Transitie naar zorg­vuldige veehou­derij 2020


22 maart 2013

Eerste termijn:

De heer Van der Wel (PvdD):
Voorzitter! Begin deze maand maakte het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) bekend dat in 2012 de waarde van de vleesexport steeg met 6,4 % naar €8,1 mld. en die van zuivelproducten en eieren met 0,7% naar €7,02 mld.; samen meer dan €15 mld. euro, alleen al voor export.

Volgens de universiteit van Wageningen zijn het grofweg de grote bedrijven die hoge inkomens weten te realiseren en hoger dan kleine bedrijven. De schaalvergroting en specialisatie zetten nog altijd door binnen de primaire landbouw. Volgens onze informatie zijn er in Brabant momenteel 635 bedrijven die vallen onder de definitie megastal. Ten opzichte van 2011 zijn er 102 megabedrijven bijgekomen, voornamelijk varkenshouderijen. De trend: steeds grotere bedrijven met steeds grotere stallen exporteren steeds meer vlees. Laten we deze trend leggen naast de conclusie van de Rabobank dat het verdienmodel in de intensieve veehouderij op basis van kostenminimalisatie en bulkproductie nagenoeg failliet is. Als er met eerder genoemde getallen geen sprake is van bulkproductie, dan weet ik het niet meer.
Een andere trend is de concentratie van de veestapel in bepaalde gebieden van Brabant, met alle problemen die dat met zich brengt. Risico’s voor de volksgezondheid, overlast voor de hele regio, afname van de leefbaarheid en aantasting van de natuur.

Als we alles bij elkaar optellen, dan stemmen wij niet in met de voorgestelde denklijn "ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd". Ook niet als het gaat om een maatschappelijke dialoog, als het gaat over verdere uitbreiding, wel als de maatschappelijke dialoog gebruikt wordt om overlast, in welke vorm dan ook, aan te pakken. Feitelijk wordt met deze denklijn bedoeld dat er een verdere concentratie van vee zal plaatsvinden op locaties waar het goedkoop produceren is, daar waar de infrastructuur ingericht is voor grootschalige vleesproductie.

Ook een pakket aan duurzaamheidmaatregelen kan deze ontwikkeling niet stoppen, want elke maatregel moet worden terugverdiend door schaalvergroting. Waarom zou je als provincie anders inzetten op grotere stallen middels de Verordening ruimte en het vrijgeven van milieuvergunningen in de Verordening stikstof?

Ik vraag de gedeputeerde of hij het met ons eens is dat met de denklijn "ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd" er een verdere concentratie van de veestapel zal plaatsvinden in delen van Brabant? Worden met een verdergaande concentratie van vee in Brabant ook de feitelijke problemen aangepakt? Of gaan we met dit beleid verder op een doodlopende weg? Alles staat en valt met de vraag met wat de provincie bedoelt met een zorgvuldige veehouderij! Wat is nu de definitie van een zorgvuldige veehouderij? Het blijft voor ons een vraag en voor de provincie een weet. De provincie geeft een soort van handvat en stelt dat een zorgvuldige veehouderij geplaatst moet worden in het licht van het begrip duurzaamheid en dat daarbij voor de veehouderij geldt dat zij met respect moet omgaan met mens, dier en milieu. Het is een arsenaal aan begrippen: zorgvuldig, duurzaam en respect. Indien er zorgvuldig geformuleerd wordt, zou dit perspectief kunnen bieden! Ik vraag de gedeputeerde of ik de definitie voor de provincie als volgt kan formuleren: "Een zorgvuldige veehouderij is een duurzame veehouderij met respect voor mens, dier en milieu". Als we dat kunnen vaststellen na een jaar van voorbereiding, vinden wij dat alvast een winstpunt.

Als wij als Partij voor de Dieren aan een zorgvuldige veehouderij denken, denken wij primair aan een kwalitatieve ontwikkeling van de veestapel: meer kwaliteit, minder milieubelasting, meer dierenwelzijn en dus minder vee! Om in ieder geval de verdere intensivering van de veehouderij een halt toe te roepen, is een bouwstop door middel van een voorbereidingsbesluit een absolute noodzaak, zeker als de provincie ook van mening is dat zorgvuldige veehouderij een duurzame veehouderij is, met respect voor mens, dier en milieu. Nu is er nog veel ruimte voor ontwikkeling mogelijk. De gemiddelde stalgrootte in de intensieve veehouderij is nu 1 hectare. Het maximum hebben wij gesteld op 1,5 ha en dat maximum wordt misschien losgelaten. Er is dus nog een gemiddelde groei van 50% mogelijk; een schrikbeeld voor de Partij voor de Dieren en voor veel mensen in het landelijk gebied!

