Vragen over uitzon­dering op avondklok voor jacht op wilde zwijnen


Indiendatum: 1 feb. 2021

Sinds zaterdag 23 januari jl. geldt in Nederland een avondklok. Om verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, mag niemand zonder geldige reden het huis verlaten tussen 21 en 04.30 uur. Jagers hebben hierop echter een uitzondering gekregen, van het ministerie en de provincies, om ’s nachts te kunnen jagen op wilde zwijnen. De provincie heeft hiervoor een ontheffing verleend. Wij hebben hierover een aantal vragen.

Jagers stellen dat het noodzakelijk is om in uitzondering op de avondklok toch ’s nachts op wilde zwijnen te jagen, o.a. omdat ze de Afrikaanse Varkenspest (AVP) zouden kunnen verspreiden onder varkens in de veehouderij.

AVP wordt in praktijk verspreid door menselijk handelen.[1] Het volledig stoppen met de zwijnenjacht en afstand bewaren is beter om te voorkomen dat de mens AVP kan verspreiden.[2] Toch claimt de Jagersvereniging dat wilde zwijnen AVP verspreiden. Uw college steunt het verzoek van de Jagersvereniging om wilde zwijnen ter voorkoming van het verspreiden van AVP ’s nachts af te schieten.

1. Gaat het college de Jagersvereniging op de hoogte stellen van wetenschappelijke publicaties die aantonen dat de mens AVP verspreidt, en niet wilde zwijnen?

2. Vindt uw college afschot een geldige en noodzakelijke reden voor een uitzondering op de avondklok, terwijl wilde zwijnen geen groot risico vormen voor verspreiding van AVP naar Nederland? Zo ja, hoe kan GS verantwoorden dat de argumenten van de jagers belangrijker zijn dan het bestrijden van de COVID-19-pandemie?

Een ander aangedragen reden voor het ’s nachts afschieten van wilde zwijnen betreft de verkeersveiligheid. Vanwege de avondklok zijn er nu ’s nachts juist amper auto’s op de weg.

3. Bent u het met ons eens dat verkeersveiligheid nu juist geen reden is voor een uitzondering op de avondklok voor de jacht op wilde zwijnen?

In het artikel van het Brabants Dagblad komen als voorstanders van de uitzondering op de avondklok namens de Faunabeheereenheid (FBE) enkel vertegenwoordigers van de Jagersvereniging aan het woord.

4. Heeft u vóór ondersteuning van het verzoek van de Jagersvereniging ook overleg gevoerd met natuur-/faunabeschermingsorganisaties, al dan niet vertegenwoordigd in de FBE? Zo ja, wat hebben zij u ter overweging meegegeven? Zo nee, waarom niet?

5. Indien ‘ja’ op voorgaande vraag: wat is de mening van deze organisaties op de stelling dat wilde zwijnen “schadelijk zijn, de boel kaal vreten en (…) de Afrikaanse varkenspest kunnen verspreiden in gebieden met intensieve veeteelt”?

Nog een andere reden voor de uitzondering op de avondklok, voor de jacht op wilde zwijnen, betreft de landbouwschade die wilde zwijnen aanrichten.
We zien dat de landbouwschade gedurende lange tijd een dalende tendens vertoonde, maar dat de schade sinds het intensiveren van de jacht op wilde zwijnen juist enorm is toegenomen. Hoe verklaart u deze trendbreuk? Wij gaan uit van een (biologisch verklaarbaar) averechts effect, namelijk; er komen meer jongen, ze verspreiden zich meer, en ze gaan uit de natuur en naar de landbouwgronden.

6. Bent u het met ons eens dat theorie en praktijk er op wijzen dat de intensivering van de jacht op wilde zwijnen niet het middel tegen, maar juist de oorzaak van de verhoogde landbouwschade is? Zo nee, waarom niet en kunt u aangeven waarom de landbouwschade toeneemt, terwijl er meer gejaagd wordt?

