Vragen over de procedure omtrent vergun­ning­ver­lening rond BioMoer B.V.


Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de procedure omtrent vergunningverlening rond BioMoer B.V.


Geacht college,

BioMoer B.V. heeft in 2011 een aanvraag gedaan om de capaciteit te mogen uitbreiden van 25.000 ton naar 50.000 ton te vergisten materiaal. Tegen deze aanvraag is door belanghebbenden beroep ingesteld.

Bij uitspraak van de Raad van State op 24 augustus 2016 is door de rechter bevestigd dat uw college op deze aanvraag een nieuw besluit moet nemen. Art. 3:18 Awb stelt de termijn hiervoor op 6 maanden. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden.

De hoogste bestuursrechter oordeelde in dezelfde uitspraak ook dat een Verklaring van Geen Bedenkingen (VVGB) vanuit Bergen op Zoom een noodzakelijke voorwaarde was voor het verlenen van een vergunning. GS heeft de gemeente Bergen op Zoom verzocht om deze af te geven, echter de gemeente heeft de VVGB op 21 september 2017 geweigerd. De termijn voor GS om tegen dit besluit in beroep te gaan is inmiddels verstreken. Tot op heden heeft GS nog steeds geen besluit hierover genomen.

De belanghebbenden wachten ons inziens al te lang op uitsluitsel in de kwestie BioMoer, en ondanks herhaald aandringen vanuit appelanten geeft GS niet thuis en neemt GS geen besluit. De termijn is overschreden en dat geeft hen geen rechtszekerheid. Daarom verzoeken wij u onderstaande vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden.

1. Waarom hebt u tot op heden geen nieuw besluit genomen op de aanvraag van BioMoer B.V. en waarom is/zijn de wettelijke termijn(en) daarbij overschreden? Wat zijn de consequenties van het niet tijdig nemen van een nieuw besluit? Hoe verhoudt zich een en ander tot de beslistermijn van 6 maanden volgens artikel 3:18 van de AwB?

2. Bent u het met ons eens dat uw nieuwe besluit niet anders kan luiden, dan dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd? Zo nee, waarom niet?

3. Berust u in de weigering van de VVGB van de gemeente Bergen op Zoom? Zo nee, hebt u tegen de weigering van de VVGB beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State? Zo nee, waarom niet?

4. Klopt het dat er sinds juli 2017 een gewijzigde aanvraag vanuit BioMoer B.V. ligt waarbij de uitbreiding van de mestvergister nu op Roosendaals grondgebied moet komen te liggen? Zo ja, waarom heeft de OMWB deze aanvraag in behandeling genomen terwijl er nog geen besluit is genomen over de eerdere vergunningsaanvraag? Betekent dit, dat de gemeente Bergen op Zoom nu niet meer het bevoegd gezag is voor het verlenen van een VVGB?

5. Indien ja bij vraag 4: Is de aanvraag die geweigerd had moeten worden, betrekking hebbende op de uitbreiding op Bergen op Zoomse grondgebied (de oorspronkelijke aanvraag van 2011 waar de gemeente Bergen op Zoon geen VVGB voor heeft gegeven), nu doorgezet als een gewijzigde aanvraag met het verschil dat het nu betrekking heeft op Roosendaals grondgebied? Zo ja, welke juridische grondslag is er om dit als een gewijzigde aanvraag te zien, mede omdat de aanvraag in een andere gemeente wordt gedaan? Zo nee, waarom niet? Is er sprake van een geheel nieuwe aanvraag met nieuwe randvoorwaarden?

6. Inmiddels geldt de nieuwe Verordening Ruimte waarbij geldt dat co-vergistingsinstallaties niet groter mogen zijn dan 25.000 ton. Indien de aanvraag van 6 juli 2017 een nieuwe aanvraag betreft, is het dan zo dat de huidige regels van de Verordening ruimte gelden, waarbij geldt dat co-vergistingsinstallaties in de groenblauwe mantel niet groter mogen zijn dan 25.000 ton? Zo nee, waarom niet?

7. De zaak BioMoer speelt al sinds 2011. Hoeveel rechtszaken zijn er inmiddels door en tegen de provincie/omgevingsdienst gevoerd? Welke kosten heeft de provincie/omgevingsdienst daarvoor gemaakt? Vindt u deze kosten in verhouding staan tot uw wettelijke taak, te weten het verlenen van vergunningen?

8. Wanneer u het proces bekijkt, heeft u dan de indruk dat de overheid – vertegenwoordigd door de omgevingsdienst – de gewenste uitkomst, namelijk het realiseren van een uitbreiding van een mestvergister, stelt boven het proces, namelijk het uitvoeren van de wettelijke taken als een betrouwbare en eerlijke overheid, en daarmee het objectief toetsen van een vergunningsaanvraag? Zo nee, waarom niet?


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel,
Partij voor de Dieren

Antwoorddatum: 5 feb. 2018

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Waarom hebt u tot op heden geen nieuw besluit genomen op de aanvraag van BioMoer B.V. en waarom is/zijn de wettelijke termijn(en) daarbij overschreden? Wat zijn de consequenties van het niet tijdig nemen van een nieuw besluit? Hoe verhoudt zich een en ander tot de beslistermijn van 6 maanden volgens artikel 3:18 van de AwB?

Antwoord:
Zoals in de aanhef van uw vragen is aangegeven, is de voornaamste reden voor de vernietiging van de verleende vergunning het feit dat de rechtbank en de Raad van State van oordeel zijn dat een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) nodig was van de gemeente Bergen op Zoom, terwijl deze door ons bij de gemeente Roosendaal was aangevraagd. Wij hebben daarop alsnog de raad van de gemeente Bergen op Zoom gevraagd om een vvgb, die zij op 21 september 2017 geweigerd heeft.

Op 6 juli 2017 is door Biomoer een aangepaste aanvraag ingediend voor een capaciteitsuitbreiding naar 43.500 ton per jaar binnen de bestaande installatie. Uit onze beoordeling van deze gewijzigde aanvraag volgde dat aanvullende gegevens nodig waren. De aanvraag is sindsdien meermaals aangevuld. De beslistermijn bedoeld in artikel 3:18 Awb is overschreden. Wij streven ernaar op korte termijn alsnog te beslissen op de (aangepaste) aanvraag.

Het niet tijdig nemen van een beslissing op de aanvraag heeft ertoe geleid dat omwonenden beroep hebben ingesteld en de Afdeling bestuursrechtspraak ons op 19 januari 2018 heeft opgedragen om binnen twee weken alsnog te besluiten, op straffe van het verbeuren van een dwangsom.


2. Bent u het met ons eens dat uw nieuwe besluit niet anders kan luiden, dan dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De gewijzigde aanvraag wordt momenteel door ons getoetst. Uit deze beoordeling zal blijken of de vergunning verleend danwel geweigerd dient te worden.


3. Berust u in de weigering van de VVGB van de gemeente Bergen op Zoom? Zo nee, hebt u tegen de weigering van de VVGB beroep aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja.


4. Klopt het dat er sinds juli 2017 een gewijzigde aanvraag vanuit BioMoer B.V. ligt waarbij de uitbreiding van de mestvergister nu op Roosendaals grondgebied moet komen te liggen? Zo ja, waarom heeft de OMWB deze aanvraag in behandeling genomen terwijl er nog geen besluit is genomen over de eerdere vergunningsaanvraag? Betekent dit, dat de gemeente Bergen op Zoom nu niet meer het bevoegd gezag is voor het verlenen van een VVGB?

Antwoord:
Ja. Biomoer heeft wettelijk gezien onder voorwaarden de mogelijkheid een eerdere aanvraag te wijzigen en wij dienen op deze gewijzigde aanvraag te beslissen. Door de wijziging van de aanvraag is thans van de gemeente Bergen op Zoom geen vvgb meer nodig.


5. Indien ja bij vraag 4: Is de aanvraag die geweigerd had moeten worden, betrekking hebbende op de uitbreiding op Bergen op Zoomse grondgebied (de oorspronkelijke aanvraag van 2011 waar de gemeente Bergen op Zoon geen VVGB voor heeft gegeven), nu doorgezet als een gewijzigde aanvraag met het verschil dat het nu betrekking heeft op Roosendaals grondgebied? Zo ja, welke juridische grondslag is er om dit als een gewijzigde aanvraag te zien, mede omdat de aanvraag in een andere gemeente wordt gedaan? Zo nee, waarom niet? Is er sprake van een geheel nieuwe aanvraag met nieuwe randvoorwaarden?

Antwoord:
Ja, met dien verstande dat de stelling dat aanvraag geweigerd had moeten worden niet juist is. Uitgangspunt om de aanvraag als een gewijzigde (en dus niet als een nieuwe) aanvraag te zien, is dat de milieugevolgen van de installatie voor de omgeving niet groter zijn dan welke voorzien waren in de aanvraag van 2011.


6. Inmiddels geldt de nieuwe Verordening Ruimte waarbij geldt dat co-vergistingsinstallaties niet groter mogen zijn dan 25.000 ton. Indien de aanvraag van 6 juli 2017 een nieuwe aanvraag betreft, is het dan zo dat de huidige regels van de Verordening ruimte gelden, waarbij geldt dat co-vergistingsinstallaties in de groenblauwe mantel niet groter mogen zijn dan 25.000 ton? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De bepaling met betrekking tot de maximale capaciteit voor mestvergisting van 25.000 ton in artikel 6.3 lid 4 van de Verordening ruimte 2017 is specifiek opgenomen voor samenwerkende melkrundveehouderijen. Daarvan is in de huidige situatie echter geen sprake, er vindt immers al mestbewerking van derden, niet zijnde melkrundveehouderijen, plaats.

Er is sprake van reeds bestaande en vergunde mestbewerking (mest van derden) op basis van de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan.

De regeling in artikel 6.3 lid 4, is daardoor niet (meer) relevant.

Dit betekent dat het initiatief van Biomoer beoordeeld moet worden op grond van artikel 6.10: niet-agrarische functies.

Door de toevoeging van lid 4 in artikel 6.10 bij laatste wijziging van de Verordening ruimte is uitbreiding voor mestbewerking beperkt tot de bestaande gebruiksoppervlakte (en niet 25.000 ton).


7. De zaak BioMoer speelt al sinds 2011. Hoeveel rechtszaken zijn er inmiddels door en tegen de provincie/omgevingsdienst gevoerd? Welke kosten heeft de provincie/omgevingsdienst daarvoor gemaakt? Vindt u deze kosten in verhouding staan tot uw wettelijke taak, te weten het verlenen van vergunningen?

Antwoord:
Drie. Tegen de door ons verleende vergunning is beroep ingesteld door omwonenden en de gemeente Bergen op Zoom bij de rechtbank. Tegen de uitspraak van de rechtbank is hoger beroep ingesteld door alle partijen bij de Raad van State. De tot nu toe gemaakte kosten houden rechtstreeks verband met de het uitvoeren van onze wettelijke taak.

Daarnaast is beroep door omwonenden aangetekend voor wat betreft het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Op 19 januari 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak dit beroep gegrond verklaard en ons opgedragen om binnen twee weken alsnog te besluiten, op straffe van het verbeuren van een dwangsom (van 100 euro per dag tot een maximum van 15.000 euro).


8. Wanneer u het proces bekijkt, heeft u dan de indruk dat de overheid – vertegenwoordigd door de omgevingsdienst – de gewenste uitkomst, namelijk het realiseren van een uitbreiding van een mestvergister, stelt boven het proces, namelijk het uitvoeren van de wettelijke taken als een betrouwbare en eerlijke overheid, en daarmee het objectief toetsen van een vergunningsaanvraag? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De aanvraag is door de aanvrager meermaals aangepast. Het is onze wettelijke taak om (gewijzigde) aanvragen te beoordelen op vergunbaarheid.


Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk drs. M.J.A. van Bijnen MBA