Een verlenging van de bouwstop voor de geiten en schapenbedrijven met maximaal een jaar om wille van de volksgezondheid vinden wij als Partij voor de Dieren een goede stap, om er zeker van te zijn dat risico’s op een uitbraak van Q-koorts worden verkleind. Wij zijn echter van mening dat het maximum van één jaar eigenlijk een minimum zou moeten zijn. Een vraag aan de gedeputeerde is of hij criteria heeft bepaald om de bouwstop eerder dan een jaar op te heffen en op welke gronden dat besluit zou kunnen plaatsvinden.

Het is klip en klaar dat niet de ammoniakuitstoot maar het aantal dierenrechten de beperkende factor is voor de uitbreiding van stallen. Met luchtwassers is heel veel uitbreiding mogelijk! En als het aantal dierenrechten de beperkende factor is, dan is het vastleggen van de stalgrootte het enige stuurmechanisme dat de provincie heeft om verdergaande groei van de veestapel af te remmen. Alleen op die manier kan de concentratie van vee in de toch al overbelaste gebieden worden gestopt. Ten minste, wij zien geen andere mogelijkheid.

Is de gedeputeerde het met ons eens dat verdergaande concentratie van vee in gebieden als de Peel onwenselijk is? En dat het vasthouden aan een maximale stalgrootte het beste instrument is om de groei daar te stoppen? Of denkt de gedeputeerde deze groei anders te kunnen beteugelen?

De heer Van Vught (CDA):
Ik begrijp eigenlijk niet wat de heer Van der Wel bedoelt. Hij haalt steeds twee zaken door elkaar. Het aantal dierrechten bepaalt de omvang van de veestapel in Brabant en niet de omvang van de stallen. Hij zegt steeds dat er grotere stallen komen en dus meer vee. Misschien kan hij het nog eens goed toelichten, want ik snap er niets van?

De heer Van der Wel (PvdD):
Voorzitter! Ja, ik kan er niets aan doen dat de heer Van Vught het niet snapt, maar ik probeer het uit te leggen. Wij vinden dat de ammoniakuitstoot niet de beperkende factor is omdat er steeds betoogd wordt dat het met luchtwassers en andere instrumenten mogelijk is om uit te breiden zonder de natuur te schaden. Als men gebruikmaakt van luchtwassers zou men bijvoorbeeld kunnen uitbreiden van 1000 varkens naar 7770 varkens. Daarmee komt er echter wel een grote concentratie van dieren op die plek. Wat is nu de beperkende factor? Dat zijn niet de milieurechten maar de dierenrechten en die nemen wel degelijk toe in regio’s als de Peel. Dat gaat maar door. Waar concentreren bedrijven zich? Op plaatsen waar wij het goedkoopst kunnen produceren.

De heer Van Vught (CDA):
Gedeputeerde Van den Hout heeft vorige week in de commissie Ecologie een soort college gegeven dat zeer verhelderend was. Hij gebruikte daarbij een bord, maar dat zie ik hier helaas niet staan. Misschien is het goed als hij hier die uiteenzetting nog een keer geeft, want dan zal de heer Van der Wel zien dat hij geen gelijk heeft.

De voorzitter:
Het is niet de bedoeling om hier commissievergaderingen over te doen, maar wij zullen kijken of de didactische kwaliteiten van de gedeputeerde die hier rondzingen vanmiddag weer zullen blijken.

De heer Van der Wel (PvdD):
Voorzitter! Ik rond af met de opmerking dat wij met dit beleid doorgaan met concentratie van vee in gebieden waar wij dat niet willen.

De voorzitter:
Door het lid Van der Wel wordt het volgende amendement voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013, kennis genomen hebbende van Statenvoorstel 16/13B inzake Transitie naar een
zorgvuldige veehouderij 2020,

besluiten dat onder I. Grondgebonden veehouderij (melkvee) wordt toegevoegd;
- dat de Verordening ruimte wordt aangevuld met een definitie van grondgebondenheid, waarbij de definitie grondgebondenheid duidelijk maakt wat de relatie is tussen de grond en de activiteit die wordt ontplooid, daarbij uitgaande van het voortbrengend vermogen van de grond en de nutriëntenkringlopen;
- dat de definitie niet alleen geldt voor de melk/rundveehouderij, maar voor de gehele veehouderij;
- dat deze definitie wordt meegenomen in de eerstvolgende wijziging Verordening ruimte.

