Vragen over voortgang opvang van wilde inheemse dieren in Noord-Brabant


Indiendatum: mei 2020

Geacht college,

De opvang van wilde inheemse dieren is in veel provincies nog steeds niet op orde, ook in Noord-Brabant dreigt de opvang van dieren te verslechteren door gebrek aan middelen. Dit heeft bij ons geleid tot de volgende vragen.

1. Kent u de aangenomen moties (1 & 2) van TK aangaande wildopvang?

2. Wat is de stavaza met betrekking tot de uitvoering, te weten de gesprekken met het Rijk?

3. Erkent u het belang van wildopvangcentra?

4. Bent u het met ons eens dat de wettelijke aanduiding van ‘zorgplicht’ voor gewonde inheemse dieren onduidelijkheid geeft, omdat niet duidelijk is op wie de zorgplicht betrekking heeft, en de term ‘zorgplicht’ daarom verduidelijkt moet worden in de wet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te benoemen in de gesprekken met het Rijk?

5. Bent u het met ons eens dat ‘zorgplicht’ ook en bij voorkeur betrekking zou moeten hebben op het bevoegd gezag aangaande natuur en natuurbescherming? Zo nee, waarom niet?

6. Bent u het met ons eens dat financiering voor deze centra (in heel Nederland) problematisch is?

7. Is er in de huidige bestuursperiode aan de provincie Noord-Brabant een verzoek om steun gedaan door de Faunaopvang Brabant (FOB)? Zo ja, bent u bereid om daarover met de FOB op korte termijn in gesprek te gaan? Indien nee, waarom niet?

8. Is de provincie Noord-Brabant bereid om het Rijk aan te sporen een deel van de financiering van wildopvang in Nederland op zich te nemen? Zo nee, waarom niet?

9. Is de provincie Noord-Brabant bereid om daarbij ook een bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?

10. Is de provincie Noord-Brabant bereid om het goede voorbeeld te geven, en nu deels bij te dragen aan de kosten van wildopvang, om de oplopende tekorten van de wildopvang-sector aan te vullen, mede in het licht van het door de provincie recent geïntroduceerde solidariteitsbeginsel? Zo ja, in welke mate? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel
Partij voor de Dieren

Tom Ludwig
GroenLinks

Martijn de Kort
PvdA

Janneke van Kessel
D66

Indiendatum: mei 2020
Antwoorddatum: 26 mei 2020

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Kent u de aangenomen moties van TK aangaande wildopvang?

Antwoord:
Ja.


2. Wat is de stavaza met betrekking tot de uitvoering, te weten de gesprekken met het Rijk?

Antwoord:
Om invulling te geven aan de aangenomen moties inzake wildopvang, inventariseert het rijk momenteel de huidige praktijk. Het rijk voert deze inventarisatie uit onder opvangcentra, gemeenten en provincies.
Verwachting is dat het rijk voor de zomer de Tweede Kamer zal informeren over de afhandeling van de aangenomen moties.


3. Erkent u het belang van wildopvangcentra?

Antwoord:
Ja. Wij erkennen dat wildopvangcentra voorzien in een maatschappelijke behoefte om in nood verkerende wilde dieren op te vangen.


4. Bent u het met ons eens dat de wettelijke aanduiding van ‘zorgplicht’ voor gewonde inheemse dieren onduidelijkheid geeft, omdat niet duidelijk is op wie de zorgplicht betrekking heeft, en de term ‘zorgplicht’ daarom verduidelijkt moet worden in de wet? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid dit te benoemen in de gesprekken met het Rijk?

Antwoord:
Nee. De wettelijke zorgplicht zoals die in artikel 1.11 Wet natuurbescherming is opgenomen geldt voor “een ieder”. Dit betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor het in het wild levende dieren, waaronder gewonde dieren. Provincies hebben hier geen bijzondere taak of verantwoordelijkheid in. Wel hebben wij op grond van artikel 1.12 Wet natuurbescherming een bijzondere taak om zorg te dragen voor het nemen van de nodige maatregelen om de gunstige staat van instandhouding van van nature in Nederland voorkomende beschermde dieren te behouden of te herstellen. Daar waar de zorgplicht op grond van artikel 1.11 voor iedereen geldt en is gericht op een individueel dier, geldt de zorgplicht op grond van artikel 1.12 voor provincies en is deze gericht op populaties. Wij zien geen noodzaak het rijk te verzoeken de wettelijke regeling te verduidelijken.


5. Bent u het met ons eens dat ‘zorgplicht’ ook en bij voorkeur betrekking zou moeten hebben op het bevoegd gezag aangaande natuur en natuurbescherming? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De zorgplicht voor individuele beschermde inheemse dieren geldt voor iedereen. De provincie heeft hierin geen bijzondere taak of verantwoordelijkheid. Zie verder ons antwoord op vraag 4.


6. Bent u het met ons eens dat financiering voor deze centra (in heel Nederland) problematisch is?

Antwoord:
Ja, de financiële situatie van de centra is problematisch geweest. Daarom hebben wij, op verzoek van uw Staten, in 2013 een subsidieregeling opengesteld voor de opvang van inheemse dieren. Hierbij is € 750.000 beschikbaar gesteld, waarvan € 300.000 is ingezet voor eenmalige investeringen en € 450.000 als bijdrage voor de jaarlijkse exploitatie gedurende 3 jaar. Met dit budget is een Brabant brede opvangstructuur gerealiseerd en zijn de opvangfaciliteiten geoptimaliseerd. Zoals destijds door uw Staten is aangegeven, ging dit om een tijdelijke subsidieregeling die tot doel had de opvang te professionaliseren en de opvangcentra de kans te geven om gedurende die drie jaar andere inkomsten te genereren. De verstrekte subsidie heeft bijgedragen aan een gezonde financiële situatie van de centra.


7. Is er in de huidige bestuursperiode aan de provincie Noord-Brabant een verzoek om steun gedaan door de Faunaopvang Brabant (FOB)? Zo ja, bent u bereid om daarover met de FOB op korte termijn in gesprek te gaan? Indien nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, er is geen verzoek om steun van de FOB ontvangen. Statenvragen van de PVV van 13 juli 2019 maakten wel melding van het voornemen van de heer C. Brosens van het Vogelrevalidatiecentrum Zundert om GS hierover een notitie te sturen, maar dit is er blijkbaar niet van gekomen. Uw vraag waarom er geen verzoek om steun is gedaan kunnen wij niet beantwoorden.


8. Is de provincie Noord-Brabant bereid om het Rijk aan te sporen een deel van de financiering van wildopvang in Nederland op zich te nemen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De aangenomen moties verzoeken de regering om, in samenwerking met gemeenten, provincies en stakeholders, een uniforme landelijke richtlijn te ontwikkelen voor vergoedingen aan zelfstandige, lokale en regionale wildopvangcentra. Wij werken mee aan een door rijk, gemeenten, provincies én opvangcentra gedragen resultaat van dit traject en hechten er aan niet op de resultaten vooruit te lopen.


9. Is de provincie Noord-Brabant bereid om daarbij ook een bijdrage te leveren? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, want de provincie heeft daar geen rol in.


10. Is de provincie Noord-Brabant bereid om het goede voorbeeld te geven, en nu deels bij te dragen aan de kosten van wildopvang, om de oplopende tekorten van de wildopvang-sector aan te vullen, mede in het licht van het door de provincie recent geïntroduceerde solidariteitsbeginsel? Zo ja, in welke mate? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee, met verwijzing naar onze antwoorden op de vragen 6 en 9 zijn wij hier vooralsnog niet toe bereid.


Overeenkomstig het door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant genomen besluit,
namens deze,

ing. H.J. van Herk,
programmamanager Natuurontwikkeling