7. Eerder gaf u aan dat mastjaren zorgen voor meer wilde zwijnen en dus meer landbouwschade. Mastjaren komen elke 4 jaar voor, toch zien we het afgelopen decennium niet dat dat invloed had op toename van landbouwschade door wilde zwijnen. Waarom zou dat nu anders zijn?

8. Nu het wel duidelijk is dat de landbouwschade hoger is, zou het niet beter zijn om te investeren in zwijnenwerende maatregelen, zoals zwijnenrasters, om landbouwgebieden en natuur beter van elkaar te scheiden? En dus niet door te gaan met intensiever bejagen? Zo nee, waarom niet?
Hoe denken de verschillende vertegenwoordigers, ook natuurorganisaties en dierenwelzijnsorganisaties, binnen de FBE daar over?

Jachtpartijen zijn vaak internationale aangelegenheden. Buitenlandse jagers hebben in Nederland een logeerakte nodig, en moeten in gezelschap zijn van een Nederlandse jager met jachtakte.

9. Is bij uw college bekend of buitenlandse jagers met logeerakte ook een ontheffing krijgen? Zo ja, hoe verhouden deze internationale jachtpartijen zich tot het afraden van niet-essentiële reizen?

10. Is er sprake van dat in deze COVID-19-tijd buitenlandse jagers in Brabant komen jagen? Zo ja, hoe vaak komt dat voor? Indien dat niet inzichtelijk is, wat gaat u doen om dat inzichtelijk te maken?

Door de ontheffing mogen jagers in het holst van de nacht zwijnen afschieten, terwijl alle andere Nederlanders thuis moeten blijven.

11. Wie controleert de verklaringen die jagers zelf mogen maken om ’s-nachts op pad te mogen gaan? Hoe vaak wordt er gecontroleerd op nachtelijke jacht?

12. Is het college het met ons eens dat de werkwijze ten koste gaat van de transparantie omtrent afschot van wilde zwijnen? Zo ja, wat gaat het college doen om te zorgen voor meer openheid? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel
Partij voor de Dieren Noord-Brabant


[1] Ministerie van LNV, Roadmap preventie AVP, 2020, p.19-20; zie ook: E. Chenais e.a, Epidemiological considerations on African swine fever in Europe 2014–2018, 2019.

[2] Dr. Klaus Depner (Friedrich-Loeffler Institut) en prof. dr. Sven Herzog in https://www.zeit.de/2018/03/afrikanische-schweinepest-wildschweine-ausbreitung-sven-herzog-interview/seite-2.

Indiendatum: 1 feb. 2021
Antwoorddatum: 23 feb. 2021

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Gaat het college de Jagersvereniging op de hoogte stellen van wetenschappelijke publicaties die aantonen dat de mens AVP verspreidt, en niet wilde zwijnen?

Antwoord:
Wij zien hiertoe geen aanleiding. Het is bekend dat menselijk handelen één van de oorzaken is van verspreiding van het AVP-virus. In de Roadmap ‘Preventie introductie Afrikaanse Varkenspest’, waar u aan refereert, is beschreven dat het AVP-virus kan worden verspreid door direct contact tussen varkens of wilde zwijnen onderling, indirect contact met materiaal dat het AVPvirus bevat of door menselijk handelen. De roadmap heeft daarom betrekking op het nemen van maatregelen in drie sporen: de varkenshouderij, wilde zwijnenbeheer en menselijk handelen. Het beheer van wilde zwijnen is hierbij niet gericht op het voorkomen van verspreiding van het AVP-virus, maar op het beperken van het risico op introductie.


2. Vindt uw college afschot een geldige en noodzakelijke reden voor een uitzondering op de avondklok, terwijl wilde zwijnen geen groot risico vormen voor verspreiding van AVP naar Nederland? Zo ja, hoe kan GS verantwoorden dat de argumenten van de jagers belangrijker zijn dan het bestrijden van de COVID-19-pandemie?

Antwoord:
In Brabant is het beheer van wilde zwijnen gedurende de nacht sinds 2011 toegestaan op basis van een door GS op grond van de Wet natuurbescherming verleende ontheffing. De noodzaak hiervan is onderbouwd in de door GS vastgestelde Nota faunabeheer Noord-Brabant, de Beleidsregel natuurbescherming Noord-Brabant en het door GS goedgekeurde Faunabeheerplan. Naar aanleiding van de uitbraak van AVP in 2018 in België zijn tevens bestuurlijke afspraken gemaakt tussen rijk (LNV) en provincies (Limburg, Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel) om het beheer van wilde zwijnen mede af te stemmen op het beperken van het risico op introductie van AVP. In dat kader is ook de in antwoord 1 genoemde roadmap tot stand gekomen. Gelet op voorgaande staat de noodzaak van uitvoering van het provinciaal beleid ten aanzien van het beheer van wilde zwijnen voor ons onverminderd vast.

Hoe de noodzaak van het beheer wilde zwijnen zich verhoudt tot de beperkende maatregelen die het rijk neemt om verspreiding van het Corona-virus te minimaliseren, zoals de avondklok, is een afweging van het rijk in het kader van haar verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de pandemie. In de door de minister vastgestelde ‘Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19’ is een algemene uitzondering opgenomen voor het uitvoeren van noodzakelijke werkzaamheden. In dat verband heeft de minister, in overleg met het IPO, besloten het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond wild tijdens de avondklok als noodzakelijke werkzaamheden te beschouwen. Zie hierover de beantwoording van de minister op gestelde kamervragen van de PvdD en op kamervragen van de SP.


3. Bent u het met ons eens dat verkeersveiligheid nu juist geen reden is voor een uitzondering op de avondklok voor de jacht op wilde zwijnen?

Antwoord:
Nee, de verkeersveiligheid van bestuurders staat voor ons voorop. Ook nu er avondklok geldt en er als gevolg daarvan, zoals u terecht stelt, minder auto’s op de weg zijn.


4. Heeft u vóór ondersteuning van het verzoek van de Jagersvereniging ook overleg gevoerd met natuur-/faunabeschermingsorganisaties, al dan niet vertegenwoordigd in de FBE? Zo ja, wat hebben zij u ter overweging meegegeven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, wij hebben geen overleg gevoerd met natuurorganisaties. Evenmin hebben wij het verzoek van de Jagersvereniging ondersteund. Zoals in antwoord 2 toegelicht hebben wij in algemene zin de noodzaak van het beheer van wilde zwijnen onderschreven conform ons huidig beleid en de afspraken die in het kader van de roadmap AVP zijn gemaakt. Hoe deze noodzaak zich verhoudt tot beperkende maatregelen die het rijk neemt om verspreiding van het Corona-virus te minimaliseren, is – zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht - een afweging van het rijk in het kader van haar verantwoordelijkheid voor de bestrijding van de pandemie.


5. Indien ‘ja’ op voorgaande vraag: wat is de mening van deze organisaties op de stelling dat wilde zwijnen “schadelijk zijn, de boel kaal vreten en (…) de Afrikaanse varkenspest kunnen verspreiden in gebieden met intensieve veeteelt”?

Antwoord:
N.v.t.


6. Bent u het met ons eens dat theorie en praktijk er op wijzen dat de intensivering van de jacht op wilde zwijnen niet het middel tegen, maar juist de oorzaak van de verhoogde landbouwschade is? Zo nee, waarom niet en kunt u aangeven waarom de landbouwschade toeneemt, terwijl er meer gejaagd wordt?

Antwoord:
Nee. Zoals wij in de Statenmededeling naar aanleiding van het eindadvies van de FBE over het beheer van wilde zwijnen hebben toegelicht, hebben alle inspanningen van betrokken partijen de groei van het aantal wilde zwijnen niet voldoende kunnen beperken. Deze toename leidt deels ook tot een toename in landbouwschade.