Toelichting
Dat het Statenvoorstel bij het onderwerp grondgebonden veehouderij, geen definitie van grondgebonden veehouderij bevat;
Dat door het ontbreken van deze definitie, het onmogelijk is om te beoordelen welke inrichtingen grondgebonden zijn hetgeen de vergunningverlening kan bemoeilijken;
Dat grondgebondenheid een uitgangspunt is voor het sluiten van kringlopen en daarmee duurzame veehouderij
"

Dit amendement maakt onderwerp uit van beraadslaging. Het krijgt nr. A6.

Door de leden Van der Wel en mw. Kardol wordt het volgende amendement voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013, kennis genomen hebbende van Statenvoorstel 16/13A inzake Transitie naar een
zorgvuldige veehouderij 2020,

besluiten dat onder l. Grondgebonden veehouderij (melkvee) wordt toegevoegd;
- De provincie stelt een definitie van weidegang voor de melkveehouderij vast;
- Deze definitie moet voldoen aan de eisen voor weidegang zoals bepaald door het EKO keurmerk en/of het keurmerk van Stichting weidegang;
- De definitie van weidegang wordt in overleg met de commissie Transitie Stad en Platteland verankerd in het provinciaal beleid."

Toelichting:
Dat mede uit het rapport van de commissie van Doorn blijkt dat dierenwelzijn een prominente plek heeft binnen de duurzame veehouderij;
dat weidegang een adequaat instrument is om dierenwelzijn te vergroten;
dat in bovenstaand statenvoorstel weidegang niet wordt genoemd en dat in het kader van het dierenwelzijn weidegang absoluut noodzakelijk is.
"

Dit amendement maakt onderwerp uit van beraadslaging. Het krijgt nr. A7. Door de leden Van der Wel en P. Smeulders wordt het volgende amendement voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013, kennisgenomen hebbende van Statenvoorstel 16/13B inzake Transitie naar een
zorgvuldige veehouderij 2020,

besluiten dat:
tekstpassage C in het Statenvoorstel (Geïntegreerd instrumentarium (VIV en BIV)) vervalt en vervangen wordt
door:
De provincie zet zich in voor een regeling ’ruimte voor ruimte bij knelpunten’.
Waarbij het uitgangspunt van de ’ruimte voor ruimte bij knelpunten regeling’ is dat:
a. om in aanmerking te komen voor de regeling ruimte voor ruimte agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en hiervoor in de regeling een minimum wordt vastgesteld;
b. in geval van een volledige beëindiging van alle agrarische activiteiten op de slooplocatie, de omzetting van de oude bestemming die agrarisch gebruik van het perceel mogelijk maakt, naar een andere bij de omgeving passende bestemming;
c. de productie van dierlijke meststoffen feitelijk wordt beëindigd en hiervoor in de regeling een minimum wordt vastgesteld;
d. de milieuvergunning die betrekking heeft op de activiteiten van de intensieve veehouderij wordt ingetrokken en hiervoor in de regeling een minimum wordt vastgesteld;
e. de rechten voor de intensieve veehouderij die voor de intensieve veehouderij zijn geregistreerd, zijn doorgehaald en hiervoor in de regeling een minimum wordt vastgesteld;
f. de bovenstaande vergunningen en rechten niet terugkeren om elders te worden gebruikt maar worden vernietigd.
g. om verrommeling van het landschap tegen te gaan, maximaal 1 huis wordt gebouwd per verdwijnende veehouderij."

Toelichting:
Dat de regelingen BIV en VIV niet verder worden voortgezet in de huidige vorm;
Er derhalve naar alternatieven wordt gezocht voor deze regelingen;
Dat de voorgestelde regeling kan worden ingezet voor reductie van de veestapel.
"

Dit amendement maakt onderwerp uit van beraadslaging en krijgt nr. A8.

Door de leden Van der Wel en Kap wordt het volgende amendement voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013, kennis genomen hebbende van Statenvoorstel 16/13A inzake Transitie naar een
zorgvuldige veehouderij 2020,
besluiten, dat de tekst onder dossier J. Mestverwerking van het Statenvoorstel 16/13A wordt verwijderd en wordt vervangen door:
Er wordt provinciaal beleid ontwikkeld voor mestverwerking en mestvergisters; Indien er voor mestverwerking en/of mestvergisters milieuvergunningen worden angevraagd en/of ontheffingen of aanpassingen van de Verordening Ruimte worden aangevraagd dan wordt voor elk individueel geval minimaal getoetst op de volgende criteria:
- volksgezondheid,
- leefbaarheid (verkeer),
- draagvlak bij omwonenden en betrokkenen,
- milieugerichte Levenscyclus Analyse (LCA), en
- economische haalbaarheid (incl. subsidies)."
Toelichting:
De fractie(s) die het amendement ondertekenen zien af van beleid over mestvergisters omdat zij vinden dat de Staten onvoldoende informatie hebben over volksgezondheid, leefbaarheid (verkeer), Levenscyclus Analyse en economische haalbaarheid (incl. subsidies) om een besluit te kunnen nemen.
Gezien de bekende en nog onbekende risico’s van mestvergisting dient niet lichtzinnig te worden omgegaan met het verlenen van milieuvergunningen en wijzigingen van de Verordening Ruimte.
"

Dit amendement maakt onderwerp uit van beraadslaging en krijgt nr. A9. Door het lid Van der Wel wordt de volgende motie voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013.
Kennis genomen hebbende van Statenvoorstel 16/13A inzake Transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020,

Overwegende dat:
- in Statenvoorstel 67/12A de wens is uitgesproken tot de bouw van acht mestvergisters;
- het sluiten van (nutriënten) kringlopen een belangrijk onderdeel moet zijn bij de gedachte over duurzaamheid;
- het gebruik van mestvergisters ook toevoegingen nodig maakt van koolstofhoudende stoffen zoals compost en/of voor voeding geschikte producten zoals maïs;
- voor mestverwerking extra verkeersbewegingen nodig zijn voor aanvoer en afvoer van mest en digestaat;
- mede door bovenstaande factoren de duurzaamheid van het gebruik van mestvergisters in twijfel kan worden getrokken;
- de provincie, verwijzend naar Statenvoorstel 67/12A Fondsvoorstellen 2de tranche investeringsagenda, voornemens is om biovergistingslocaties te voorzien van cofinanciering (subsidies);
- mede door bovenstaande factoren het financieel, energetisch en duurzaamheidrendement lager kan liggen dan bij andere maatregelen uit het energiefonds, zie 67/12A;
- de subsidie uit het energiefonds bedoeld voor de bouw van mestvergisters aan betere technieken zou kunnen worden besteed met een hoger energetisch rendement, zoals zonnepanelen,

constaterende dat:
- Gedeputeerde Staten op 16 november 2012 hebben uitgesproken ons voor de bespreking van de voorjaarsnota te informeren over de mate van duurzaamheid van het gebruik van mestvergisters en over de stand van zaken van alternatieve, meer duurzame technieken en initiatieven in Noord-Brabant;
- uit een rapport van Waterschap Aa en Maas van 19 december 2012 blijkt dat er antibiotica en resistente bacteriën in het effluent van mestvergisters aanwezig kunnen zijn;
- dit bij Waterschap Aa en Maas tot zorgen leidt over de effecten hiervan op volksgezondheid en milieu;
- er geen duidelijkheid is betreffende de feitelijke duurzaamheid en mogelijke gezondheidsrisico’s van het gebruik van mestvergisters;
- er geen weloverwogen besluit ten aanzien van mestvergisters kan worden genomen zonder uitgebreide informatie over bovenstaande onderwerpen,

verzoeken het college van Gedeputeerde Staten:
- binnen 6 maanden de commissie TPS te voorzien van onafhankelijk onderzoek(en) over mestvergisting; daarbij de onderwerpen volksgezondheid, milieugerichte Levenscyclus Analyse (LCA), leefbaarheid (verkeer) en subsidies expliciet te benoemen;
- tot die tijd af te zien van besluitvorming ten aanzien van de bouw van mestvergisters in Brabant, en gaan over tot de orde van de dag.
"

Deze motie maakt onderwerp uit van beraadslaging en krijgt nr. M18.


Tweede termijn:

De heer Van der Wel (PvdD):
Voorzitter! Het wordt moeilijk om de passie van de heer Mondriaan te overtreffen denk ik.

In eerste termijn heb ik aangegeven hoeveel omzet er is vanuit de veesector richting het buitenland: 15 miljard euro. Ik heb echter niet verteld dat deze sector als enige de meeste kosten afwentelt op de samenleving. Die 15 miljard euro gaat bijna helemaal op aan kosten die ten laste komen van onze samenleving. Netto levert deze sector dus heel weinig op, behalve veel problemen.

De provincie stelt zelf voor de Verordening ruimte aan te passen door het invoeren van een maximum van 1,5 ha bouwblok voor grondgebonden veehouderijen. Als je het begrip grondgebondenheid gebruikt, moet je dat ook goed definiëren; niet in de maatlat maar gewoon in de Verordening ruimte. Vandaar dat ik nogmaals de aandacht vestig op ons amendement waarmee wij beogen het eens en voor altijd vast te zetten in de Verordening ruimte, zodat duidelijk is welke bedrijven grondgebonden zijn en welke niet en wel op een manier die rechtdoet aan wat grondgebondenheid intrinsiek betekent. Het heeft een relatie met de grond en met de omgeving, het sluiten van nutriënten en duurzame landbouw.

Wij begrijpen dat weidegang niet wettelijk afdwingbaar is. Wij willen toch een vaste definitie hanteren en vinden dat dit verankerd moet worden in het beleid, nog afgezien van de maatlat. Het moet een vaste definitie zijn. Het amendement over de knelpuntenregeling hebben wij veranderd in een motie zoals de SP ons heeft gevraagd.
De provincie geeft aan dat er 15 tot 30 grote mestvergisters komen in Brabant. Er ligt nu een amendement voor dat ertoe strekt de tekst te wijzigen. Voor ons zegt dat niet veel, want individuele gevallen kunnen net zo goed 15 tot 30 gevallen zijn. Wij sturen toch echt aan op dat onderzoek. Wij moeten kunnen beschikken over informatie over verschillende aspecten zoals life science analyses, volksgezondheid, ruimtelijke inpassing, draagvlak bij de omgeving, etc. Ik hoop dat SP daarin kan meegaan.

Amendement A8 komt te vervallen, in plaats daarvan komt een motie.

De voorzitter:
Amendement A8 is ingetrokken en maakt derhalve geen onderwerp meer uit van beraadslaging.

Motie M18 is gewijzigd. Het dictum luidt thans:

"verzoeken het college van Gedeputeerde Staten:
- binnen 6 maanden de commissie TSP te voorzien van een gegroepeerd aantal onafhankelijk onderzoek(en) over mestvergisting; die de onderwerpen volksgezondheid,
milieugerichte Levenscyclus Analyse (LCA), leefbaarheid (verkeer) en subsidies expliciet behandelen,
"

Deze gewijzigde motie maakt onderwerp uit van beraadslaging. Zij krijgt nr. M18a.

Door de leden Van der Wel en P. Smeulders wordt de volgende motie voorgesteld:

"Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op 22 maart 2013, kennis genomen hebbende van Statenvoorstel 16/13B inzake Transitie naar een
zorgvuldige veehouderij 2020,

overwegende dat:
- de regelingen BIV en VIV niet verder worden voortgezet in de huidige vorm;
- er derhalve naar alternatieven wordt gezocht voor deze regelingen;
- de voorgestelde regeling kan worden ingezet voor reductie van de veestapel,

verzoeken Gedeputeerde Staten:
een regeling ’ruimte voor ruimte bij knelpunten’ uit te werken, waarbij het uitgangspunt van de ’ruimte voor ruimte bij knelpunten regeling’ is dat:
a. om in aanmerking te komen voor de regeling ruimte voor ruimte dient te worden aangetoond dat minimaal een gezamenlijke oppervlakte van 1.000 m2 aan agrarische
bedrijfsgebouwen wordt gesloopt;
b. in geval van een volledige beëindiging van alle agrarische activiteiten op de slooplocatie, de omzetting van de oude bestemming die agrarisch gebruik van het perceel mogelijk maakt, naar een andere bij de omgeving passende bestemming;
c. de productie van dierlijke meststoffen feitelijk wordt beëindigd;
d. de milieuvergunning die betrekking heeft op de activiteiten van de intensieve veehouderij wordt ingetrokken;
e. de rechten voor de intensieve veehouderij die voor de intensieve veehouderij zijn geregistreerd zijn doorgehaald.
f. de bovenstaande vergunningen en rechten niet terugkeren om elders te worden gebruikt, maar worden vernietigd, en gaan over tot de orde van de dag.
"

De voorzitter: Deze motie maakt onderwerp uit van beraadslaging. Zij krijgt nr. M19.