
• Het Foodlog Debat van 8 oktober 2015 tussen boeren, detailhandel, NGO’s, overheden en andere stakeholders,
• Het internationale seminar over lokale waardeketens van 11 februari 2016,
• Het project lokale waardeketens uit de Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood 2016-2020, waarbij de provincie vier lokale supermarktondernemers ondersteunt die de ambitie hebben om de verbinding te maken met lokale en regionale producenten,
• Het betrekken van de retail bij de doorontwikkeling van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.


4. Kunt u aangeven welke stappen er vanuit de retail zijn ondernomen om de transitie naar een duurzamere veehouderij mogelijk te maken?

Antwoord:
Steeds meer supermarkten werken samen met duurzaam producerende veehouders. Zo is Volwaard-kip te koop bij onder andere Albert Heijn XL, Nettorama en Makro. Rondeel-eieren en Hoevenaer varkensvlees (van de Heyde Hoeve) bij Albert Heijn en Sligro (Ookworst, een samenwerking tussen Vitam, Heyde Hoeve en Dutch Quinoa Group). Vlees van KDV bij onder andere Sligro, COOP, MCD, Boon’s markt en Poiesz supermarkten.
Jumbo heeft de Nieuwe Standaard Kip ontwikkeld en Albert Heijn de Nieuwe Kip, beide zijn duurzamer op onder andere het gebied van milieu en dierenwelzijn. Het assortiment aan duurzamer geproduceerde (vlees)producten neemt bij vrijwel alle supermarktketens toe en steeds meer franchisenemers nemen duurzame producten van lokale producenten op in hun assortiment.


5. Acht u het voor elke veehouder mogelijk om rendabel duurzamer te produceren zonder meer dieren te gaan houden? Zo ja, waarom faciliteert u dan schaalvergroting van de veehouderij? Zo nee, waarom niet, en hoe strookt dit met de uitspraken van gedeputeerde Spierings?

Antwoord:
Het is een ondernemerskeuze om te groeien en wij zijn niet principieel tegen groei van bedrijven, maar wel tegen verdergaande regionale concentratie. Daarom voeren we ook staldering in.


6. Acht u het in het licht van een gelijk speelveld eerlijk om bepaalde gemeentes het instrument van staldering te onthouden? Zo ja, waarom?

Antwoord:
In onze Statenmededeling van 10 maart (kernboodschap 1.2) hebben wij uitgelegd waarom wij staldering willen inzetten in een deel van Noord-Brabant, namelijk alleen daar waar de problematiek scherp speelt. Daarbij hebben wij een afweging gemaakt tussen het beoogde doel (sturing op de omvang van de veestapel) en de extra lasten voor gemeenten en veehouders. Het staat andere gemeenten vrij om zelf te besluiten staldering in te voeren.


7. Bent u bekend met bovenstaande conclusies over het effect van het sluiten van de kringlopen op de omvang van de Brabantse veestapel?

Antwoord:
Ja.


8. Klopt de constatering van de auteurs van het rapport dat een effectieve daling van de Brabantse veestapel niet kan worden bewerkstelligt middels het sluiten van de kringlopen op Noordwest-Europese schaal?

Antwoord:
Binnen de uitgangspunten en kaders van het onderzoek klopt het rapport. Enkele aspecten zijn echter niet in het onderzoek betrokken, waaronder de waarschijnlijkheid dat plantaardige teelten voor menselijke consumptie deels worden verdrongen door de productie van veevoer. Ook is niet verder onderzocht of het technisch, logistiek en economisch realiseerbaar is alle mest binnen Noordwest Europa af te zetten.


9. Als gedeputeerde Spierings spreekt over “wat minder vee” en “in de hoeveelheid vee een beetje omlaag”, om welke aantallen of percentages gaat het dan? Waarop berust deze overweging?

Antwoord:
De gedeputeerde schetst een mogelijke stip op de horizon voor over 10-20 jaar, waarbij bewust geen exacte uitspraken zijn gedaan over de schaal waarop en de mate waarin kringlopen worden gesloten. Daarmee zijn de effecten dus ook niet in een concreet getal uit te drukken.


10. Bent u met ons eens dat er naast staldering en het sluiten van de kringlopen aanvullende maatregelen nodig zijn die direct aansturen op afname van de Brabantse veestapel?

Antwoord:
Wij komen binnenkort met een voorstel om de transitie in de veehouderij te versnellen, zodat deze weer een maatschappelijk gewaardeerde sector wordt die diervriendelijk produceert en geen overlast voor de Brabander, zijn gezondheid en de Brabantse natuur met zich meebrengt. Doel van staldering is het tegengaan van een verdergaande concentratie in het veedichte gebied.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger