Vragen over veehou­de­rijen net over de Belgische grens


Indiendatum: 28 jan. 2021

Geacht college,

In de beantwoording van onze recente technische vragen, over de ongebreidelde uitbreiding van intensieve veehouderij in het noordelijke grensgebied van Vlaanderen, is aangegeven dat er onvoldoende zicht is op de effecten van de stallen die zich aan de Belgische kant van de grens vestigen. De provincie is slechts bij enkele gevallen betrokken.

De provincie Noord-Brabant heeft de werkafspraak met de Vlaamse provincies Antwerpen en Limburg, om elkaar advies te vragen voor de gevallen waarin de provincies het bevoegd gezag zijn, bij nieuwe activiteiten binnen de 15 km van de landgrens voor BRZO-inrichtingen en 5 kilometer voor de overige inrichtingen waarvoor de Vlaamse grensprovincies het bevoegd gezag zijn.

Recent hebben wij vernomen dat er een vernieuwde aanvraag is ingediend voor een nieuw te bouwen stal voor 2.480 kalveren in de Belgische gemeente Baarle-Hertog, pal tegen de grens van het Brabantse Baarle-Nassau. Dit speelde al in 2019 en er was toen vanuit beide gemeenten veel weerstand tegen.

1. Is uw advies ingewonnen over deze aanvraag? Zo ja, wat heeft u geadviseerd? Zo nee, vindt u dat terecht?

2. Is de provincie voornemens om bezwaar te maken tegen deze stal? Zo ja, welke gronden bent u voornemens daarbij aan te dragen? Zo nee, waarom niet?

Net als de rest van Nederland heeft Brabant te maken met een groot stikstofprobleem. Het is bekend dat deze problematiek niet stopt bij de landsgrenzen, en dat depositie van stikstof tot op honderden kilometers afstand van de emissiebron reikt.

3. Waarom is er voor de werkafspraak met de twee Vlaamse provincies gekozen voor de beperkte afstanden van respectievelijk 5 en 15 kilometer?

4. Bent u met ons van mening dat we als provincie meer inzicht moeten krijgen in de effecten van Vlaamse veehouderijen op de Brabantse leefomgeving en volksgezondheid? Zo ja, hoe gaat u dit inzicht verkrijgen? Zo nee, waarom niet?

In de beantwoording van onze technische vragen geeft u aan onderscheid te maken tussen stallen die qua grootte onder de Vlaamse provincies vallen en stallen die onder Vlaamse gemeentes vallen.

5. Bent u met ons van mening dat het cumulatieve effect van (uitbreiding van) alle stallen, ongeacht de grootte, een rol kunnen spelen bij verhoogde depositie in Brabant? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u doen om die effecten voor ons inzichtelijk te maken?

6. Waarom worden de kleine uitbreidingen (waarvoor de Vlaamse grensprovincies niet het bevoegd gezag zijn) niet besproken met Vlaanderen, en worden deze niet aangevochten?

Het Rijk heeft bijna een half miljard euro gemeenschapsgeld beschikbaar gesteld om geuroverlastveroorzakende veehouderijen uit te kopen, met name in Brabant. Het doel van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen is om zwaar overbelaste gebieden wat te ontlasten. Ook zijn en worden er in het kader van stikstofreductie honderden miljoenen euro’s uitgetrokken om veehouderijen uit te kopen.

In de beantwoording van onze eerder genoemde technische vragen wordt bevestigd dat veehouders, die gebruik maken van deze stoppers- en beëindigingsregelingen van het Rijk, net over de grens gewoon een doorstart kunnen maken. In het geval van stoppende bedrijven nabij de grens kan dit dus betekenen dat de stikstofdepositie en geuroverlast in Brabant amper wordt beperkt, ondanks dat de Nederlandse samenleving de hoofdprijs betaalt.

7. Wat vindt uw college ervan dat er met gemeenschapsgeld, bedoeld om de stikstofuitstoot en geuroverlast van veehouderijen te verminderen, over de grens simpelweg opnieuw wordt bijgedragen aan deze problematiek?

8. Bent u bereid hierover bij het Rijk aan de bel te trekken, en te verzoeken deze loophole in de stoppers- en beëindigingsregelingen te corrigeren? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Anne-Miep Vlasveld
Partij voor de Dieren Noord-Brabant

Indiendatum: 28 jan. 2021
Antwoorddatum: 23 feb. 2021

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Is uw advies ingewonnen over deze aanvraag? Zo ja, wat heeft u geadviseerd? Zo nee, vindt u dat terecht?

Antwoord:
Ja.
Eerder, in 2018, hebben wij op de aanvraag niet negatief geadviseerd, conform ons handelingskader, omdat de depositie onder de 3 mol/ha/jr bleef op Nederlandse Natura 2000-gebieden.
De huidige procedure is een voortzetting van de procedure over die oorspronkelijke aanvraag uit 2018. De provincie Antwerpen heeft hierop in 2019 een omgevingsvergunning verleend. Vervolgens is tegen de verlening beroep en hoger beroep aangetekend. Uiteindelijk heeft de hoogste Vlaamse rechter, de Raad van Vergunningsbetwistingen, de zaak terugverwezen naar de Vlaamse minister.
De minister moet nu opnieuw een openbaar onderzoek uitvoeren en heeft ons gevraagd of de aanvullingen op de aanvraag ons aanleiding geven ons eerdere advies aan te passen. Omdat de depositie onder de 3 mol/jr/ha blijft, zien wij daartoe geen aanleiding.


2. Is de provincie voornemens om bezwaar te maken tegen deze stal? Zo ja, welke gronden bent u voornemens daarbij aan te dragen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, wij zijn niet voornemens bezwaar te maken. Op alle milieuaspecten voldoet deze inrichting aan de toetsingscriteria zoals deze ook gelden voor Nederlandse veehouderijen, behalve voor stikstof. Deze inrichting veroorzaakt een stikstofdepositie van ca. 1,3 mol/ha/jr. Dit ligt onder de grenswaarde van 3,0 mol/ha/jr waarboven wij bezwaar maken tegen een omgevingsvergunning in Vlaanderen, in lijn met ons handelingskader.


3. Waarom is er voor de werkafspraak met de twee Vlaamse provincies gekozen voor de beperkte afstanden van respectievelijk 5 en 15 kilometer?

Antwoord:
Voor deze afstanden is in beginsel gekozen omdat er nagenoeg geen milieueffecten zijn die verder reiken dan deze afstanden, met de uitzondering van stikstof, zie ook de beantwoording van vraag 2.
Onze grensoverschrijdende samenwerking beperkt zich echter niet tot deze werkafspraken: zowel in Nederland als in Vlaanderen wordt de urgentie gevoeld om de stikstofproblematiek gezamenlijk aan te pakken. De verspreiding van stikstof stopt immers niet bij de landsgrenzen. Het door-ontwikkelen en uitvoeren van een doelmatig en samenhangend stikstofbeleid in beide landen, met aandacht voor maatwerk in grensregio’s, staat hierbij centraal. Wij onderschrijven de bestuurlijke lijn zoals deze is vastgelegd in de slotverklaring van de Vlaams-Nederlandse top in november 2020 en hierover voeren wij overleg met de Vlaamse en Nederlandse (mede)overheden.


4. Bent u met ons van mening dat we als provincie meer inzicht moeten krijgen in de effecten van Vlaamse veehouderijen op de Brabantse leefomgeving en volksgezondheid? Zo ja, hoe gaat u dit inzicht verkrijgen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
In de uitvoeringsagenda Brabantse Ontwikkelaanpak Stikstof 1.0 staat vermeld dat onze inzet in het kader van grensoverschrijdende samenwerking over stikstof, erop is gericht om scherper inzicht te krijgen in de buitenlandse bronnen van depositie op Brabantse Natura 2000–gebieden in brede zin.


5. Bent u met ons van mening dat het cumulatieve effect van (uitbreiding van) alle stallen, ongeacht de grootte, een rol kunnen spelen bij verhoogde depositie in Brabant? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat kunt u doen om die effecten voor ons inzichtelijk te maken?

Antwoord:
Wij hebben er als provincie alle belang bij dat stikstofuitstoot die we hier met veel maatregelen en inzet van middelen weghalen, niet per kerende post (of wind) terugkomt in onze Brabantse natuurgebieden, omdat een bedrijf zich net over de grens vestigt waar de regels soepeler zijn. Dat is niet in het belang van Vlaanderen én niet in dat van ons. Wij zetten ons daarom in voor betere afstemming aan de voorkant, en daar waar we ons milieuadviesrecht kunnen benutten gebruiken we die gelegenheid.


6. Waarom worden de kleine uitbreidingen (waarvoor de Vlaamse grensprovincies niet het bevoegd gezag zijn) niet besproken met Vlaanderen, en worden deze niet aangevochten?

Antwoord:
Een complicerende factor in dit vraagstuk is dat wij geen formele bevoegdheid hebben over de grens. Ons handvat is dat Europese lidstaten hebben afgesproken dat overheden elkaar informeren over relevante grensoverschrijdende milieueffecten. Daar waar advies gevraagd wordt, benutten wij deze gelegenheid. Deze adviesaanvragen hebben echter slechts betrekking op een deel van alle gevallen. Dit onderwerp is dan ook onderdeel van onze eerder benoemde gesprekken.


7. Wat vindt uw college ervan dat er met gemeenschapsgeld, bedoeld om de stikstofuitstoot en geuroverlast van veehouderijen te verminderen, over de grens simpelweg opnieuw wordt bijgedragen aan deze problematiek?

Antwoord:
Er zijn nog geen bedrijven opgekocht met de regelingen waar in deze vraag aan wordt gerefereerd. Wel laten wij een onderzoek uitvoeren naar de feitelijke aantallen bedrijfsverplaatsingen of zijwaartse uitbreidingen in de grensregio en welke motivatiefactoren hierbij aan de orde zijn. Zodra dit onderzoek gereed is, zullen wij u nader informeren over de uitkomsten. Zie verder ook het antwoord op vraag 5.


8. Bent u bereid hierover bij het Rijk aan de bel te trekken, en te verzoeken deze loophole in de stoppers- en beëindigingsregelingen te corrigeren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Het is van groot belang tot een op elkaar afgestemde, maar liever nog gezamenlijke stikstofaanpak te komen. Daar zetten wij ons als provincie voor in, samen met de andere Nederlandse grensprovincies en het ministerie van LNV. We zien dat dat effect sorteert. Ook in Vlaanderen is het urgentiebesef aanwezig en tevens bestuurlijk bekrachtigd in de eerder benoemde VlaamsNederlandse top in november 2020. Uiteindelijk kunnen we alleen samen tot oplossingen in dit dossier komen, maar dat vraagt tijd.