Vragen over de ‘Ver­snelling transitie veehou­derij’


Indiendatum: apr. 2017

Schriftelijke vragen van de Statenfractie van de Partij voor de Dieren aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant betreffende de ‘Versnelling transitie veehouderij’.


Geacht college,

Naar aanleiding van de presentatie over de versnelling van de transitie van de veehouderij, van vrijdag 7 april, hebben wij een aantal schriftelijke vragen. We verwijzen in de vragen naar de presentatie zoals deze op Ibabs staat.

Op de tweede sheet staat de “ambitie voor veehouderij”. Maatschappelijke waardering is daarbij een punt, wat zich kenmerkt als ‘diervriendelijk’, ‘past in natuurlijke omgeving’ en ‘geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s’.

Een andere ambitie is een “topsector die opereert vanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid”, waarbij het o.a. gaat om duurzaamheid en het sluiten van kringlopen op Noordwest Europese schaal.

1. Onderschrijft u de conclusies van de Tussentijdse evaluatie BZV over de (zeer) beperkte bijdrage van de BZV aan dierenwelzijn, duurzaamheid en volksgezondheid? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit in het kader van de veehouderijtransitie zoals u die voor ogen heeft? Zo nee, waarom niet?

2. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat door de BZV de veehouderij nagenoeg niet diervriendelijker is geworden: met welk beleid draagt de provincie concreet bij aan een veehouderij die in praktijk diervriendelijker is? (Daarbij in acht genomen dat de dierenwelzijnsvoorwaarden van de BZV vanwege de ontbrekende ruimtelijke relevantie, geen noodzakelijke voorwaarden zijn, wat in de praktijk resulteert in BZV-uitbreidingen zonder vooruitgang op dierenwelzijn.) Is dat beleid incidenteel of structureel? Hoeveel dieren hebben dankzij uw beleid een diervriendelijker leven (gehad)?

In een artikel in Trouw is het volgende te lezen:
"Die overtollige mest moet worden verwerkt. Brabant hanteerde een grens voor die mestverwerking, onder meer uit angst dat de veestapel anders weer stiekem zou groeien.”
(…)
“Een boer die zijn zaakjes goed voor elkaar heeft, krijgt ruimte voor extra uitbreiding. Daarbij wordt onder meer gelet op dierenwelzijn, het beperken van stank en goede communicatie met de buren. Ligt de grens voor een veehouderij nu op een grootte van 1,5 hectare, straks wordt zelfs 2,5 hectare mogelijk.”

3. Kunt u garanderen dat de veestapel niet gaat groeien, zodra de grens voor mestverwerking is losgelaten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

4. Bent u van mening dat dit artikel een goed beeld van de feitelijke situatie geeft, aangezien uitbreiding praktisch mogelijk is zonder (significante) bijdrage aan dierenwelzijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

5. Tijdens de bespreking in de informatieve themabijeenkomst werd duidelijk dat het aantal dieren na de door u voorgestelde wijzigingen naar alle waarschijnlijkheid niet zal dalen. Deelt u de mening van de deskundige dat de dierrechten (en dus de dieren) zich dan zullen verspreiden over andere delen van Brabant en Limburg? Zo nee, waarom niet?

6. Het bijstellen van lokale geurnormen is een verantwoordelijkheid van gemeentes. In hoeverre draagt de BZV (als provinciaal beleidsmiddel) bij aan het beperken van stank? Welke bovenwettelijk maatregelen worden in dat kader door u genomen?

Met de Ontwerpwijziging Verordening ruimte 2014 wordt de maximale grootte van het bouwperceel verhoogd van 1,5 ha, naar 2 ha en in sommige gevallen zelfs 2,5 ha. Daarnaast wordt het met de wijziging van de Verordening ruimte 2014 mogelijk om een netwerk van pijpleidingen van veehouderijen naar mestbewerkingslocaties aan te leggen.

7. Wanneer past een stal volgens u in de natuurlijke omgeving? Zijn stallen met een grootte van 2,5 ha of 2 ha volgens u makkelijker, in gelijke mate of moeilijker in de natuurlijke omgeving in te passen dan stallen van 1,5 ha? Zo ja, op welke wijze?