7. Eerder gaf u aan dat mastjaren zorgen voor meer wilde zwijnen en dus meer landbouwschade. Mastjaren komen elke 4 jaar voor, toch zien we het afgelopen decennium niet dat dat invloed had op toename van landbouwschade door wilde zwijnen. Waarom zou dat nu anders zijn?

Antwoord:
Een mastjaar komt, sinds dat circa 30 geleden is gestart met het schatten van de mast op de Veluwe, ongeveer eens in de vier jaar voor. Het laatste slechte mastjaar was 2012. Sindsdien is sprake van relatief veel mast. In Noord-Brabant heeft de hoeveelheid mast, in tegenstelling tot de situatie op de Veluwe, veel minder invloed op het aantal wilde zwijnen. In Brabant wordt naast de mast, zoveel voedsel gevonden op agrarische gronden dat de populatiegroei niet beïnvloed wordt door het al dan niet voorkomen van mastjaren.


8. Nu het wel duidelijk is dat de landbouwschade hoger is, zou het niet beter zijn om te investeren in zwijnenwerende maatregelen, zoals zwijnenrasters, om landbouwgebieden en natuur beter van elkaar te scheiden? En dus niet door te gaan met intensiever bejagen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, intensiever beheer en het investeren in preventieve maatregelen sluiten elkaar niet uit. Zoals wij in de Statenmededeling naar aanleiding van het eindadvies van de FBE over het beheer van wilde zwijnen hebben toegelicht, vraagt de groeiende populatie wilde zwijnen om een optimalisatie van het beheer via meerdere sporen, waaronder het investeren in preventieve maatregelen. In dat kader hebben wij, mede op advies van de Faunabeheereenheid een stimuleringsregeling beschikbaar gesteld met een budget van €150.000 op basis van cofinanciering. Deze stimuleringsregeling is mede benut voor de inzet van preventieve maatregelen.


9. Is bij uw college bekend of buitenlandse jagers met logeerakte ook een ontheffing krijgen? Zo ja, hoe verhouden deze internationale jachtpartijen zich tot het afraden van niet-essentiële reizen?

Antwoord:
Er is geen sprake van een ontheffing op de avondklok, maar van algemene uitzondering voor het uitvoeren van noodzakelijke werkzaamheden op grond van de ‘Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19’. Zie hierover ons antwoord op vraag 2.


10. Is er sprake van dat in deze COVID-19-tijd buitenlandse jagers in Brabant komen jagen? Zo ja, hoe vaak komt dat voor? Indien dat niet inzichtelijk is, wat gaat u doen om dat inzichtelijk te maken?

Antwoord:
Buitenlandse jagers kunnen in Nederland uitvoering geven aan het beheer van wilde dieren indien zij op grond van artikel 3.28, lid 5, van de Wet natuurbescherming beschikken over een jachtakte die voor maximaal 6 opeenvolgende dagen verleend kan worden (ook wel ‘logeerakte’ genoemd). Het verlenen van een logeerakte is een bevoegdheid van de korpschef. Wij hebben geen inzicht in door de korpschef verleende logeeraktes.


11. Wie controleert de verklaringen die jagers zelf mogen maken om ’s-nachts op pad te mogen gaan? Hoe vaak wordt er gecontroleerd op nachtelijke jacht?

Antwoord:
De politie houdt toezicht op naleving van de regels met betrekking tot de avondklok, waaronder het controleren van verklaringen.


12. Is het college het met ons eens dat de werkwijze ten koste gaat van de transparantie omtrent afschot van wilde zwijnen? Zo ja, wat gaat het college doen om te zorgen voor meer openheid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, wij zijn van mening dat de minister in de beantwoording op kamervragen transparant is over de uitzondering van het beheer van wilde zwijnen en het afhandelen van door een aanrijding gewond wild tijdens de avondklok.