8. Naar aanleiding van het burgerinitiatief 'Megastallen Nee!', ondertekent door ruim 34.000 mensen, is door Provinciale Staten besloten om de stalgrootte te begrenzen op 1,5 ha. Aangezien u nu significant afwijkt van dat besluit, en daarmee een streep haalt door de belofte aan de ondertekenaars van het burgeninitiatief: bent u bereid om middels een referendum de Brabanders te vragen naar hun mening omtrent stallen groter dan 1,5 ha? Zo nee, waarom niet?

9. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat de bijdrage van de BZV aan volksgezondheid erg beperkt is: met welk beleid draagt de provincie concreet bij aan een veehouderij die in praktijk 'geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s' heeft? Is dat incidenteel of structureel? Hoeveel gezondheidsrisico heeft u daarmee voorkomen?

10. Wat maakt volgens u het verschil tussen een ‘aanvaardbaar’ en een ‘onaanvaardbaar’ gezondheidsrisico? Op basis van welke factoren wordt deze scheidslijn getrokken?

11. Zijn er locaties/regio’s waar volgens u nog sprake is van een onaanvaardbaar gezondheidsrisico? Zo ja, welke locatie(s) is/zijn dit en wat gaat u concreet ondernemen om het risico aanvaardbaar te maken?

12. Indien ‘nee’ op vraag 11: Er is momenteel dus geen sprake van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanuit de veehouderij? Zo ja, waarom is deze ambitie – die blijkbaar al bij voorbaat is gerealiseerd – gesteld?

13. Bent u met ons van mening dat het inzetten op grotere veehouderijen, waarbij grotere aantallen dieren worden geconcentreerd, de kans op dierziekten en de gevolgen voor dierziektenuitbraken vergroot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is dat te rijmen met de voorliggende wijziging van de Verordening ruimte 2014?

14. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat slechts bij 0,2% van de bedrijven verduurzaming heeft plaatsgevonden in het kader van de BZV: met welk beleid draagt de provincie zelf concreet bij aan een duurzame veehouderij? Is dat incidenteel of structureel? Hoeveel duurzamer is de veehouderij daardoor geworden? Hoe heeft u dat bepaald of berekend?

15. Hoe beoordeelt u de conclusie van de BZV-evaluatie, dat de tegenstrijdigheden in de BZV steeds manifester lijken te worden naarmate het ambitiecijfer hoger wordt, in het kader van de wijziging in de Verordening ruimte 2014, waarmee uitbreiding naar 2,5 ha mogelijk is mits een BZV-score van 8,5 wordt gehaald?

16. Klopt het dat de hierboven genoemde tegenstrijdigheden ervoor kunnen zorgen dat uitbreidingen minder dierenwelzijn, duurzaamheid en volksgezondheid tot gevolg hebben? Zo nee, waarom niet?

17. Via de SDE+-subsidieregelingen is momenteel ruim 580 miljoen euro subsidie ter beschikking gesteld voor mestverwerkingsinitiatieven in Brabant. Bent u met ons van mening dat met een “topsector die opereert vanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid” niet een sector bedoeld kan worden die enerzijds voor een belangrijk deel afhankelijk is van subsidies en andere vormen van staatssteun en anderzijds maatschappelijke kosten afwendt op de samenleving? Zo nee, waarom niet?

18. Hoe zijn de afhankelijkheid van overheidssubsidies en de afwenteling van maatschappelijke kosten op de samenleving te rijmen met uw wens om de veehouderij te laten opereren in “eigen kracht en verantwoordelijkheid”?

In 2016 heeft u Wageningen Livestock Research gevraagd te onderzoeken wat de effecten zijn van het sluiten van kringlopen op Noordwest-Europese schaal. In het rapport van het onderzoek wordt geconcludeerd dat bij gesloten kringlopen op deze schaal kan worden voorzien in de behoefte aan dierlijk eiwit. Eén van de omstandigheden van deze nog hypothetische situatie is dat er geen veevoer en dierlijke producten meer ingevoerd en uitgevoerd worden.

19. U wilt de kringlopen sluiten op Noordwest-Europese schaal. Onderschrijft u daarmee het sluiten van de grenzen van Noordwest-Europa voor veevoer en dierlijke producten? Zo ja, welke termijn heeft u daarbij in gedachten? Zo nee, waarom niet?

20. Zijn er concrete initiatieven aangaande het sluiten van de ketens op Noordwest-Europese schaal? Zo ja, wat is de stand van zaken? Zo nee, waarom niet?

21. Is er overleg met andere overheden (op provinciaal, nationaal en Europees niveau) over het sluiten van de ketens op Noordwest-Europese schaal? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u het sluiten van de ketens onder de aandacht brengen?

22. Tijdens de bespreking is aangegeven dat bedrijfsgrootte geen relatie heeft met succesvol ondernemerschap. Is het dan zo dat veehouders die niet willen groeien negatieve effecten ondervinden van collega veehouders die wel uitbreiden? Zo nee, waarom niet?

23. Bent u met ons van mening dat de inzet op verdere schaalvergroting, wat zich uit in een versterkte en versnelde trend van de afname van het aantal bedrijven, faillissementen in de hand blijft werken en daarom slecht uitpakt voor familiebedrijven? Zo nee, waarom niet?

Wij vernemen graag uw reactie en danken u bij voorbaat voor de beantwoording.


Met vriendelijke groet,

Marco van der Wel
Partij voor de Dieren

Indiendatum: apr. 2017
Antwoorddatum: 9 mei 2017

Wij beantwoorden deze vragen als volgt.


1. Onderschrijft u de conclusies van de Tussentijdse evaluatie BZV over de (zeer) beperkte bijdrage van de BZV aan dierenwelzijn, duurzaamheid en volksgezondheid? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit in het kader van de veehouderijtransitie zoals u die voor ogen heeft? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja, daarom gaan wij de BZV wijzigen, in samenhang met de wijziging van de Verordening ruimte en de Verordening natuurbescherming. In de Statenmededeling besproken op 2 december 2016 in uw Staten is dit nader toegelicht.


2. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat door de BZV de veehouderij nagenoeg niet diervriendelijker is geworden: met welk beleid draagt de provincie concreet bij aan een veehouderij die in praktijk diervriendelijker is? (Daarbij in acht genomen dat de dierenwelzijnsvoorwaarden van de BZV vanwege de ontbrekende ruimtelijke relevantie, geen noodzakelijke voorwaarden zijn, wat in de praktijk resulteert in BZV-uitbreidingen zonder vooruitgang op dierenwelzijn.) Is dat beleid incidenteel of structureel? Hoeveel dieren hebben dankzij uw beleid een diervriendelijker leven (gehad)?

Antwoord:
Dierenwelzijn wordt gereguleerd door Europese en landelijke wetgeving en wordt op diverse andere manieren gestimuleerd. Zo stimuleren wij structureel veehouders die zich willen inspannen voor een beter dierenwelzijn via de BZV. De bijdrage van de BZV aan een beter dierenwelzijn kunnen wij niet bepalen, de verbeteringen zijn het gevolg van meerdere stimulansen. Via landelijke marktconcepten als Beter Leven wordt het dierwelzijn verbeterd. Consumenten kunnen op basis van deze concepten kiezen voor producten met een beter dierenwelzijn.
In het voorstel voor aanpassing van de Verordening Ruimte zit een optie om dierwelzijn te bevorderen (artikel 6.2 wijziging artikel 6.4 afwijkende regels veehouderij lid 1 onder d ontwerpwijziging Verordening Ruimte 2014, actualisatie 2017). Zoals ook in ons bestuursakkoord is opgenomen gaan wij uit van dierenwelzijn op basis van landelijke richtlijnen.


3. Kunt u garanderen dat de veestapel niet gaat groeien, zodra de grens voor mestverwerking is losgelaten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. De omvang van de veehouderij wordt op dit moment bepaald door dierrechten, niet door mestverwerkingscapaciteit. Dierrechten voorkomen echter geen regionale concentratie. Wij introduceren hiertoe staldering in ons voorstel voor aanpassing van de Verordening ruimte. Kortheidshalve verwijzen wij u naar de desbetreffende Statenmededeling (10 maart 2017, kernboodschap 1.2). Bovendien voorkomen we hiermee dat de hoeveelheid dieren groeit in het geval het Rijk zou besluiten om het systeem van dierrechten af te schaffen.


4. Bent u van mening dat dit artikel een goed beeld van de feitelijke situatie geeft, aangezien uitbreiding praktisch mogelijk is zonder (significante) bijdrage aan dierenwelzijn? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Het artikel vat onze voorstellen zeer compact samen waardoor de niet verder geïnformeerde lezer de indruk kan krijgen dat er royale mogelijkheden voor een groter bouwblok komen, terwijl onze voorstellen gaan om uitzonderingen in bijzondere situaties met stringente voorwaarden. Gemeenschappelijk kenmerk daarvan is dat het gaat om situaties waarin een veehouder veel extra inspanningen levert in het kader van zorgvuldige veehouderij. Kortheidshalve verwijzen wij naar kernboodschap 1.4 in de desbetreffende Statenmededeling (10 maart 2017).


5. Tijdens de bespreking in de informatieve themabijeenkomst werd duidelijk dat het aantal dieren na de door u voorgestelde wijzigingen naar alle waarschijnlijkheid niet zal dalen. Deelt u de mening van de deskundige dat de dierrechten (en dus de dieren) zich dan zullen verspreiden over andere delen van Brabant en Limburg? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Door de introductie van staldering (zie antwoord op vraag 3) gaan wij regionale concentratie van de veehouderij tegen. Het is denkbaar dat er een verschuiving naar Noord- en Midden-Limburg plaatsvindt. Maar de ontwikkelingen in de afgelopen jaren geven niet veel aanleiding te veronderstellen dat deze substantieel zal zijn. Verspreiding naar andere delen in Brabant ligt verder niet in de rede. Zie Statenmededeling (10 maart 2017, kernboodschap 1.2).


6. Het bijstellen van lokale geurnormen is een verantwoordelijkheid van gemeentes. In hoeverre draagt de BZV (als provinciaal beleidsmiddel) bij aan het beperken van stank? Welke bovenwettelijk maatregelen worden in dat kader door u genomen?

Antwoord:
De BZV is een keuzemodel, veehouders kiezen welke maatregelen zij nemen. De veehouder kan kiezen voor verdergaande maatregelen op het gebied van beperking van geur en daarmee punten verdienen. De norm voor de achtergrondbelasting voor geur in de Verordening ruimte dient ter voorkoming van nieuwe geuroverlast bij uitbreiding van veehouderijen. Bij uitbreidingen in geval van bestaande overbelasting moet de veehouder extra maatregelen nemen om zijn aandeel in de bestaande overbelasting te verminderen. De provinciale norm voor geur is voor veel gemeenten aanleiding geweest om hun geurbeleid strenger te maken. Via de Crisis- en Herstelwet kunnen gemeenten overlastgebieden aanwijzen en daar de Best Beschikbare Technieken voorschrijven om geuroverlast te saneren. Ook met de voorgenomen aanpassing van de Verordening natuurbescherming dragen wij bij aan het beperken van (geur)overlast.


7. Wanneer past een stal volgens u in de natuurlijke omgeving? Zijn stallen met een grootte van 2,5 ha of 2 ha volgens u makkelijker, in gelijke mate of moeilijker in de natuurlijke omgeving in te passen dan stallen van 1,5 ha? Zo ja, op welke wijze?

Antwoord:
De regels rondom de omvang van veehouderijen in de Verordening ruimte hebben betrekking op de omvang van het bouwperceel en niet van de stal. Voor een goede landschappelijke inpassing van een bouwperceel is vooral de aard van het gebied, de ligging in het gebied en de kwaliteit van het landschappelijk ontwerp bepalend.


8. Naar aanleiding van het burgerinitiatief 'Megastallen Nee!', ondertekent door ruim 34.000 mensen, is door Provinciale Staten besloten om de stalgrootte te begrenzen op 1,5 ha. Aangezien u nu significant afwijkt van dat besluit, en daarmee een streep haalt door de belofte aan de ondertekenaars van het burgeninitiatief: bent u bereid om middels een referendum de Brabanders te vragen naar hun mening omtrent stallen groter dan 1,5 ha? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De maximale grootte van een bouwperceel blijft gehandhaafd op 1,5 hectare. Hierop is alleen een uitzondering mogelijk voor specifiek omschreven gevallen onder strenge voorwaarden (zie ook antwoord op vraag 4). Brabanders hebben gedurende de termijn van tervisielegging van de ontwerp wijziging Verordening ruimte, actualisatie 2017 hierover hun mening kunnen geven.


9. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat de bijdrage van de BZV aan volksgezondheid erg beperkt is: met welk beleid draagt de provincie concreet bij aan een veehouderij die in praktijk 'geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s' heeft? Is dat incidenteel of structureel? Hoeveel gezondheidsrisico heeft u daarmee voorkomen?

Antwoord:
De BZV is een stimuleringsinstrument met keuzevrijheid dat bijdraagt aan een Zorgvuldige Veehouderij. Volksgezondheid is daarvan een belangrijk onderdeel. Het effect van de BZV is beperkt omdat tot nu toe –door meerdere oorzaken- relatief weinig bedrijven een BZV aanvraag ingediend hebben. De BZV is geen afwegingskader waarmee bepaald wordt of een bedrijfsontwikkeling tot een aanvaardbaar gezondheidsrisico leidt.
De opgenomen norm in de Verordening ruimte voor fijnstof draagt bij aan een veehouderij die in praktijk ‘geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s’ heeft. De afgelopen tijd is onderzoek gedaan naar endotoxinen. Er is nog geen landelijke norm en toetsingskader voorhanden. Wel zijn er negatieve gezondheidseffecten aangetoond rond met name pluimveestallen. Daarom hebben omgevingsdiensten, GGD, gemeenten en provincie in opdracht van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) uit voorzorg een notitie opgesteld voor de vergunningverlening: Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxine toetsingskader 1.0.


10. Wat maakt volgens u het verschil tussen een ‘aanvaardbaar’ en een ‘onaanvaardbaar’ gezondheidsrisico? Op basis van welke factoren wordt deze scheidslijn getrokken?

Antwoord:
Via diverse landelijke en provinciale wet- en regelgeving bepaalt het bevoegd gezag of in principe sprake is van een aanvaardbaar gezondheidsrisico. Het bevoegd gezag betrekt daarbij ook de laatste wetenschappelijke inzichten ook als deze nog niet tot landelijke regelgeving hebben geleid. Het uitbreidingsplan van de veehouder - met eventuele maatregelen - en de lokale situatie bepaalt of sprake is van een aanvaardbaar gezondheidsrisico.
Zie ook het antwoord op vraag 9.


11. Zijn er locaties/regio’s waar volgens u nog sprake is van een onaanvaardbaar gezondheidsrisico? Zo ja, welke locatie(s) is/zijn dit en wat gaat u concreet ondernemen om het risico aanvaardbaar te maken?

Antwoord:
In het antwoord op vraag 10 hebben wij aangegeven wanneer sprake is van een aanvaardbaar gezondheidsrisico. Hier wordt niet in heel Brabant aan voldaan, bijvoorbeeld als de cumulatieve norm voor fijnstof uit de Verordening ruimte wordt overschreden. Het is aan gemeenten om dit in beeld te brengen. Nieuwe kaders, zoals het endotoxine kader dat het Rijk zal opstellen, kunnen ertoe leiden dat er nieuwe knelpunten in beeld komen.


12. Indien ‘nee’ op vraag 11: Er is momenteel dus geen sprake van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanuit de veehouderij? Zo ja, waarom is deze ambitie – die blijkbaar al bij voorbaat is gerealiseerd – gesteld?

Antwoord:
Zie onze antwoorden op de vragen 10 en 11.


13. Bent u met ons van mening dat het inzetten op grotere veehouderijen, waarbij grotere aantallen dieren worden geconcentreerd, de kans op dierziekten en de gevolgen voor dierziektenuitbraken vergroot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe is dat te rijmen met de voorliggende wijziging van de Verordening ruimte 2014?

Antwoord:
Nee, door dusdanig strenge eisen aan bedrijven te stellen die groter mogen worden dan 1,5 ha is de kans op dierziekten en dierziektenuitbraken niet groter dan in de huidige situatie.


14. Aangezien de evaluatie van de BZV laat zien dat slechts bij 0,2% van de bedrijven verduurzaming heeft plaatsgevonden in het kader van de BZV: met welk beleid draagt de provincie zelf concreet bij aan een duurzame veehouderij? Is dat incidenteel of structureel? Hoeveel duurzamer is de veehouderij daardoor geworden? Hoe heeft u dat bepaald of berekend?

Antwoord:
Met alleen regelgeving kan en zal de veehouderij niet verduurzamen. Er zijn diverse initiatieven vanuit de sector en ketenpartijen om te verduurzamen. Wij dragen bij aan verduurzaming van de veehouderij via alle zes de pijlers van de Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood 2016-2020. De BZV maakt hier onderdeel van uit. Het is niet mogelijk en ook niet relevant om te bepalen wat ieder onderdeel bijdraagt aan de verduurzaming. We zullen eind 2017 met de monitor over de verdere verduurzaming komen, zoals ook in de vergadering van 17 februari j.l. is aangekondigd.


15. Hoe beoordeelt u de conclusie van de BZV-evaluatie, dat de tegenstrijdigheden in de BZV steeds manifester lijken te worden naarmate het ambitiecijfer hoger wordt, in het kader van de wijziging in de Verordening ruimte 2014, waarmee uitbreiding naar 2,5 ha mogelijk is mits een BZV-score van 8,5 wordt gehaald?

Antwoord:
Voor ons zijn bij de beoogde transitie van de veehouderij meerdere ontwikkelingsrichtingen van veehouderijen mogelijk. De BZV en de rest van ons beleidspakket geven ruimte en randvoorwaarden voor die richtingen.
Het is voor ons evident dat er tegenstrijdigheden zijn, zo is het bijvoorbeeld voor dierenwelzijn gunstig om dieren meer ruimte of een buitenuitloop te geven. Hierdoor kunnen echter de milieubelasting of het risico voor de volksgezondheid toenemen. De BZV erkent deze tegenstrijdigheden, mede hierdoor is het niet mogelijk om een 10 te scoren op de BZV. Alleen bedrijven die excelleren in verduurzaming zullen in staat zijn om een BZV score van 8,5 te halen.


16. Klopt het dat de hierboven genoemde tegenstrijdigheden ervoor kunnen zorgen dat uitbreidingen minder dierenwelzijn, duurzaamheid en volksgezondheid tot gevolg hebben? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 15. Een bedrijf dat voldoet aan de BZV zal ten minste op een van de drie door u genoemde aspecten bovenwettelijk presteren. Een bedrijf dat een 8,5 wil scoren zal in vrijwel alle gevallen op dierenwelzijn, duurzaamheid ‘en gezondheid bovenwettelijk moeten presteren.


17. Via de SDE+-subsidieregelingen is momenteel ruim 580 miljoen euro subsidie ter beschikking gesteld voor mestverwerkingsinitiatieven in Brabant. Bent u met ons van mening dat met een “topsector die opereert vanuit eigen kracht en verantwoordelijkheid” niet een sector bedoeld kan worden die enerzijds voor een belangrijk deel afhankelijk is van subsidies en andere vormen van staatssteun en anderzijds maatschappelijke kosten afwendt op de samenleving? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. De SDE+ subsidie is overigens geen specifieke subsidie voor mestbewerking of de agrarische sector. Bedrijven en (non-profit) instellingen in alle economische sectoren die hernieuwbare energie (gaan) produceren, kunnen gebruik maken van de subsidieregeling SDE+.


18. Hoe zijn de afhankelijkheid van overheidssubsidies en de afwenteling van maatschappelijke kosten op de samenleving te rijmen met uw wens om de veehouderij te laten opereren in “eigen kracht en verantwoordelijkheid”?

Antwoord:
Zie antwoord op vraag 17. Subsidies als de SDE + hebben tot doel een maatschappelijk gewenste transitie te ondersteunen en hebben daarmee uit hun aard een tijdelijk karakter.


19. U wilt de kringlopen sluiten op Noordwest-Europese schaal. Onderschrijft u daarmee het sluiten van de grenzen van Noordwest-Europa voor veevoer en dierlijke producten? Zo ja, welke termijn heeft u daarbij in gedachten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Wij willen met de agrarische sector werken aan een circulaire landbouw die haar kringlopen zoveel mogelijk sluit op deze schaal


20. Zijn er concrete initiatieven aangaande het sluiten van de ketens op Noordwest-Europese schaal? Zo ja, wat is de stand van zaken? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Ja. Wij hebben hiervan geen uitputtend overzicht. Voorbeelden zijn het telen van Europese soja (bijvoorbeeld door Agrifirm https://archive.agrifirm.com/agrifirm-plant/over-agrifirm-plant/concepten/sojateelt-in-nederland ), het beter benutten van reststromen als veevoer en het benutten van (bewerkte) mest door bedrijven die veevoer produceren. Ook zijn er initiatieven die inzetten op een goede manier van bewerking van de mest waardoor er producten ontstaan die dusdanig specifiek toepasbaar zijn voor bodem en gewas dat kunstmest overbodig wordt.


21. Is er overleg met andere overheden (op provinciaal, nationaal en Europees niveau) over het sluiten van de ketens op Noordwest-Europese schaal? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet en hoe gaat u het sluiten van de ketens onder de aandacht brengen?

Antwoord:
Tussen provincies is er overleg en afstemming over de circulaire ambities. Op het thema biobased economy wordt nationaal en internationaal samengewerkt tussen de provincies Brabant, Zeeland en Zuid Holland binnen het cluster Biobased Delta en internationale biobased clusters in Duitsland, Frankrijk, Brazilië en Canada. Ook in contacten met bewindslieden, Tweede Kamerleden en Europarlementariërs komt dit onderwerp regelmatig aan de orde.


22. Tijdens de bespreking is aangegeven dat bedrijfsgrootte geen relatie heeft met succesvol ondernemerschap. Is het dan zo dat veehouders die niet willen groeien negatieve effecten ondervinden van collega veehouders die wel uitbreiden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. De veehouder die niet groeit heeft geen (milieu-)ruimte nodig en wordt dus niet beïnvloed door veehouders die wel groeien.


23. Bent u met ons van mening dat de inzet op verdere schaalvergroting, wat zich uit in een versterkte en versnelde trend van de afname van het aantal bedrijven, faillissementen in de hand blijft werken en daarom slecht uitpakt voor familiebedrijven? Zo nee, waarom niet?

Antwoord:
Nee. Wij zetten niet in op verdere schaalvergroting. Dit is een autonoom proces dat voortkomt uit de aard van de veehouderijsector. Extra eisen vanuit milieu, gezondheid en dierenwelzijn kunnen dit wel versterken. Via de aanpak in de Uitvoeringsagenda Brabantse Agrofood en ons flankerend beleid willen wij middelgrote (gezins)bedrijven helpen de opties en perspectieven om zich te ontwikkelen te verbreden. Dit als alternatief voor schaalvergroting en met als doel het automatisme van schaalvergroting te doorbreken.


Gedeputeerde Staten van Noord Brabant,

de voorzitter, de secretaris,
prof. dr. W.B.H.J. van de Donk ir. A.M. Burger